Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koets - (rijtuig)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2021

Coach

De bekendste coach van Nederland is zonder twijfel de bondscoach van het Nederlands voetbalelftal. Maar ook verder wordt er heel wat afgecoacht, en niet alleen binnen de sport. Studenten van de Open Universiteit kunnen op de website Studiecoach werken aan hun studievaardigheden, de Stichting Talentcoach coacht mensen die op hun beurt andere mensen door moeilijke levenssituaties heen coachen, en wie meer dates wil, kan terecht bij de ‘versiercoach’. Maar waar komt het woord coach eigenlijk vandaan? Het heeft een lange etymologische reis achter zich, waarvan het startpunt in Hongarije ligt.

Rijtuigen
In het noorden van Hongarije ligt een dorpje van 2600 inwoners, genaamd Kocs (spreek uit: ‘kootsj’). De plaatsnaam wordt voor het eerst vermeld in 1237. In de vijftiende eeuw ontwikkelde het dorp, gelegen tussen Wenen en Budapest, zich tot een pleisterplaats waar de paarden werden uitgespannen en waar de rijtuigen als dat nodig was werden gerepareerd. De dorpenaren legden zich toe op het bouwen van luxe rijwagens. In het Hongaars werden deze aangeduid als kocsi szekér (‘wagens van Kocs’).
De statige rijtuigen uit Kocs raakten weldra in het hele Habsburgse Rijk bekend. In het Duits droegen ze de naam Cotschien Wägnen of Gutschenwagen, wat later werd verkort tot vormen als Kotsche, Kutze, Gutsche en Kutsche. Tegelijk verbleekte de herinnering aan de plaats van herkomst, en werd de betekenis algemener: ‘overdekt vierwielig rijtuig’. In deze brede zin heeft het Nederlands in de zestiende eeuw het woord koets ontleend aan het Duits. Zo reed in 1575 bij de inwijding van de Leidse universiteit in de feestelijke optocht een “Coetse oft Speel-waghen” mee, waarop op allegorische wijze de Bijbel werd vertoond, “sittende op de selve een vrouwe Personagie … ghenaemt Sacra Scriptura [= Heilige Schrift]”. In 1599 noemt woordenboekmaker Kiliaan de varianten kotsie, koetsie en koets-waghen.
Het Italiaans nam het Hongaarse woord over als cocchio, en via het Italiaans of het Duits kwam het ook in het Frans terecht, als coche. Het Engels ontleende in de zestiende eeuw op zijn beurt het Franse woord in de vorm coach, eveneens met de betekenis ‘koets, rijtuig’.

Tutor
Rond 1830 gaan Engelse studenten coach gebruiken als grappige aanduiding voor de tutor die de zwakkere broeders op tentamens voorbereidt en ze daardoor als het ware op weg helpt, begeleidt. Zo schrijft een zekere F. Smedley in 1850, terugkijkend op zijn Oxfordse studie: “I secured the assistance of what, in the slang of the day, we irreverently termed ‘a coach’.” Vanaf 1861 wordt coach in het Engels ook gebruikt in de sportwereld in de betekenis ‘trainer’; ook de variant coacher komt voor.
Het Nederlands heeft in het begin van de twintigste eeuw beide vormen aan het Engels ontleend. Opvallend veel vroege vindplaatsen hebben betrekking op de roeisport. Blijkens De Maasbode van 22 april 1920 beschikte tijdens de Nationale Universiteitsroeiwedstrijd ‘Varsity’ zowel de Oude Vier als de Jonge Acht van de Delftsche Studenten Roei Vereeniging Laga over een eigen ‘coach’. En in het Nieuwsblad van het Noorden van 29 mei 1915 wordt verslag gedaan van een wedstrijd stijlroeien voor dames, waarbij een zekere heer I.M. van der Vlerk “als coacher der ploeg is opgetreden”.
De variant coacher is in onbruik geraakt, maar het nog steeds populaire werkwoord coachen moet in dezelfde tijd in omloop zijn geraakt. Zo bericht de Sumatra-Post van 26 september 1927 onder de kop “Debacle te Como” over een minder goede prestatie van Laga door een “in der haast samengestelde ploeg (…) gecoacht door een jongmensch die over zeer veel ambitie doch over onvoldoende ervaring beschikte.”
Het Engelse leenwoord coach en het Duitse leenwoord koets vormen aldus een etymologisch doublet waarvan de herkomst in Hongarije ligt. Terwijl in het Engels de functieaanduiding coach allereerst betrekking had op een Oxfordse studietutor, stond in het Nederlands aanvankelijk de sportieve betekenis voorop: ‘trainer, met name bij de roeisport’. Anno 2017 is de betekenis danig verbreed.
In de moderne Hongaarse omgangstaal is het oorspronkelijke woord kocsi trouwens nog steeds in omloop, in de betekenis ‘auto’.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2017), ‘Coach’, in: Onze Taal 6, 23]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

koets zn. ‘rijtuig’
Vnnl. coetse ‘rijtuig’ [1536; Van der Sijs 2001], cotsie [1567; WNT], met die Duytsche wagens of koutsen [1569; WNT], kotsie, koetsie, koets-waghen [1599; Kil.].
Ontleend aan Duits Kutsche, eerder Kotsche [1550-1600; Pfeifer], dat teruggaat op Hongaars kocsi [1493; Pfeifer], verkort uit kocsi szekér ‘wagen uit Kocs’. Kocs ligt tussen Wenen en Budapest, en was de plaats waar al in de 15e eeuw de paarden van de reiswagens uitgespannen werden en waar wrsch. ook koetsen vervaardigd werden. In het Duits treft men aanvankelijk leenvertalingen aan als Cotschien Wägnen en Gutschenwagen; later werden deze verkort tot Kotsche, Kutze, Gutsche, enz. (Pfeifer).
Uit het Hongaars ook Italiaans cocchio en via het Duits of Italiaans Frans coche; via Frans coche ook Engels coach, alle ‘koets, rijtuig’.
koetsier zn. ‘menner van een koets’. Nnl. ... koetsier, bestierende sijne vier peerden [1628; WNT]. Evenals koets ontleend aan het Duits en wel aan kutschier, gutschier [17e en 18e eeuw; Grimm], variant van Kutscher [16e eeuw; Pfeifer], afleiding van Kutsch. Ontlening aan Frans cocher [1560; TLF] ligt minder voor de hand. De familienaam Coetsier/Coutsier staat hier geheel los van en stamt uit mnl. cautsiër, cauchier ‘stratenmaker’, ontleend aan Picardisch cauchie ‘straatweg’ (Debrabandere 2003), zie → kassei.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koets1 [rijtuig] {1569} < hoogduits Kutsche < hongaars kocsi, verkort uit kocs i szekér, kocs [een dorp bij Györ in Hongarije, waar het keizerlijk wagenpark zich bevond] + i [van] + szekér [wagen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koets 1 znw. v., Kiliaen koetse, koetsie, koetswaghen < nhd. vgl. gutschenweglin (1562), gutsche (1579) < hong. kocsi ‘reiswagen’, genoemd naar de plaatsnaam Kocs. — Ook overgenomen in ital. cocchio, fra. coche, ne. coach.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koets znw., in de bet. “lectica” reeds bij Kil. Internationaal woord (nhd. kutsche v., fr. coche, eng. coach, po. kocz enz.), ± 1500 ontleend uit hong. kocsi, genoemd naar ’t dorp Kocs bij Raab. In het Ndl. is hiermee een ander woord samengevallen, een verkorting van Kil. koetswaghen “draagstoel, koets”, waarvan het eerste lid, Kil. koetse, mnl. coetse v. “bed, sopha” evenals mnd. kûtze, kûsse v. “id “ van fr. couche komt (van coucher; vgl. bij koest); dit koets bestaat nog, vooral in de verbinding naar de koets “naar bed”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

koets. Kil. koets-waghen zal eerder naar vroegnhd. gotschi wagen, gutschenwegelin (vertaling van hong. kocsi szekér ‘wagen uit Kocs’) zijn gevormd en het eerste lid is dus niet = mnl. coetse enz. < fr. couche: Kil. onderscheidt trouwens uitdrukkelijk koetse ‘bed, sofa’, en koetse, koetsie j. koets-waghen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koets 1 v. (rijtuig), gelijk Eng. coach en Hgd. kutsche, uit Fr. coche, dat uit Hong. koczi, naar het dorp Kócs bij Raab.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kojts, kouts (zn.) koets, kinderwagen; Nuinederlands coetse <1536>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

koesse 1 zn. v.: koets; slee. Door assimilatie ts > ss uit koetse. Leenwoord uit het D. Kutsche < Hongaars kocsi. Afl. koessen ‘sleetje rijden’.

koeste, koesje zn. v.: slee. Door metathesis uit koetse ‘koets’; zie koesse 1.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koets (Duits Kutsche)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

koets ‘rijtuig’ -> Madoerees dialect kūs, rata ēkkūs ‘rijtuig’; Singalees kōcci-ya ‘rijtuig’; Papiaments † koets ‘rijtuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koets rijtuig 1536 [Colloquia et Dictionariolum septem linguarum 23] <Duits

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2201. Men wordt eerder door een strontkar overreden dan door een koets,

d.w.z. van gewaande grooten kan men eene hondsche behandeling eerder verwachten dan van werkelijk aanzienlijken; dikwijls als minachtend antwoord aan een tegenstander. De zegswijze komt in de 18de eeuw voor bij Tuinman I, 254: Men is liever van een karos overreden dan van een drekwagen; W. Leevend I, 258: Men word nooit van een koets, maar altoos van een askar overreên; Halma, 487: Van eene vuilniskar overreeden worden, van een veragtelijk mensch smaad lijden; Sewel, 765: Van een strontkar overreden worden, to be injured by a low dirty fellow; Harreb. I, 382: Men wordt eerder door eene mestkar overreden dan door eene koets (of een degelijk rijtuig); Ppl. 141: Je werd toch maar nooit van 'n rijtuig overreëe, maar altijd van 'n strondkar; Kalv. II, 123: Je wordt altijd door de vulliswagen overreden; Molema, 215: men wordt eerder van 'n strontkoar overreden as van 'n koetswoagen; nd. me we'd ihder van en Drekkahr overfahre äls van 'ne Wagen (zie Taalgids, V, 153; Eckart, 85); Ndl. Wdb. XI, 1950: Men wordt nooit door degelijke wagens overreden. Vgl. het zuidndl. Ge wordt niet bekrozen als van 'ne(n) vuile(n) pot, men wordt maar belasterd door slechte menschen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal