Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

koeterwaals - (onverstaanbare taal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

koeterwaals zn. ‘onverstaanbare taal’
Vnnl. eerst het zn. koeterwaal ‘slecht verstaanbare vreemdeling’ in een kromtongh en een koeter-waal ‘een kromprater en een onverstaanbaar persoon’ [1610-19; WNT], dan het ww. koeterwalen ‘slecht verstaanbaar spreken, een vreemde taal spreken’ [1693; WNT]; nnl. koeterwaalsch ‘gebrekkige spraak’ [1812; Weiland], “gebroken Nederduitsch zoo als het door eenen Franschman dikwerf gesproken wordt” [1824; Weiland], ‘onverstaanbaar Hollands, slecht Hollands; dieventaal’ [1872; Van Dale], wartaal, brabbeltaal, koeterwaals [1902; Groene Amsterdammer].
Afleiding van koeterwaal en koeterwalen (zie boven) met bijvoeglijke → -s zoals die ook in andere taalnamen voorkomt. Mogelijk gevormd naar het voorbeeld van Duits Kauderwelsch [16e eeuw; Kluge], eerder al als toenaam Khawderwalsh [1379; Kluge], dat wrsch. ontstaan als aanduiding voor de taal van de Reto-Romanen in de landstreek Chur, in het Tirools Kauer. Het betekent dan letterlijk het Welsch ‘niet-Duits, Romaans’ dat gesproken wordt in Kauer, waarbij -d- dan het gevolg kan zijn van volksetymologische invloed van kaudern ‘geluiden maken als een kalkoen, onduidelijk praten’ (Toll.), een woord dat net als Nederlands koeteren misschien van klanknabootsende oorsprong is (Kluge). Welsch is hetzelfde woord als Nederlands Waals en Engels Welsh, en gaat terug op het woord waarmee de Germanen hun Keltische buurvolken benoemden, zie → walnoot. Het is echter ook mogelijk dat Kauderwelsch gevormd is uit kaudern ‘onduidelijk praten’ en Welsch of uit Kauderer ‘venter, leurder’ en Welsch (FvW, Pfeifer); in het laatste geval zou het iets betekenen als ‘taal van venters die slecht Duits spreken’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

koeterwaals [onverstaanbare taal] {koeterwaal 1617, koeterwaals 1866} < hoogduits Kauderwelsch; het eerste lid is Kauer, in de 11e eeuw in Tirol de naam voor de stad Chur, waar retisch werd gesproken, een taal die voor de Duitsers barbaars was, vgl. Luthers waarschuwing: Behüt unsere Nachkommen vor der Chauderwelschen oder Churwallen kahlen Glossen; voor het tweede lid vgl. Waal [iem. die romaans spreekt].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

koeterwaals

Een koeterwaal is iemand – en natuurlijk in de eerste plaats een Waal – die een vreemde taal radbraakt. Wij hebben het woord overgenomen uit het Duits, waar het Kauderwelsch luidt en waar het eigenlijk werd gebezigd voor: marskramer van Waalse afkomst.

Het Duitse kaudern wordt dialectisch gebruikt voor: sjacheren. Een Kauderwelsch is dus: een Waalse sjacheraar, maar de betekenis is verengd tot: taalradbraker. Vooral in vroeger tijd had men minachting voor mensen die een vreemde taal spraken of fouten maakten tegen de landstaal. Het Franse werkwoord bretonner betekende dan ook niet alleen: Bretons spreken, maar ook: onverstaanbaar praten, onzin uitkramen. Dezelfde betekenis heeft ook het Duitse polatschen, dat letterlijk slechts betekent: Pools spreken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

koeterwaal znw. m., vreemdeling, vooral Waal of Fransman < nhd. kauderwalch (oudste voorbeeld 1247 in Keulen: bijnaam kudirwale). De naam komt uit Zuidduitsland en gold aanvankelijk voor de Rhaetoromanen in het Rijndal van Chur, dat bij de Tirolers Kauer heette. Hun moeilijk verstaanbare taal gaf aanleiding tot de opvatting van een brabbeltaal.

Misschien heeft bij de verandering van kaurerwelsch > kauderwelsch ook de invloed van nhd. kaudern ingewerkt; dit woord betekent zowel ‘onduidelijk praten’ als ‘tussenhandel drijven’. Voor de 1ste bet. zie: koeteren, voor de tweede mnd. kūten, mhd. kiuten ‘ruilen, wisselen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

koeteren ww., nog niet bij Kil. Vgl. 1. nhd. kaudern, zwa. kûdern, gebruikt voor ’t geluid van den kalkoen, ook = “onduidelijk praten” (zie kuieren), in de 15. eeuw al kaudernetsch v. “babbelachtig meisje” — en 2. mhd. kiuten (ook mnd. kûten?) “leuteren”, mnl. cûten “brommen, schimpen”, noorw. kyte “bluffen”. Zoowel de d- als t-vormen kunnen van de idg. basis gu-, geu- komen, waarvan ook gr. boáō “ik roep, schreeuw”, of van gu-, geu- evenals gr. góos “jammerklacht, zucht”. Eveneens van beide kunnen gevormd zijn ier. guth “stem, woord” (of ĝh-?), obg. govorŭ “lawaai”, lit. gauju “ík huil”, oi. jóguve “ik verkondig”. Uit het Germ. vgl. ags. cîegan “roepen”, zw. dial. kaum o. “gejammer, geklaag”, mnl. cûmen (nog dial.), os. kûmian, ohd. chûmen “jammeren”, ohd. chûma v. “klacht”. Ndl koeteren kan ook onder invloed van koeterwaal znw., koeterwaalsch bnw. zijn opgekomen; vgl. hd. kauderwelsch, in 1379 reeds Khawderwalch als eigennaam. Dit is òf een vervorming van Churwelsch òf ’t eerste lid is de stam van ’t bovengenoemde kaudern òf van hd. kaudern “tusschenhandel drijven”; vgl. daarmee mhd. kiuten, mnd. kûten “ruilen, wisselen”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

koeterwaalsch o., uit Hgd. kauderwelsch, d.i. kramerswaalsch, evenals rotwelsch = bedelaarswaalsch. Van hier koeteren = kromtongen (z. kuitebuiten).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

koeterwaals s.nw.
Onverstaanbare brabbeltaal.
Uit Ndl. koeterwaals (1866), wat verwys na die taal van die koeterwale (Wale, Franse of ander vreemdelinge) wat vir die Nederlander vreemd op die oor val en na gebroke Ndl. klink.
D. Kauderwelsch.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

koeterwaals (Duits Kauderwelsch)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

koeterwaals (1617 [koeterwaal], uit het Duits) onverstaanbare taal; gebrekkig Nederlands; dieventaal

Kort voor het begin van onze jaartelling werd een groot deel van Europa door Keltische stammen bewoond. In het zuiden van Gallië — nu Frankrijk — leefden onder meer de Volcae. Het verhaal ging dat zij in hun hoofdstad Tolosa (Toulouse) een grote goudschat bezaten, maar verder is over hen weinig bekend. Bij de verovering van Gallië door Caesar behoorden de Volcae tot de eersten die werden onderworpen. Daarmee was de expansie van het Romeinse rijk nog lang niet ten einde, en de Keltische volkeren raakten in de verdrukking tussen de uit het zuiden opdringende veroveraars en de Germanen in het noorden. Vele Kelten gingen op in de Romeinse cultuur.
Blijkbaar golden de Volcae als een toonbeeld van deze assimilatie, want in de loop van de middeleeuwen kreeg hun naam in de Germaanse talen allengs de betekenis ‘geromaniseerde zuiderling’, later ook meer specifiek ‘Italiaan’ of ‘Fransman’. Terwijl deze betekenisontwikkeling zich voltrok, veranderde het woord Volca — zo veronderstellen de etymologen — via een middeleeuwse vorm als Walch tot het modern Duitse Welsch. In het Nederlands werd dat Waals, waarmee wij tegenwoordig enkel nog de Franstalige cultuur in België aanduiden. Vroeger was een Waal een Franstalige in het algemeen. Je had Duitsers (waartoe de Nederlanders in de 17de eeuw ook zichzelf rekenden), en je had Walen. Iemand van wie werd gezegd dat hij Duitsen en Walen schuldig was, stond bij Jan en alleman in het krijt.
De Walen spreken een Romaanse, vanuit het Nederlands gezien bij uitstek ‘vreemde’, taal. Koeterwaals is nog een graadje erger. Voor een verklaring van dat ‘koeter’ moeten we terugkeren naar de Romeinse tijd. Nadat heel Gallië door de Romeinen was onderworpen, kwam het strategisch belangrijke Alpengebied aan de beurt. Daar, zo’n beetje op de grens van het tegenwoordige Oostenrijk en Zwitserland, woonden de Raetiërs. Zij verweerden zich fel, maar moesten in het jaar 15 v.Chr. ten slotte het hoofd buigen voor de Romeinse overmacht. In hun gebied stichtten de Romeinen aan de bovenloop van de Rijn de plaats Curia Raetorum, het ‘bestuurscentrum van de Raetiërs’. Van die naam resteert na tweeduizend jaar alleen het eerste gedeelte, dat tegenwoordig geschreven wordt als Chur. Dat is de hoofdstad van het Zwitserse kanton Graubünden. De herinnering aan de Raetiërs is bewaard gebleven in de naam van een taal die gesproken wordt in een klein gebied ten zuiden van Chur: het Raetisch of Retoromaans.
Men veronderstelt nu dat in de middeleeuwen deze Romaanse streektaal bij zijn Duitse noorderburen gold als het toppunt van onbegrijpelijk uitheems gebrabbel, erger nog dan de overige Romaanse, welsche talen. Nu werd in Zuidduitse dialecten Chur uitgesproken als kauer. Welsch uit Kauer was dus Kaurerwelsch. Onder invloed van kaudern, dat ‘onduidelijk spreken’ betekent, zou hieruit de tegenwoordige Duitse vorm Kauderwelsch zijn ontstaan. Het Nederlandse koeterwaals gaat terug op het Duitse Kauderwelsch.
Voor het woorddeel kauder zijn ook andere verklaringen voorgesteld, waarin Chur geen rol speelt. Toch zou het aardig zijn als de verklaring met Chur juist was. Dan zou koeterwaals namelijk een zeldzaam voorbeeld zijn van een dubbelgeoniem, een samengesteld woord waarvan beide delen teruggaan op een geografisch begrip.

Duits Kauderwelsch (1247 Kudirwale).

Vergelijk walnoot

Lübker & Erler Reallex. des klassischen Altertums (18917) 1029 (Raetia); Ency. Brit.11 28 (1911) 178 (Volcae); Franck & Wijk Etym. wdb. (19122) 330; WNT VII2 (1941) 5001-5003; L. Weisberger, ‘Walhisk’, in: Rheinische Vierteljahrsblätter 13 (1948) 87-146; Vries Ned. etym. wdb. (1971) 343; Ency. Brit.15 7 (1979) 960 (Gaul); WNT XXIV (1989) 85-92 (waal), 95-101 (waalsch); Veen Etym. wdb. (1989) 409, 808 (Waal); Kluge Etym. Wtb. d. deutschen Spr. (198922) 363, 786 (welsch); Pfeifer Etym. Wtb. d. Deutschen (19932) 638-639, 1554-1555 (welsch); H. te Winkel, ‘Rare jongens, die Galliërs!’, in: Onze Taal 62 (1993) 176-177; N. v.d. Sijs Leenwdb. (1995).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

koeterwaals onverstaanbare taal 1617 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal