Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knol - (vlezige wortel; slecht paard)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

knol zn. ‘vlezige wortel; slecht paard’
Vnnl. knolle ‘eetbare verdikte wortel van het raapzaad’ [1515; Murmellius rapa], knol, oft knolrape ‘id.’ [1573; Thes.], knol ‘slecht paard’ [1672; Hexham NE]; nnl. knol ‘verdikte wortel van een plant in het algemeen’ [1790; WNT].
De oudste betekenis in het Nederlands is ‘knolraap’, dat is de bolvormige wortel van het raapzaad (Brassica rapa). Deze betekenis is het resultaat van een betekenisvernauwing die in het Nederlands heeft plaatsgevonden. De verwante woorden in de andere Germaanse talen wijzen op een oorspr. betekenis ‘verdikt uitsteeksel’. Voor het tweede lid in de samenstelling knolraap zie → raap.
Ohd. knollo (glosse) ‘rots’ (mhd. knolle ‘aardkluit’, nhd. Knolle ‘knol’); nfri. knol; oe. cnoll ‘bergtop, kleine heuvel’ (ne. knoll); on. knollr ‘bergtop’ (nde. knold ‘heuveltje’); < pgm. *knulla-. Onduidelijk is de relatie met pgm. *hnulla-, waaruit: mnl. nolle ‘zandheuvel’ [1357; MNW] (nnl. vero. nol); ohd. nollo ‘heuvel’, hnol ‘ronde verhoging; kruin’; oe. hnoll ‘kruin’ (ne. gewest. noll). Misschien gaat het woord door assimilatie -dl- > -ll- terug op een afleiding van pgm. *knud-, *knuþ-, zie → knot.
Knol ‘slecht paard’ is een betekenisvernauwing van knol ‘iets van weinig waarde’ [1710; Halma NF], dat zelf een overdrachtelijke betekenis is bij ‘knolraap’. Knolrapen waren weinig waard. De betekenis ‘iets van weinig waarde’ is bewaard gebleven in de uitdrukking ‘iemand knollen voor citroenen verkopen’, die aanvankelijk luidde ‘iemand knollen verkopen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knol* [vlezige wortel] {cnol [heuveltje] 1570-1594} verkleiningsvorm van middelnederlands cnodde, cnode [knot, knobbel, knoop] (vgl. knot1, knoedel), middelhoogduits knolle [kluit, klomp], oudengels cnoll, oudnoors knollr [heuveltop].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knol znw. m., Kiliaen knotte (Ger. Sax.) ‘bol’ en knolle (Fris. Sicamb. Holl.) ‘raap’, mnl. cnol m. ‘heuveltje’, mhd. knolle m. ‘aardkluit, klomp, lomperd’ (nhd. knollen), oe. cnoll ‘heuveltop’ (ne. knoll), on. knollr ‘bergtop’. — Germ. *knuðla en dus afgeleid van knuða zie: knot of van *knuzla en zie dan: knoesel. — > fra. quenotte ‘oude naam voor raap’ (Valkhoff 206). — Zie ook: knul.

Evenals bij knook vinden wij naast germ. kn ook hn vgl. oe. hnoll ‘schedel’, mnl. nolle, nol ‘kruin, duin, heuvel’, ohd. hnol, mhd. nol ‘kruin’ en verder ohd. hnel, mhd. nel ‘kruin, punt, top’. — Vgl. ook J. de Vries IF 62, 1956, 136-150). — Juist het parallelisme van germ. knoll en hnoll doet H. Kuhn Westf. Forsch. 12, 1959, 39 denken aan een onverschoven vorm met k, die zou zijn overgenomen uit een voorgerm. substraattaal in het Westgermaans, nadat de verschuiving van k > ch reeds had plaats gehad; zie ook woorden als kol, kom, krib en kring.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knol znw. Kil. “knolle. Ger. Sax. Glomus, globus” en “knolle. Fris. Sicamb. Holl. j. rape. Rapa”, mnl. (gron.) cnol m. “heuveltje”. = mhd. knolle m. “aardkluit, klomp, lomperd” (nhd. knollen), ags. cnoll m. “heuveltop” (eng. knoll), on. knollr m. “id.”, de. knold “id., knoest, lummel”. Of uit *knuð-la(n)- en na met ohd. chnodo, chnoto (zie bij knop) verwant, òf uit *knuz-la(n)- en na met kneuzen en knuist verwant. Ndl. knul, nog niet bij Kil., is’t zelfde woord als knol. [Met anlaut χn- nol, dat echter van een e-basis komt.]

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knol. De grote verbreiding van kneulle, knulle, knille ‘jonge kerel’ in het Bargoens tot Halle toe (Moormann TTL. 16, 39) behoeft geen reden te zijn tot twijfel aan de identiteit van knul en knol.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knol m., + Ndd. knolle, Hgd. knollen, Eng. knoll, Zw. knöl, De. knold: met ll uit dl en dan bij knot of uit zl en dan bij knuist.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

knol, zn.: uitschot van gezwingeld vlas. Overdr. vanwege de pejoratieve connotatie van een knol.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

knol 'heuveltje respectievelijk uitpunt van een dijk'
Mnl. cnol 'hoogte, heuveltje, kleine ronding of verheffing van de grond', vergelijk oe. cnoll 'heuveltop', ono. knollr 'bergtop'. Een variant is nol < *hnol-, mnl. nol 'zandheuvel, duin, ook uitpunt van een dijk'. In poldergebieden is het een term voor hoofden aangelegd om afslag van de oever tegen te gaan, maar ook voor een in zee uitstekende dijkpunt, bijvoorbeeld een overblijfsel van een gedeeltelijk weggevallen dijk. Zie ook → Oost-Knollendam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knol ‘vlezige wortel; iets in de vorm van een knol; groot horloge’ -> Schots † knoll ‘(van voedsel) groot stuk, brok’; Frans † quenolle ‘raap, knol’; Indonesisch knol ‘vlezige wortel’; Javaans kenol ‘verdikt stengel- of worteldeel; (deur)knop’; Madoerees kēnnol ‘groot horloge dat van weinig waarde is’; Papiaments kònòlchi ‘radijs, eetbare wortel van de Raphanus sp.’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knol* vlezige wortel 1515 [Claes Tw. 12]

knol* (slecht) paard 1710 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1200. Iemand knollen voor citroenen verkoopen,

d.w.z. iemand iets van geringe waarde als iets kostbaars in de hand stoppen; hem met ijdele praatjes bedotten, foppen, misleiden; synonieme uitdrukkingen zijn of waren: iemand appelen of eieren voor citroenen, paardekeutels voor vijgen, kladbeeken voor diamanten, britten (of kluiten) voor turven verkoopen (of tellen); zie Campen, 82; Sart. III, 9, 5; Tuinman I, 132 en vgl. verder Gew. Weeuw. III, 26; W. Leevend IV, 237; C. Wildsch. IV, 38; Spaan, 172: Ei lieve! laten we malkander geen knollen voor citroenen, paardekeutelen voor vygen, of pekelharingen voor posten verkoopen; V. Janus III, 200; het Ndl. Wdb. II, 551; III, 2048; M. de Br. 29; Nkr. V, 19 Febr. p. 6; 10 Juni p. 4; Antw. Idiot. 162-163; Joos, 71; Taalgids IV, 286; Afrik. iemand knolle vir sitroene verkoop; fri. immen stront for saffraen forkeapje; in het hd. einem ein X für ein U machen; iem. Mausedreck für Pfeffer verkaufen; fr. faire accroire à qqn que les vessies sont des lanternes; eng. to make one believe that the moon is made of green cheese.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gen- als Basis für Erweiterungen der Bedeutung ‘zusammendrücken, kneifen, zusammenknicken; Zusammengedrücktes, Geballtes’, (Persson Beitr. 88 f.); davon sind gnegh-, gneig-, gner-, gnes-, gneus- nur germ.

1. gn-ebh-:
Gr. vielleicht γνάμπτω ‘biege’ (formell wie in der Bed. aber durch κάμπτω beeinflußt);
anord. knafa ‘Päderastie treiben’, vgl. comprimere feminam; mit pp: holl. knap ‘eng anschließend (*drückend, einzwängend), knapp, schnell’, ndd. knap ‘kurz, sparsam, gering’ (daraus nhd. knapp), norw. knapp ‘enge, kurz, knapp’, mit bb: knabbe ‘mausen, wegraffen’; ferner mit den Bed. ‘die Kiefer zusammenklappen’ und ‘mit den Fingern knipsen’ und daraus fließenden Lautvorstellungen schwed. knäppa ‘knipsen, klimpern’, holl. knappen ‘bersten, knarren’, ndd. knappern, knuppern ‘knabbern’, nhd. knabbern ‘beißen, nagen’; endlich als ‘Zusammengedrücktes, Geballtes, Kugeliges’ u. dgl. anord. knappr ‘Knopf, Knorren, Knauf’, ags. cnæpp ‘Berggipfel (knollig); Brosche’ (aus ‘Knopf’), ndd. knap(p) ‘Berggipfel, Anhöhe, Stiefelabsatz’, knappen ‘abstutzen, kürzen; knapp leben’; aus dem Slav. vielleicht hierher poln. gnębić, alt gnąbić (mit sekundärem Nasalvokal infolge des vorhergehenden n) ‘drücken, bedrücken, mißhandeln, reizen’; vgl. auch genebh-, S. 378 f.
2. gnegh-:
Schwed. knagg ‘Knoten, Knorren’, mengl. mnd. knagge ‘Knorren, dickes Stück’; mit germ. kk: anord. knakkr ‘Fuß (an Tischen, Stühlen), Schemel (Fußblock)’. Hierher auch ahd. kneht, nhd. Knecht, ags. cniht ‘Knabe, Jüngling, Diener, Krieger’ (*kneh-ta-, vgl. zur Bed. Knabe, Knebel u. dgl., zum t-Suffix nhd. bair. knüchtel ‘Knüttel, Prügel’).
3. gn-eibh-:
Gr. γνίφων ‘Knicker, Geizhals’ (wenn nicht wegen des älter belegten Κνίφων, Meisterhans-Schwyzer 74, mit sekundärer Anlauterweichung, so daß mit anord. hnippa ‘stoßen’ zur Parallelwz. *ken-, kn-eib(h)-);
anord. kneif ‘Art Kneifzange’, knīfr, ags. cnīf ‘Messer’, nhd. dial. kneif ‘Messer’; daneben mit germ. pp, p: mnd. knīp, nhd. dial. kneipf ‘Messer’, norw. mdartl. knīpa, mnd. knīpen (daraus nhd. kneifen übertragen) ‘kneifen’ (z. T. auch ‘karg, sparsam sein; knapp werden; stibitzen; fortlaufen’; s. ähnliches unter gnebh-), nd. knippen ‘schneiden’, nhd. knippsen, nd. knipperig ‘karg, sparsam’, nhd. Kniff (auch = diebischer Kunstgriff u. dgl.), mnd. knippen ‘mit den Augen zwinkern’;
lit. gnýbiu, gnýbti, Iterat. gnáibau, gnáibyti ‘(mit den Fingern oder einer Zange) kneifen’, daneben šnýbiu, žnýbti ds., Trautmann 93.
4. gneig-:
Anord. kneikia ‘drücken, klemmen’, norw. dial. kneikja ‘rückwärts biegen’; mnd. nd. nhd. knicken, wozu Knicks ‘Kniebeuge, Verbeugung’.
5. gner-:
Norw. knart, knort ‘Knorren, Knoten, unreifes Obst’, mengl. knarre ‘Auswuchs, Knorren’, mhd. knorre ‘Knorren’ u. dgl.; daneben ahd. kniurig ‘knorrig’, mhd. knūr(e) ‘Knoten, Knorren, Klippe, Berggipfel’ mit Ablautneubildung.
6. gnes-:
Norw. knast m. ‘Knorren’ = nd. hd. Knast; mnd. knōster ‘Knorpel’, holl. knoest ‘Knorren’, mndl. knoes ‘Knorpel’, knoesele ‘Knöchel’; norw. mdartl. knös (*knōsia-) ‘großmächtiger Kerl’, schwed. knase ‘tüchtiger, reicher, halsstarriger Mensch’.
7. gnet-:
Ahd. knetan, ags. cnedan st. V. ‘kneten’, tiefstufig anord. knoða, -aða ‘kneten’; mit germ. tt anord. knǫttr (*knattu-z) ‘Kugel, Ball’, knatti ‘Bergkuppe’, norw. knott m. ‘kurzer und dicker Кörper, Knorren’, schwed. dial. knatte ‘kleiner Busch’; aksl. gnetǫ, gnesti ‘drücken’, apr. gnode f. ‘Trog zum Brotkneten’ (*gnōtā), Trautmann 93.
8. gn-eu-:
Anord. knȳja ‘drücken, schlagen’, ags. cnū(w)ian ‘im Mörser zerstoßen’ (ags. cnéowian ‘coire’, wie schwed. knulla ds. gegenüber mhd. knüllen ‘stoßen, schlagen’); anord. knūi ‘Fingerknöchel’; aschwed. knūla, knyla ‘Knorren an Bäumen, Fußknöchel’;
serb. gnjáviti ‘drücken’, sloven. gnjáviti ‘drücken, knüllen, würgen’.
9. gn-eu-bh-:
Ir. gnobh ‘Knoten am Holz, Knast’ (*gnubho-);
anord. knȳfill m. ‘kurzes, eben herausgekommenes Horn’, ostfries. knūfe ‘Klotz, Klumpen, Knorren’; anord. kneyfa ‘drücken’; norw. knuva ‘pressen, drücken’, ostfries. knūfen, ndd. knuffen ‘stoßen, puffen’; mit *ŭ: mnd. knovel ‘Knoten, Knöchel’; mhd. knübel ‘Knöchel’; mit germ. p(p) (Kons.-Schärfung): norw. dial. knupp m. ‘Knospe’, mnd. knuppe, knoppe ‘Knospe’, knuppel = mhd. knüpfel ‘Knüppel’ (dies ndd.), ahd. knopf ‘Knoten, Knorren, Knopf’, schweiz. chnopf ‘Knoten, Knopf, Knospe, kleines Kind’ (dazu knüpfen; eine Ableitung ist Knospe, dawohl aus *knup-sōn-), und o-stufig mnd. knōp m. ‘Knoten, Knopf, Knauf’, mhd. knouf, nhd. Knauf; mit germ. bb: norw. knubb m. ‘Klotz’, mnd. knobbe ‘Knorren’, mengl. knobbe (engl. knob) ‘Knospe, Knopf, Knorren, Knoten’, norw. knubba ‘stoßen, puffen, drücken’;
lit. gniáubti ‘umfassen, umarmen’ (*gnēubh-), gniùbti ‘Festigkeit verlieren, sich senken’; ob aus gniáužti (unten 10.) durch Einfluß von gnýbti (oben 3.)?
10. gn-eu-g̑-:
Anord. knjūkr ‘rundlicher Berggipfel’, norw. mdartl. knjuka, knoka ‘Knöchel’, anord. knykill ‘kleiner Knoten’; mnd. knoke m. ‘Knochen’, mhd. knoche ‘Knochen, Knorren, Bündel’, ags. cnycel (?), mnd. knokel, mhd. knüchel, nhd. Knöchel; aber anord. knoka ‘schlagen, klopfen’, norw. mdartl. knoka ‘pressen, drücken’, ags. cnocian, cnucian ‘an eine Tür klopfen, im Mörser stoßen’, mhd. knochen ‘drücken’ stehen im Ablaut zu aschwed. knaka ‘krachen’ und weisen auf eine Schallwurzel g̑neg- (Wissmann 79), worüber auch Kluge11 s. v. knacken;
mit germ. -kk-: mnd. knocke, mengl. knucche, engl. knitch ‘Bündel’, mhd. knock ‘Nacken’.
lit. gniáuž-iu, -ti ‘die Hand fest schließen’, gniū̃žis, gniū́žtė, gniáužta ‘Bündel, Handvoll’, gniùžti ‘sich biegen, sich senken, Festigkeit verlieren’ (‘*zusammenklappen’), lett. gnaûzt ‘mitder Hand fassen, drücken’ (lett. žńaugt ‘würgen’ aus *gńauž-?); vgl. (oben 9.) lit. gniáubti.
11. gn-eu-s-:
Anord. knosa, -aða ‘mit Schlägen mißhandeln’, norw. knysia ‘zermalmen’, ahd. knussen ‘schlagen, zerdrücken’, ags. cnyssan ‘zerstoßen, zermalmen’; mit ū aschwed. knusa = ndd. knūsen ‘drücken, quetschen’, anord. knūska ‘schlagen’, nhd. schweiz. chnūssen, chnūschten ‘prügeln’; anord. knylla ‘schlagen, stoßen’ (*knuzljan, s. auch oben unter gneut- über Knollen) = ags. cnyllan ‘schlagen’, nd. knüllen (knullen aus *knuz-lōn) ‘zusammendrücken, zerknüffeln’, mhd. knüllen ‘schlagen, stoßen, knuffen’; anord. knauss m. ‘rundlicher Bergzipfel’; mit ū mnd. knūst m. ‘Knorren’, schweiz. chnūs ‘Knorren, Klumpen’; mit norw. knust, knysta ‘verdrehter Klotz, Knorren’, schwed mdartl. knose ‘Auswuchs’ (übertragen bair. knös ‘Bursch’, schweiz. chnösi ‘dicker Mann’, nrhein. knösel ‘Männlein, verkrüppeltes Wesen, unreifes Obst’).
12. gn-eu-t-:
Ahd. knŏdo (*knŭþan-) ‘Knopf, Knöchel, Knospe’, mhd. knödel ‘Fruchtknoten, Knödel’, ahd. knoto (*knuðán-), nhd. Knoten, wovon ahd. knutil, nhd. Knüttel ‘dicker Stock’ (eigentlich ‘Knotenstock’); ags. cnotta m., mnd. knutte ‘Knollen, Flachsknospe’, mhd. knotze ‘Knorren’, mnd. knulten ‘stricken, knüpfen’ = ags. cnyttan, engl. knit ds. und mit der ursprgl. Bed. ‘zusammendrücken’ bair. knauzen ‘zusammendrücken’, nd. knutschen, mhd. knützen ‘quetschen, knuffen’; anord. knūtr (*knūdn-) ‘Knoten, Knorren’, knūta ‘Knochenkopf’, knȳta ‘knoten, knüpfen’; mhd. knūz ‘(*knorrig :) hochfahrend gegen Arme, verwegen, keck’; mhd. knolle ‘Erdscholle, Klumpen’, ags. cnoll m. ‘Bergspitze, Gipfel’ (wenn aus *knuð-lá- oder *knuz-lá zur Wzf.*g(e)n-eu-s-);
lit. gniutù, gniùsti ‘drücken’, gniutúoti ds., gniùtelė ‘Stange zum Andrücken des Strohs beim Dachdecken’, gniùtulas ‘Ballen, Papier, Klumpen’, gnùtulas ‘Klumpen, faustgroßer Klumpen’

WP. I 580 ff., Wissmann Nom. postverb. 83, 132.Vgl. auch unter ken-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal