Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knoflook - (kruiderij)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

look 1 zn. ‘plantengeslacht uit de lookfamilie (Allium)’
Onl. lōk als eerste lid in de toenaam van Eremboudus Locashovad, letterlijk ‘lookbol’ [1128; Debrabandere 2003] en als toenaam van Balduinus Loc [1166; GN]; mnl. loc ‘knoflook’ [1226-50; CG II], loeck [1285; CG I], looc [1351; MNW-P]; vnnl. ook algemener ‘geslacht waartoe de knoflook behoort’ in dese wilde soorten van Loock [1554; Dodonaeus].
Os. lōk (mnd. lōk); ohd. louh (nhd. Lauch ‘prei’); nfri. lak, naast lok uit het nnl.; oe. lēac ‘prei’ (ne. leek ‘prei’), garlēac ‘knoflook’ (ne. garlic, zie → geer 1); Oernoords (runen) laukaR, on. laukr (nzw. lök); < pgm. *lauka-. Aan het Germaans ontleend zijn Fins -laukka ‘look’ (kynsilaukka ‘knoflook’, letterlijk ‘nagellook’) en Oudkerkslavisch lukŭ (Russisch luk ‘ui’; via een Slavische taal ook Litouws lukaĩ).
Verdere herkomst onzeker. Buiten het Germaans geen verwanten. Pgm. *lauka- zou een voor-Indo-Europees substraatwoord kunnen zijn. De belangrijkste looksoorten, te weten knoflook, ui en prei, zijn in Noordwest-Europa echter niet inheems en zijn daar pas in de Romeinse tijd ingevoerd. Het woord zou ook eerst een ander gewas kunnen hebben aangeduid. Misschien is het verwant met → lok < pgm. *lukka-, waarbij men dan zou moeten uitgaan van een betekenis ‘samengevouwen bol’.
In het BN is look zeer gebruikelijk, vooral voor ‘knoflook’.
bieslook zn. ‘soort look (Allium schoenoprasum)’. Samenstelling van look met → bies 1, vanwege de smalle vorm van de bladeren. ♦ knoflook zn. ‘soort look (Allium sativum)’. Mnl. cloffloc [1240; Bern.]; vnnl. knoeflooc, knoplooc [1573; Thes.], knof-loock [1615; WNT]. Samenstelling van look met een eerste lid mnl. clof ‘kloof, spleet’, vanwege de in tenen gespleten vorm van de wortelknop. Clof is een ablautend zn. bij de wortel van → klieven. Door dissimilatie en volksetymologie ontstonden varianten met knoop-, knop-, knoef-, knof-. In het Nieuwnederlands werd knoflook de algemene vorm.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knoflook* [kruiderij] {cloffloc 1201-1250, knuuflooch 1420, knofloick 1477} de huidige vorm door dissimilatie, van middelnederlands clof [kloof, spleet], van klieven + look1, oudsaksisch, middelnederduits kluflōk, oudhoogduits klovolouh, oudengels clufu; buiten het germ. grieks skorodon, albaans hurde [knoflook]; genoemd naar de vorm, de splijting in teentjes.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

knoflook

De naam van dit in Nederland niet zeer populaire bolgewas dat n.b. tot de lelie-achtigen behoort, toont een taalverschijnsel dat men ook in enige andere Nederlandse woorden aantreft: de overgang in het begin van een woord van kl tot kn. Zo is naast het woord knuppel de geslachtsnaam Kluppel blijven bestaan; zo heeft het Duits het woord Knäuel naast het Nederlandse kluwen. In het Middelnederlands heette de plant dan ook kloflook en die vorm brengt ons op het spoor van de oorsprong. Het woord klof hangt, evenals kloof en kluif, samen met het werkwoord klieven: splijten. Knoflook betekent dus eigenlijk gespleten look.

De etymologie van het woord look is onzeker. Men brengt het wel in verband met het Griekse woord lugos dat: buigzame tak betekent en waarmee ons woord lok: haarkrul verwant is. Eigenlijk zou look dan zijn: de nog niet ontplooide plant.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knoflook znw. o. m. gedissimileerd uit mnl. cloflooc, cluflooc o., os. klūflōk, mnd. klof-,

klūflōk, ohd. chlobi-, chlovolouh (nhd. knoblauch). Het woord bestaat uit klof en look. Voor klof zie oe. clufu, ne. clove ‘knoflookbol’. — De naam werd aan de plant gegeven, omdat de wortelknop in tenen gespleten is; vgl. gr. skórdon ‘knoflook’ van *skerd ‘splijten’. — Zie verder: klieven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knoflook znw. o. Met dissimilatie (vgl. hd. knäuel bij kluwen, en knuppel) uit mnl. cloflooc, cluflooc o. = ohd. chlovalouh m. (nhd. knoblauch), os. kluflôk m. Het tweede lid is look, het eerste = ags. clufu v. (eng. clove) “knoflookbolletje” (vgl. mhd. 12. eeuw cluft v., ndd. 1582 klöve v. “id.”), dat evenals kloof van den zwakken stam van klieven komt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knoflook o., Mnl. cloflooc + Ohd. klovalouh (Mhd. klobelauch, Nhd. knoblauch), On. kluflók: het eerste lid heeft dissimil. ondergaan en is gevormd van den zw. graad van klieven met de bet. klont.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

knoffel: – (ouer) knoflok – , uieagtige knol v. plant (spp. Allium, ook wildeknoffel, Tulbaghia alliaceae, albei fam. Liliaceae); Ndl. knoflook/knoeflook (deur diss. uit Mnl. cloflooc/cluflooc), Hd. knoblauch, eerste lid verw. aan Eng. clove en hou verb. met ww. klief/kloof (in huisies), tweede lid verw. aan Eng. leek, waarvan herk. hoërop onseker is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knoflook ‘kruiderij’ -> Papiaments konofló, konoflok (ouder: knoflo, knofló) ‘Allium sativum’; Sranantongo kunofroku, knofroku ‘kruiderij’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knoflook* kruiderij 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gleubh- ‘schneiden, klieben, schnitzen, abschälen’

Gr. γλύφω ‘schnitze aus, meißle aus, graviere’, γλυφίς, -ίδος f. ‘Kerbe’;
lat. glūbō, -ĕre ‘abschälen, bes. ein Tier abdecken’, glūma ‘Hülse, Schale, Balg des Getreides’(Formans -smā; glūbō mit ū = eu, wie nhd. klieben);
ahd. klioban, ags. cleōfan, anord. kljūfa ‘spalten’, anord. klauf f. ‘Kluft, der gespaltene Huf’, schwundstuf. anord. klofna, -aða ‘sich spalten’, klyfia klufða ‘spalten’, klof n. ‘Kluft, Spalt’, klofi m. ‘Türkloben, Klemme’, = as. kloƀo m. ‘gespaltener Stock, Kloben zum Vogelfang’ = ahd. klobo ‘gespaltener Stock zum Einklemmen oder Fangen, Kloben’, ags. clofe f. ‘Schnalle’, clufu f. ‘Zwiebel’, ahd. klobo-louh, nhd. mit Dissimilation Knoblauch, ahd. kluppa f. ‘Zange, gespaltenes Holz zum Klemmen’, nhd. Kluppe (*klubjōn-), anord. klyf f. ‘der zweigeteilte Packsattel’, ahd. kluft, nhd. Kluft; nach Wissmann (Nom. postverb. 129 f.) mit expressiv gedehnter Tiefstufe ū: ahd. klūbōn ‘zerpflücken’, nhd. klauben (dazu wohl mit germ. intensiver Konsonantenschärfung anord. klȳpa ‘klemmen, kneifen’);
apr. gleuptene ‘Streichbrett am Pfluge, das die aufgerissene Erde umwendet’; aber lit.glaudýti ‘aushülsen’ hat wohl das -d von gvaldýti ‘aushülsen, entkernen’ bezogen, genau so, wie gvalbýti ds. sein -b- von *glaubýti bezogen hat.

WP. I 661, WH. 1 610 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal