Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knijpen - (klemmen, samendrukken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

knijpen ww. ‘klemmen, samendrukken’
Vnnl. in de samenstelling knijphaeck ‘haak die in iets knijpt’ [ca. 1527; MNW cnijphake]; vnnl. knijpen ‘klemmen, samendrukken’ [1599; Kil.].
Mnd. knipen (waaruit door ontlening nhd. kneipen, kneifen, nzw. knipa); nfri. knipe; alle ‘knijpen, klemmen’, < pgm. *knīpan-. Daarnaast met simplificatie kn- > gn- de variant ohd. gniffen ‘jeuken’; en met assimilatie kn- > n- (of met onverschoven pgm. *hn- > West-Germaans *n-): mnl. nipen ‘knijpen’; nnd. nippen ‘id.’; me. nippen ‘id.’ (ne. nip). Een andere nevenvorm is on. hneppa ‘id.’.
Verwant met Litouws gnýbti ‘knijpen’, met de nevenvorm žnýbti; < pie. *gneibh- (IEW 370-371).
Het gewone Middelnederlandse woord voor ‘knijpen’ was → nijpen, met daarnaast nog het jongere → nippen met expressieve geminatie. In de concrete betekenis werd het vervangen door knijpen, dat moet teruggaan op oostelijke dialecten of het Nederduits. Beide werkwoorden zijn sterk; zie ook de afleiding → benepen.
kneep zn. ‘handeling van het knijpen; handigheid’. Vnnl. kneep ‘handeling van het knijpen’ [1623; WNT], ‘handigheidje, het fijne van een zaak’ in groote personaadjen (...) die zich, met al hunn' verheventheit, van de knepen des onbescheits ... niet konnen bevryen ‘hooggeplaatste personen die zich met al hun verhevenheid niet kunnen ontworstelen aan de streken van de domheid’ [1644; WNT]. Daarnaast vnnl. neep, eerder al mnl. nepe ‘kneepje, handigheid’ [ca. 1410; MNW], ‘kneep, handeling van het knijpen’ [ca. 1450; MNW], bij het werkwoord nijpen. Deze woorden horen ablautend bij de wortel van (k)nijpen, zoals greep bij grijpen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knijpen* [druk uitoefenen] {1599} naast nijpen (vgl. knagen naast hoogduits nagen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

knijpen ww., sedert Kiliaen knijpen (Holl.), mnd. knīpen (> nhd. kneipen), nhd. kneifen (sedert de 16de eeuw), nnoorw. dial. knīpa ‘knijpen’. — lit. gnýbiu, gnýbti naast žnýbiu, žnýbti ‘knijpen’. — Aangezien knijpen een jong woord schijnt te zijn, kan men het als een intensief-vorm naast knijf opvatten en behoeft men dus niet twee idg. wt. *gneibh en *gneib aan te nemen. — Zie ook: knippen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

knijpen ww., sedert Kil., die het “Holl.” noemt. = nhd. (sedert de 16. eeuw) kneifen, mnd. knîpen (> nhd. kneipen), noorw. dial. knîpa “knijpen”. Misschien jonge woorden, ontstaan (uit nijpen?) onder invloed van andere woorden met kn-, zooals event. knippen en mnl. (nog dial.) cnijf m. o. “lang, puntig mes”, mnd. knîf o. “mes, schoenmakersmes” (nhd. kneif m.), ags. cnîf (eng. knife), on. knîfr m. “mes”, dat met gr. gníphōn “gierigaard”, lit. gnýbiu, gnýbti “knijpen” wordt gecombineerd. Ook zou men uit kunnen gaan van idg. ĝnī̆bh-; vgl. dan lit. żnybiù, żnỹbti “id., bijten”. Vgl. knippen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

knijpen. Nhd. kneifen verhoogduitst naar ndd. knîpen; ags. cnîf wsch. uit het On.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

knijpen o.w., Mnl. cnipen + Hgd. kneipen en kneifen, On. kneipa: staat tot nijpen als Hgd. nagen tot Ndl. knagen (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kniepe (ww.) knijpen; Nuinederlands knijpen <1599> < Rienlands kniepen.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

knijpen (ertussenuit --) (Duits auskneipen?)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

knijpen ‘druk uitoefenen’ -> Zweeds knipa ‘druk uitoefenen, stekende pijn hebben’ (uit Nederlands of Nederduits); Papiaments kènèp; kinipí ‘dichtknijpen, knippen; knijpen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knijpen* druk uitoefenen 1599 [Kil.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1095. De kat in 't donker knijpen,

d.w.z. kwaad doen, wanneer niemand het ziet, dus: in 't geniep; heimelijk iets ongeoorloofds doen (Schuermans, 226 a), waarvoor in Oost-Vlaanderen ook gezegd wordt: hij nijpt het in den donker (Schuerm. Bijv. 210 a). Vgl. Harrebomée III, 164, waar ook wordt opgegeven: ‘hij zoent de kat in 't donker’; zie verder Nolet de Brauwere, Ged. II, 207:

Voorzichtig knijpen wij de katjes in den donker,
Op wollen zokken, in 't geniep, als 't niemand ziet.

Schoolm. 102; 132; V. Lennep, K. Zev. 4, 136: Myn Heer dacht misschien de kat in 't donker te knijpen, zoo dat niemand er iets van te weten kwam; Speenhof II, 62:

Hij is van die fijne lui,
Die den schijn vermijden;
Maar de kat in 't donker knijpt
Of de keukenmeiden.

Kalv. II, 144: Dan moest je Hirschfeld eens kennen. Die kneep de kat in donker; Tint. 30: Hij geeft ter sluiks een lonk-er, knijpt de kat in donker; Prikk. V, 26: Denk je, dat wij je niet al lang in de gaten hebben, kereltje? Jij bent een fijn lid! Jij knijpt de kat in het donker, hè?; Nest, 168: Knijp geen katjes in 't donker; M. de Br. 82: Huichelaars die de kat in 't donker knepen; De Amsterdammer, 10 Mei 1914, p. 4 k. 2; Nkr. III, 5 Dec. p. 2; V, 15 Juli, p. 3; VIII, 31 Jan. p. 4; III, 3 Jan. p. 5: Dan kneep die ouwe jonker de muisies in het donker; Teirl. II, 116: de kat (of de katten) in den donkere (of in 't duistere) knippen of nijpen, heimelijk, bedektelijk, schijnheilig verboden dingen doen; Bergsma, 97: de kat in duustern of donkern kniepen. In het fri.: hy knypt de kat yn 't donker of yn 't tsjuster; oostfri.: de kat of sên katte in düstern knipen (Dirksen I, 49). Hoogstwaarschijnlijk wordt met de kat een meisje of eene vrouw bedoeld (vgl. kamerkat, kamenier; eng. cat, meretrix) en wil de uitdr. eig. zeggen: met een meisje in het donker wat stoeien, en bij overdracht in het algemeen: in het geheim kattekwaad doen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gen- als Basis für Erweiterungen der Bedeutung ‘zusammendrücken, kneifen, zusammenknicken; Zusammengedrücktes, Geballtes’, (Persson Beitr. 88 f.); davon sind gnegh-, gneig-, gner-, gnes-, gneus- nur germ.

1. gn-ebh-:
Gr. vielleicht γνάμπτω ‘biege’ (formell wie in der Bed. aber durch κάμπτω beeinflußt);
anord. knafa ‘Päderastie treiben’, vgl. comprimere feminam; mit pp: holl. knap ‘eng anschließend (*drückend, einzwängend), knapp, schnell’, ndd. knap ‘kurz, sparsam, gering’ (daraus nhd. knapp), norw. knapp ‘enge, kurz, knapp’, mit bb: knabbe ‘mausen, wegraffen’; ferner mit den Bed. ‘die Kiefer zusammenklappen’ und ‘mit den Fingern knipsen’ und daraus fließenden Lautvorstellungen schwed. knäppa ‘knipsen, klimpern’, holl. knappen ‘bersten, knarren’, ndd. knappern, knuppern ‘knabbern’, nhd. knabbern ‘beißen, nagen’; endlich als ‘Zusammengedrücktes, Geballtes, Kugeliges’ u. dgl. anord. knappr ‘Knopf, Knorren, Knauf’, ags. cnæpp ‘Berggipfel (knollig); Brosche’ (aus ‘Knopf’), ndd. knap(p) ‘Berggipfel, Anhöhe, Stiefelabsatz’, knappen ‘abstutzen, kürzen; knapp leben’; aus dem Slav. vielleicht hierher poln. gnębić, alt gnąbić (mit sekundärem Nasalvokal infolge des vorhergehenden n) ‘drücken, bedrücken, mißhandeln, reizen’; vgl. auch genebh-, S. 378 f.
2. gnegh-:
Schwed. knagg ‘Knoten, Knorren’, mengl. mnd. knagge ‘Knorren, dickes Stück’; mit germ. kk: anord. knakkr ‘Fuß (an Tischen, Stühlen), Schemel (Fußblock)’. Hierher auch ahd. kneht, nhd. Knecht, ags. cniht ‘Knabe, Jüngling, Diener, Krieger’ (*kneh-ta-, vgl. zur Bed. Knabe, Knebel u. dgl., zum t-Suffix nhd. bair. knüchtel ‘Knüttel, Prügel’).
3. gn-eibh-:
Gr. γνίφων ‘Knicker, Geizhals’ (wenn nicht wegen des älter belegten Κνίφων, Meisterhans-Schwyzer 74, mit sekundärer Anlauterweichung, so daß mit anord. hnippa ‘stoßen’ zur Parallelwz. *ken-, kn-eib(h)-);
anord. kneif ‘Art Kneifzange’, knīfr, ags. cnīf ‘Messer’, nhd. dial. kneif ‘Messer’; daneben mit germ. pp, p: mnd. knīp, nhd. dial. kneipf ‘Messer’, norw. mdartl. knīpa, mnd. knīpen (daraus nhd. kneifen übertragen) ‘kneifen’ (z. T. auch ‘karg, sparsam sein; knapp werden; stibitzen; fortlaufen’; s. ähnliches unter gnebh-), nd. knippen ‘schneiden’, nhd. knippsen, nd. knipperig ‘karg, sparsam’, nhd. Kniff (auch = diebischer Kunstgriff u. dgl.), mnd. knippen ‘mit den Augen zwinkern’;
lit. gnýbiu, gnýbti, Iterat. gnáibau, gnáibyti ‘(mit den Fingern oder einer Zange) kneifen’, daneben šnýbiu, žnýbti ds., Trautmann 93.
4. gneig-:
Anord. kneikia ‘drücken, klemmen’, norw. dial. kneikja ‘rückwärts biegen’; mnd. nd. nhd. knicken, wozu Knicks ‘Kniebeuge, Verbeugung’.
5. gner-:
Norw. knart, knort ‘Knorren, Knoten, unreifes Obst’, mengl. knarre ‘Auswuchs, Knorren’, mhd. knorre ‘Knorren’ u. dgl.; daneben ahd. kniurig ‘knorrig’, mhd. knūr(e) ‘Knoten, Knorren, Klippe, Berggipfel’ mit Ablautneubildung.
6. gnes-:
Norw. knast m. ‘Knorren’ = nd. hd. Knast; mnd. knōster ‘Knorpel’, holl. knoest ‘Knorren’, mndl. knoes ‘Knorpel’, knoesele ‘Knöchel’; norw. mdartl. knös (*knōsia-) ‘großmächtiger Kerl’, schwed. knase ‘tüchtiger, reicher, halsstarriger Mensch’.
7. gnet-:
Ahd. knetan, ags. cnedan st. V. ‘kneten’, tiefstufig anord. knoða, -aða ‘kneten’; mit germ. tt anord. knǫttr (*knattu-z) ‘Kugel, Ball’, knatti ‘Bergkuppe’, norw. knott m. ‘kurzer und dicker Кörper, Knorren’, schwed. dial. knatte ‘kleiner Busch’; aksl. gnetǫ, gnesti ‘drücken’, apr. gnode f. ‘Trog zum Brotkneten’ (*gnōtā), Trautmann 93.
8. gn-eu-:
Anord. knȳja ‘drücken, schlagen’, ags. cnū(w)ian ‘im Mörser zerstoßen’ (ags. cnéowian ‘coire’, wie schwed. knulla ds. gegenüber mhd. knüllen ‘stoßen, schlagen’); anord. knūi ‘Fingerknöchel’; aschwed. knūla, knyla ‘Knorren an Bäumen, Fußknöchel’;
serb. gnjáviti ‘drücken’, sloven. gnjáviti ‘drücken, knüllen, würgen’.
9. gn-eu-bh-:
Ir. gnobh ‘Knoten am Holz, Knast’ (*gnubho-);
anord. knȳfill m. ‘kurzes, eben herausgekommenes Horn’, ostfries. knūfe ‘Klotz, Klumpen, Knorren’; anord. kneyfa ‘drücken’; norw. knuva ‘pressen, drücken’, ostfries. knūfen, ndd. knuffen ‘stoßen, puffen’; mit *ŭ: mnd. knovel ‘Knoten, Knöchel’; mhd. knübel ‘Knöchel’; mit germ. p(p) (Kons.-Schärfung): norw. dial. knupp m. ‘Knospe’, mnd. knuppe, knoppe ‘Knospe’, knuppel = mhd. knüpfel ‘Knüppel’ (dies ndd.), ahd. knopf ‘Knoten, Knorren, Knopf’, schweiz. chnopf ‘Knoten, Knopf, Knospe, kleines Kind’ (dazu knüpfen; eine Ableitung ist Knospe, dawohl aus *knup-sōn-), und o-stufig mnd. knōp m. ‘Knoten, Knopf, Knauf’, mhd. knouf, nhd. Knauf; mit germ. bb: norw. knubb m. ‘Klotz’, mnd. knobbe ‘Knorren’, mengl. knobbe (engl. knob) ‘Knospe, Knopf, Knorren, Knoten’, norw. knubba ‘stoßen, puffen, drücken’;
lit. gniáubti ‘umfassen, umarmen’ (*gnēubh-), gniùbti ‘Festigkeit verlieren, sich senken’; ob aus gniáužti (unten 10.) durch Einfluß von gnýbti (oben 3.)?
10. gn-eu-g̑-:
Anord. knjūkr ‘rundlicher Berggipfel’, norw. mdartl. knjuka, knoka ‘Knöchel’, anord. knykill ‘kleiner Knoten’; mnd. knoke m. ‘Knochen’, mhd. knoche ‘Knochen, Knorren, Bündel’, ags. cnycel (?), mnd. knokel, mhd. knüchel, nhd. Knöchel; aber anord. knoka ‘schlagen, klopfen’, norw. mdartl. knoka ‘pressen, drücken’, ags. cnocian, cnucian ‘an eine Tür klopfen, im Mörser stoßen’, mhd. knochen ‘drücken’ stehen im Ablaut zu aschwed. knaka ‘krachen’ und weisen auf eine Schallwurzel g̑neg- (Wissmann 79), worüber auch Kluge11 s. v. knacken;
mit germ. -kk-: mnd. knocke, mengl. knucche, engl. knitch ‘Bündel’, mhd. knock ‘Nacken’.
lit. gniáuž-iu, -ti ‘die Hand fest schließen’, gniū̃žis, gniū́žtė, gniáužta ‘Bündel, Handvoll’, gniùžti ‘sich biegen, sich senken, Festigkeit verlieren’ (‘*zusammenklappen’), lett. gnaûzt ‘mitder Hand fassen, drücken’ (lett. žńaugt ‘würgen’ aus *gńauž-?); vgl. (oben 9.) lit. gniáubti.
11. gn-eu-s-:
Anord. knosa, -aða ‘mit Schlägen mißhandeln’, norw. knysia ‘zermalmen’, ahd. knussen ‘schlagen, zerdrücken’, ags. cnyssan ‘zerstoßen, zermalmen’; mit ū aschwed. knusa = ndd. knūsen ‘drücken, quetschen’, anord. knūska ‘schlagen’, nhd. schweiz. chnūssen, chnūschten ‘prügeln’; anord. knylla ‘schlagen, stoßen’ (*knuzljan, s. auch oben unter gneut- über Knollen) = ags. cnyllan ‘schlagen’, nd. knüllen (knullen aus *knuz-lōn) ‘zusammendrücken, zerknüffeln’, mhd. knüllen ‘schlagen, stoßen, knuffen’; anord. knauss m. ‘rundlicher Bergzipfel’; mit ū mnd. knūst m. ‘Knorren’, schweiz. chnūs ‘Knorren, Klumpen’; mit norw. knust, knysta ‘verdrehter Klotz, Knorren’, schwed mdartl. knose ‘Auswuchs’ (übertragen bair. knös ‘Bursch’, schweiz. chnösi ‘dicker Mann’, nrhein. knösel ‘Männlein, verkrüppeltes Wesen, unreifes Obst’).
12. gn-eu-t-:
Ahd. knŏdo (*knŭþan-) ‘Knopf, Knöchel, Knospe’, mhd. knödel ‘Fruchtknoten, Knödel’, ahd. knoto (*knuðán-), nhd. Knoten, wovon ahd. knutil, nhd. Knüttel ‘dicker Stock’ (eigentlich ‘Knotenstock’); ags. cnotta m., mnd. knutte ‘Knollen, Flachsknospe’, mhd. knotze ‘Knorren’, mnd. knulten ‘stricken, knüpfen’ = ags. cnyttan, engl. knit ds. und mit der ursprgl. Bed. ‘zusammendrücken’ bair. knauzen ‘zusammendrücken’, nd. knutschen, mhd. knützen ‘quetschen, knuffen’; anord. knūtr (*knūdn-) ‘Knoten, Knorren’, knūta ‘Knochenkopf’, knȳta ‘knoten, knüpfen’; mhd. knūz ‘(*knorrig :) hochfahrend gegen Arme, verwegen, keck’; mhd. knolle ‘Erdscholle, Klumpen’, ags. cnoll m. ‘Bergspitze, Gipfel’ (wenn aus *knuð-lá- oder *knuz-lá zur Wzf.*g(e)n-eu-s-);
lit. gniutù, gniùsti ‘drücken’, gniutúoti ds., gniùtelė ‘Stange zum Andrücken des Strohs beim Dachdecken’, gniùtulas ‘Ballen, Papier, Klumpen’, gnùtulas ‘Klumpen, faustgroßer Klumpen’

WP. I 580 ff., Wissmann Nom. postverb. 83, 132.Vgl. auch unter ken-.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal