Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

knar - (oude kerel)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

knar* [schonk, kale kluif, oude kerel] {1856 in de betekenis ‘oude kerel’; de overige betekenissen 1871} nevenvorm van knor, vgl. ook knars.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

knar 1, knur, zn.: gepelde haver of gort. Var. van Ndl. knor ‘knobbel, knoest, kwast, kraakbeen’, knar ‘kluif waar niet veel aan is’. E. knar ‘knoest, kwast’.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

knar(re), knorre zn.: homp droog brood. Vandaar knarretje, roggeknarretje ‘klein langwerpig roggebroodje’. Ook ’n knarretje rookvlees. Zie knoer(e).

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

knar: 1) (meestal in combinatie met ouwe) (taaie) oude kerel; vaak ook voor een gierigaard of onbeschaafd persoon. Volgens de etymologische woordenboeken een nevenvorm van knor (knoest, knobbel). Eigenlijk: een oude knoestige boom of boomstronk en vandaar overgedragen op een mens: een afgeleefd mens. Sedert ca. 1856. Een synoniem is ouwe sok. Sinds oktober 1993 is krasse knar (met dank aan Van Kooten en De Bie) een ironische typering geworden voor een vitale en dynamische senior.

En wanneer die ouwe knar, tusschen z’n clubgenooten-mede-ouwe knarren zat, dan (zeiden) wij, jongere jaars: dat is ’m, die heeft in 1884 in de Oude Vier gezeten. (Nieuwe Rotterdamsche Courant, 20/05/1936)
Moet ik nu alles eerst aan die ouwe knar van een nachtwaker uit gaan leggen? (Willy van der Heide, Een dollarjacht in een D-trein, 1952)
Laat je ogen nakijken, ouwe knar!!! (M. Remacle, Ouwe Niek en Zwartbaard. In vlammende woede, 1974)

2) (vnl. jeugdtaal) botterik; domoor; ongemanierde vent; ruw persoon.

Nou, ik eet ook liever met dien roetmop dan dat ik met hem vecht. Wat ’n pooten heit me die knar! (J.B. Schuil, De Artapappa’s, 1920)
D’r moet maar zo’n knar uit ’t oerwoud één woord durven smoezen en hij wordt gekielhaald. (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

knar* oude kerel 1856 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1806. Dat gaat boven mijn pet(je),

d.w.z. daar begrijp ik niets van, dat gaat boven mijn begrip, of dat gaat boven mijn knar (hd. knarre; in Jord. II, 77) of dat gaat boven mijn prik (in Kunstl. 5). Vgl. Nkr. VIII, 25 April p. 2: Lees je De Vrije Sijmen? Nee? Natuurlijk niet, het meeste, wat daarin staat, gaat boven jouw petje; Het Volk, 30 Maart 1914, p. 3 k. 2: Dat zij dat ook al wou leeren! Maar die kunst blijkt te gaan boven haar pet; Nw. School, II, 177: 't Kan best wezen, dat het stuk boven z'n pet ging; II, 234: Het blijven bestaan van D.N.S. moge voor de stille pruttelaars als M.G. in Het Nieuwe Schoolblad een teeken zijn, dat er dingen groeien, waar ze met hun pet niet meer bij kunnen; Handelsblad, 24 Febr. 1919 (A), p. 13 k. 2: Bertus, waarom waren de wijzen wijs en de dwazen dwaas? Bertus antwoordt niet, 't gaat hem boven de pet; Het Volk, 23 Sept. 1915, p. 1 k. 3: Voor dat gemeentegepruts ben je goed genoeg, maar de hooge politiek gaat boven je boerepet; Handelsblad, 11 Sept. 1915 (avondbl.) p. 5 k. 5: Wat voer jelui nu uit? O, lezen hè? Hij sloeg de verzen van Leopold op, ‘Hm’ dat gaat boven m'n pet! Syn. er niet met zijn haakje bij kunnen in Nkr. X, 29 Jan. p. 8: Daar kan ik met me hakie niet bij. Syn, 't gaat mijn muts te boven in Haagsche Post, 5 Mei 1917, p. 447 k. 2:

 Dan geeft u mij een stuk papier te lezen,
 Waar allerhand geleerdigheid op staat,
 Van koolhydraten, vet en calorieën,
 Wat mijlenver mijn muts te boven gaat.

Afrik. dit is bo my jakhals, dit is bokant my vuurmaakplek, dit gaan bo my jakhalsband (Boshoff, 336). Iets in de pet hebben, iets in de gaten hebben, ook iets begrijpen (V. Ginneken II, 458). Ik heb er niks mee aan mijn pet, het kan mij niets schelen, het raakt mij niet; vgl. V.d. Water, 117. In den zin van ‘hoofd, hersenen’ komt ‘pet’ ook voor in Kunstl. 11: Daar schiet me wat in me pet!; evenzoo bl. 108; Jord. II, 478: Schiet me perdoes in me pet: Noú nog de Bochel!

2253. Test

is in den volksmond een der benamingen voor hoofd, kop; het woord is ontleend aan ofr. test, aarden pot of aan het lat. testum, vulg. lat. testa, dat hetzelfde beteekent; fr. tête. Voor den overgang van beteekenis vgl. kop, hersen pan, hd. Hirnschale; het mnl. moude (melkmout, bak), dat ook voorkomt in den zin van schedel, hersenpan; mnl. mole, vaatwerk, hoofd; bekkeneel, afleiding van bekken, een bak of schotel, mnl. hersenbecken, schedel; eng. noggin, kruik, hoofd. Zie verder Het Volk, 29 Dec. 1913 p. 5 k. 1: Dat ik er op een gegeven oogenblik een klap mee op m'n test kreeg, dat één van m'n oogen half dicht zat; Peet, 26: Een norsche mep op zijn test en hij lag zelf onder de vierde-klasse-doojen; Gron. 96: Lamstraal, hier heb je d'r een voor je test; Nkr. II, 25 Dec. p. 3: Slaat een gat hem in zijn test; Twee W.B. 89: Geef op of ik gooi de bijl naar je test; Jord. 13; 27: Tik 'm de test in mekoar - die bloedhond; II, 42; 110; 445; Menschenw. 130; 250: Aa's d'r moer wa' sai sou d'r 'n kruk op d'r test stuksloan; 208; 400; Kunstl. 111; Boefje, 57; Boekenoogen, 1055; Köster Henke, 67: Test, hoofd. Sla je lat op zijn test stuk; Slop, 212: Iets uit zijn test zetten. Ook wordt test gebezigd voor een persoon o.a. in het fri. âlde testen, oude vrijsters; in skiere test, een wijf van zeer onzindelijk voorkomen; Waasch Idiot. 648: Onnoozele test. Oude test; vgl. zwakke vaten, menschen. Synoniemen zijn kanes, kanis; zie Köster Henke, 29; 63; Boefje, 56: Dan zat ie daar met koolstruikies doorheen te mikke op de nakende kanes van Okkie; Jord. II, 43; 123; In de forten, 29: Wanneer je de reveille hoort, dan ga je eerst je kanus wasschen; Nkr. III, 18 April p. 5; V. Looy, Jaapje, 23; 196; Ndl. Wdb. VII, 1249Kanis beteekent ook ‘lichaam’: Iemand op zijn kanis geven (Ndl. Wdb. VII, 1249); en ‘persoon’: smerige kanis, vuile kanis; smeerkanis (Jong, 122; 284; syn. van smeerpijp (Nkr. V, 26 Maart p. 2); Diamst. 26; Nkr. III, 26 Sept. p. 3); slaapkanis (in A.t.A. 139).; kersepit, bij Köster Henke, 31; Jord. 160: Geen kerel keek ze naar zijn kersepit; B.B. 6; Nkr. I, 8 Sept. p. 2; IX, 13 Febr. p. 2; Mgdh. 304: Die ouwe hannes was nooit goed in zijn kersepit; krakepit (kersepit) in Nkr. VII, 15 Maart p. 2; 22 Maart p. 2; pit, in Jord. 196; II, 158; Peet, 136 en Handelsbl. 4 Jan. 1916 (A) p. 5 k. 4; knar bij Köster Henke, 34 en Jord. 178: Hij voelde zich met doofheid ingespoten..... door dat vreeselijke suizen in z'n knar; 367: 't Maalde nu toch door zijn knar, dat Neel hem vertrapte; Jord. II, 11; 43; 97; 260; 387; Peet, 94: Je lichies loddere as pap in je knar; klapbes (in Jong. 145: Pas op, hoor!..... Ik geef je 'n dobber (slag) op je klapbes! (mond); O.K. 173: De stoker kreeg er een vlak voor zijn klapbes; Peet, 12: Geef die doerak een veeg over d'r klapbes; neut bij Köster Henke, 47; Jord. 72: Jesis, wat had hij een pijn in zijn neut; Peet, 130; vgl. eng. (cocoa-)nut, hoofd; raap (in Handelsbl. 7 Maart 1923 (O) p. 8 k. 3: Als ik Rines had getroffen, dan had ik hem voor zijn raap geschoten); peer (fr. poire) in zuidndl.; ook in de uitdr. het in zijn peer hebben, hoogmoedig zijn (Ndl. Wdb. XII, 893; 1254). Zie verder brankalie (kaalhoofd), kiebes (Peet, 177), patet (Jord. II, 398); kei (zuidndl.); rausj (Jord. II, 389) of rosj (bij Köster Henke, 11; 31; 51; 56; 57Vgl. nhebr. rousj, hebr. rosj, hoofd, begin; Voorzanger en Polak, 259-260; V. Ginneken II, 90. De Franschen spreken van cafetière, fiole, terrine, ciboulot, coloquinte, citrouille, calebasse, poire, fraise, enz.; de Duitschers van rübe, kohlrübe, nusz, kürbis, birne, melone, pflaume, apfel, grind, dachs, nisschel; de Engelschen van a beam, koko, block, couch, nut, topknot, pumpkin (zie Leuv. Bijdr. XIII, 186; 198; Germ. Rom. Monatschr. IX, 51)..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal