Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kloppen - (doffe slagen laten klinken; verslaan; overeenstemmen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kloppen ww. ‘doffe slagen laten klinken; verslaan; overeenstemmen’
Mnl. cloppen ‘een doffe slag laten klinken’ in so clopte der vrouwen name aen haer borst ‘toen sloeg de vrouw zich op de borst’ [1276-1300; VMNW], clopt, ende men sal v ontpluken ‘klopt aan, en men zal voor u opendoen’ [1290-1300; VMNW], doe clopter der walewein ene belle ‘toen luidde de heer Walewein een bel’ [1350; MNW-R]; vnnl. als eenen hondt geclopt ‘geslagen, afgeranseld als een hond’ [1566; WNT], so lang hem thart in tlijf soude cloppen ‘zolang zijn hart in zijn borst zou kloppen’ [1596; WNT], doyeren van eyeren, met twee of dry lepelen cout biers wel geclopt ‘eierdooiers, goed geklutst met twee of drie lepels koud bier’ [1599; WNT], geklopt in 't engh van Salamijn ‘verslagen in de Straat van Salamis’ [ca. 1655; WNT]; nnl. kloppen ‘overeenstemmen, in orde zijn’ in of als alles niet klopt, zooals tegenwoordig de geijkte term is [1886; WNT], het klopt als een bus ‘het stemt goed overeen’ [1935; Onze Taal 4, 19].
Klanknabootsend woord.
De meeste huidige betekenissen van het woord, zoals bij het kloppen van beslag of van het hart, zijn rechtstreeks te verklaren uit de oorspronkelijke klanknabootsende betekenis. De betekenis ‘verslaan, overwinnen’ is een uitbreiding van ‘slaag geven’. De oorsprong van de jonge betekenis ‘overeenstemmen, in orde zijn’ is echter duister. Misschien moet men de vergelijking maken met het kloppen (en dus ‘goed functioneren, in orde zijn’) van het hart. De uitdrukking het klopt als een bus ontstond naar analogie van het sluit als een bus, meestal overdrachtelijk gezegd van een goed sluitende (kloppende) redenering, rekening e.d. (Stoett 1932).
klop znw. ‘klap, zware slag; nederlaag’. Mnl. clop ‘klap’ in ende trac op die valbrucge datse enen cloep (in rijm met op, dus /klop/) jegen die starke porte gaf ‘en trok de valbrug omhoog zodat die met een klap tegen de sterke poort kwam’ [1260-80; VMNW]; vnnl. ‘slag, klap’ in niet selden en volchdender oock cloppen ende dootslagen ‘dikwijls volgden er ook klappen en doodslag’ [1595; WNT], om haer altsamen den clop te geven ‘om hen allemaal te verslaan’ [1648; WNT]; nnl. zonder lidwoord in al kregen wij eens klop ‘ook al leden wij wel eens een nederlaag’ [1782; WNT]. Afleiding van kloppen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kloppen* [hoorbaar op iets slaan] {cloppen 1276-1300} middelnederduits kloppen, oudhoogduits klopfon; klanknabootsende vorming, ablautend naast klappen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kloppen ww., mnl. cloppen ‘kloppen, slaan, kleppen, luiden’, mnd. kloppen, ohd. chlopfōn (nhd. klopfen), naast chlofōn, ‘kloppen, slaan’. Daarnaast staat klappen en zie ook: kluppel.

Men beschouwt deze woorden gewoonlijk als klankwoorden. Daarentegen neemt O. Haas, Die Sprache 4, 1958, 101-102 aan, dat ze bij de groep van klieven te plaatsen zouden zijn en wel als woorden uit de steenhouwerij tot in de steentijd zouden kunnen teruggaan (vgl. ook on. klypa ‘knijpen, klemmen’), weinig overtuigend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kloppen. Adde: ofri. kloppia ‘kloppen’.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kloppe (ww.) kloppen, slaan; Middelnederlands cloppen <1276-1300> < Rienlands kloppen.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kloppen (klopte, heeft geklopt), (ook:) 1. in de handen klappen. ’Klop eens in je handjes... ()’ (kinderversje). - 2. masturberen door man. Hij liet het bed zo min mogelijk kraken bij het ’kloppen’ (men mocht hem horen daarboven!) (Cairo 1977: 100). - Etym.: (1) In AN veroud. (2) In veroud. AN kan k. bet. ’geslachtsgemeenschap hebben’ (WNT 1941). Ook klopper (Rappa 1984: 35).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kloppen ‘hoorbaar op iets slaan; vechten, overwinnen’ -> Petjoh kloppen ‘vechten, overwinnen, verslaan’; Negerhollands klop ‘hoorbaar op iets slaan’; Berbice-Nederlands klup ‘hoorbaar op iets slaan’; Sranantongo kropu, klop ‘hoorbaar op iets slaan; klappen; applaudiseren’; Surinaams-Javaans klop, ngeklop ‘hoorbaar op iets slaan’ <via Sranantongo>.

kloppen ‘overeenstemming vertonen, juist zijn’ -> Fries klopje ‘overeenstemming vertonen, juist zijn’; Indonesisch klop, kelop ‘overeenstemming vertonen, juist zijn’; Jakartaans-Maleis klop, kelop ‘kloppend, overeenstemmend’; Javaans kelop ‘overeenstemming vertonen, het klopt’; Menadonees klop ‘zoals berekend’; Sranantongo klop ‘correct zijn’; Surinaams-Javaans klop ‘overeenstemming vertonen, het klopt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kloppen* hoorbaar op iets slaan 1276-1300 [CG Kerst.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1590. In zijn naad zitten,

d.w.z. in angst, in de benauwdheid, in de rats zitten; syn. van kieren, ('m) knijpen (in D.v.S. 13), in de knijp of de knijperd zitten (no. 1176), in zijn gat geknepen zitten, een naad of naadjes fokkenWeekblad voor Gymnasiaal en Middelbaar Onderwijs IX, 425., met de poepers zitten, verlegen, bevreesd zijn (Waasch Idiot. 529), in zijn achterkamer zitten (langs de Vecht); in zijn stinkerd zitten, bang zijn (Gunnink, 216), pijn in zijn buik hebben, het in zijn gat hebben (Brederoo, Moortje, 2320), welke uitdrr. doen vermoeden, dat we aan naad de beteekenis van bilnaad moeten toekennen. De zegswijze wordt o.a. aangetroffen bij Speenhoff, II, 109:

 Dagen, nachten, bleef hij zoeken,
 Iedereen vroeg hij om raad;
 Maar ze was niet meer te vinden.
 Hij zat leelijk in zijn naad.

D.H.L. 12: Voor de majoor zit-i in z'n naad, niet zoo'n beetje!; Nkr. IV, 22 Mei p. 4: Die (kapitalisten) zitten zoo erg in hun naad uit angst voor de socialisten; 28 Aug. p. 5: Dus, als je eens later wilt knoeien, en zit je geducht in je naad, dan zoek je maar drie oude heeren en die maak je tot eereraad; 23 Oct. p. 4: Duymaer van Twist en Van Vlijmen zijn heel kordaat, voor hen zit de oorlogsminister schier in zijn naad. Een dienstklopperd.i. iemand die nauwkeurig alle dienstverrichtingen vervult, een strenge meerdere, dienstdoener; zie V. Ginneken II, 451, 453; D.H.L. 123: 'n Zoogenaamd ‘goeie’ kapitein, 'n 'er warm inzittende, lauwe dienstklopper, die officier speelt voor de eer; Zandstr. 30; Ndl Wdb. III, 2547; Nierstrasz, 55: Bij zijn chefs stond hij in een goed blaadje, omdat hij een echte ‘dienstklopper’ was; Amsterdammer 8 Aug. 1915 (omslag) p. 4 k. 1: Een eerste stuurman, een nurksche nijdige dienstklopper; Het Volk, 8 Mei 1914, p 2 k. 3: Echter was er dezer dagen een dienstklopper, die een der posters mede naar het bureau nam. Hiernaast een ww. dienstkloppen, nauwkeurig alle dienstverplichtingen vervullen; vleien, stroopsmeren; vgl. Woordenschat, 193: dienstkloppen, verschillende personen voor dienst commandeeren; meer dienst doen en vorderen dan noodig is; D.H.L. 61: De officieren kloppen weer dienst en zeggen model: kom, allo, in de pas, één, links, rechts. Vgl. ook een wachtje kloppen, de wacht houden; D.v.S. 86; - Het Volk, 13 Juli 1915, p 1 k. 3: Door het vele wachtkloppen en de brandwacht op Zondag is het een bof, wanneer men Zondags vrij is; Zondagsblad v Het Volk, 19 Febr. 1916, p. 2: God, God, wat is 't warm! Zoo'n wacht heeft-ie nog nooit geklopt. Een duur wachtje kloppen, de wacht voor geld afkoopen (V. Ginneken II, 458); evenzoo bij Horn, 79: der Soldat kloppt auch Wache oder schiebt Patrouille. Een dienstklopper heet in het hd. ein Dienstbeiszer, - büffel, - fuchs., die bang is voor straf, die spoedig in den naad zit, ‘'m knijpt’, heet een Harry Knijp.

1719. (Op)dokken,

d.w.z. betalen, geld geven; vgl. ook afdokken, dat eveneens betalen, afschuiven beteekent (Ndl. Wdb. I, 909; Jord. 260), waarnaast eertijds ook uitdokken en overdokken voorkwam. Het wkw. dokken vermeldt Kiliaen met de beteekenis dare, cito dare, promere (voor den dag halen) naast opdocken, dare, promere; de eigenlijke beteekenis is die van slaan, kloppen, duwen, stooten (in dezen zin in Zuid-Nederland nog zeer gewoon), syn. van het Zuidndl. botten, doppen en het eng. to stump (up), to stump the pewter, dat ook in den zin van betalen voorkomt, zoodat geld dokken eigenlijk zal beteekenen geld van zich afstooten (vgl. Kil. cito dare), afschuiven, geven. In de 17de eeuw is (op)dokken reeds vrij gewoon; zie o.a. Kluchtspel III, 19; Winschooten, 45; Sewel, 595; Halma, 456; Harreb. III, 52 a; Ndl. Wdb. XI, 451; III, 2752; Villiers, 92. In Zuid-Nederland is (af)dokken in den zin van betalen nog bekend (Waasch Idiot. 180 a; Teirl. 335; Antw. Idiot. 127; 335) naast doppen, botten (Waasch Idiot. 140 a; Teirl. 360) en opbotteren (Waasch Idiot. 816), die alle drie eveneens eig. slaan, duwen, stooten beteekenen. Zie Tijdschr. XXXVI, 61 vlgg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal