Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klootjesvolk - (gepeupel, het gewone volk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

klootjesvolk zn. ‘gepeupel, het gewone volk’. Vnnl. dit klootjes volck vande vesten, of uyt de slopjes ‘dit klootjesvolk van de wallen of uit de sloppen’ [1612; WNT vest II]. Samenstelling van het verkleinwoord van kloot en → volk. De betekenis van het eerste lid is niet duidelijk. Vnnl. kloot ‘onbeduidend persoon’ is een zeldzame betekenis; WNT denkt daarom aan kloot ‘zaadbal’, hetzij in de zin van ‘iets waardeloos in het algemeen’, hetzij dat klootjesvolk een schimpnaam van intellectuelen was voor ‘volk dat alleen voor het seksuele leeft’. Een vierde mogelijkheid is verwijzing naar de woonomstandigheden: ‘volk dat op een klootje/kluitje, in de dichtbevolkte wijken leeft’, vergelijkbaar met steegjesvolk en vestjesvolk ‘het arme volk uit de steegjes resp. uit de buurt van de stadswallen’, termen met een oudste attestatie bij dezelfde auteur (Bredero) als klootjesvolk.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

klootjesvolk: het domme burgermanspubliek. In het tweede nummer van ‘Provo’ (maandblad van de provobeweging) dook voor de verburgerlijkte lagen van de maatschappij, de slaafse consumenten de verzamelterm klootjesvolk op. Het woord werd in de jaren zestig gereanimeerd door de schrijver J.B. Charles. Bredero had het in 1612 al over het klootjesvolck.

Indien enkele fransche tragedies een korte populariteit genoten, was het te danken aan den grooten naam, dien een acteur of actrice zich af en toe in een rol van Racine of Corneille wist te verwerven. Vreemdelingen, die uit nieuwsgierigheid kwamen; boeren en buitenlui, die een vroolijken avond doorbrachten na een prettigen dag; klootjes-volk, dat zich op de galerijen vermaakte door met nootedoppen en appelschillen in den bak te mikken, en in dien bak een kleine schaar van kenners; een publiek van te verschillende beweging om eene degelijke kunst te begeeren en te besehermen. (De Groene Amsterdammer, 19/07/1885)
Libéráál cónservátiéf stedeke van puur klootjesvolk. (Herman Heijermans, Kamertjeszonde, 1898)
’t Hiernamaals is een uitvinding van het kapitaal; de fopspeen, waarmee ze ’t klootjesvolk binnen ’t kerkelijk loophek houe. (Jan Mens, Er wacht een haven, 1950)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal