Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kletsmajoor - (iemand die veel en onbeduidend praat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kletsen ww. ‘met klinkend geluid slaan; babbelen’
Vnnl. kletsen ‘met een klinkend geluid slaan’ [1599; Kil.], dat kletsen ... van zweep en taeie roe [1656; WNT], ‘babbelen’ in liegen, kletsen, op te snyen en te zwetsen, was by u alsoo gemeen ‘liegen, kletsen, opscheppen en snoeven, dat was bij u zo gewoon’ [ca. 1670; WNT].
Klanknabootsend woord. De stam is vergelijkbaar met klateren.
Nnd. klitsen; nhd. klatschen.
De overdrachtelijke betekenis ‘babbelen’ is vergelijkbaar met die bij → klappen.
kletsmajoor, kletsmeier (NN) zn. ‘iemand die veel en onbeduidend praat’. Nnl. in hij pruttelt in zichzelven ... dat de Kamerleden kletsmajoors moesten heeten [1883; Van Maurik], ook verbasterd tot kletsmeier, zoals in wij moeten ... flink werken voor de organisatie, en niet kletsmeijers zijn [1912; Groene Amsterdammer]. Samenstelling van de stam van kletsen ‘babbelen’ en majoor, dus eig.: iemand die een hogere rang in het kletsen had. De nevenvorm kletsmeier ontstond wrsch. onder invloed van Bargoens meier ‘man’, zie → meier, maar is van oudsher minder frequent. De veronderstelling dat kletsmeier de oorspronkelijke vorm is (WNT) en ontleend is aan het Duits, lijkt dan ook onwaarschijnlijk.
Lit.: J. van Maurik (1883), Met z'n achten, Amsterdam, 229

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kletsmajoor: oorspronkelijk soldatentaal voor een legerpredikant; in algemeen gebruik: een praatziek iemand; kletskous; leuteraar. Nevenvorm van kletsmeier*. Bij Boekenoogen vinden we de variant kletskamizool. Er bestaat ook een werkwoord kletsmajoren (opgetekend door Van Ginneken, 1913). Vgl. Duits Quasselmeier. Fransen gebruiken de term moulin à paroles.

Ik zal je nog eens de tong afsnijden, kletsmajoor. (De Groene Amsterdammer, 22/11/1908)
Het woord Kletsmajoor heeft nu eenmaal een ongunstige beteekenis. Noch advocaat, noch predikant, noch iemand anders zal het vleiend vinden met dat woord aangesproken of betiteld te worden. (De Groene Amsterdammer, 29/11/1914)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal