Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klere- - (in samenstellingen)

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kelerelijer, klerelijer, kolerelij(d)er: onaangename kerel; klootzak*; rotvent. Eigenlijk: iemand die cholera heeft. Lijer is ook een slangterm voor lichaam (een klap voor z’n lijer krijgen) en is vermoedelijk afgeleid van het werkwoord ‘lijden’. Het scheldwoord is wellicht ontstaan in de soldatentaal. Het wordt reeds vermeld door Salleveldt (1980).

Een heer van mannelijke kunne werd onlangs te Amsterdam veroordeeld, wijl hij, in woede ontstoken, tegen een Amsterdamschen agent van politie het woord ‘kelerelyer’ had gebezigd. Ik vermoed dat hij bedoelde te zeggen ‘choleralijder’, hoewel ik niet inzie in welk opzicht een lijder aan deze, mij overigens persoonlijk onbekende ongesteldheid, iets oneervols zou begaan en niet veeleer recht zou hebben op sympathie en zelfs steun, voor zoover hij niet in een ziekenfonds is. Hoewel dus feitelijk het gebezigde woord als scheldwoord ondeugdelijk is, nam de rechter aan dat de verdachte iets onvriendelijks bedoeld had aan het adres van de dienstdoende uniform en veroordeelde. (De Groene Amsterdammer, 09/07/1927)
Nou ja, dat stuk keleiralijer… laat ie de ziekte krijge! (A.M. de Jong, Frank van Wezels roemruchte jaren, 1928)
Als die koleralijder mij niet had dan ging hij mol van de schiebus. (H. van Aalst, Onder martieners en bietsers, 1946)

klere-aap: (racistisch) kleurling. Het woord is vooral populair in voetbalstadions.

Het wordt steeds grover, beamen de anderen. Bij NAC heeft een tegenstander ‘een kop om op te schieten’, bij Feyenoord hanteert men het woord ‘kutkanker’ als adjectief voor ongewenste elementen – ‘kutkanker Turken’, ‘kutkanker joden’ – en op vrijwel alle tribunes heet een kleurling een pleurisnikker, een baviaan, een klere-aap, een kankerneger, een banaan, een vuile koffieboon, een kankeraap. Als Ajax op bezoek komt, gaan de fans van de tegenpartij zingend op ‘jodenjacht’, of bootsen ze met sissende geluiden ontsnappend gas na. (HP/De Tijd, 23/08/1991)

klerebeer: verachtelijke, slechte man; klootzak*. Wellicht van Haagse origine.

klerebeer: naughty little bastard. Literal translation: cholera bear. Probably belongs to the slang of the city of The Hague. (website The Alternative Dutch Dictionary, gelezen 16/04/2005)

klerewijf: vervelende, nare vrouw. Ook wel: klotewijf; kutwijf, takkewijf. Een vrouw die de kleding van anderen uitkiest en verzorgt wordt ook wel schertsend een klerewijf genoemd.

‘Vergeet dat klerewijf,’ zei ik. (Johnny van Doorn, De geest moet waaien, 1977)
… een over het paard getild klerewijf. (De Telegraaf, 29/06/2002)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klerelijer ellendeling 1955 [Endt]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal