Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klep - (klepper, deksel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

klep zn. ‘scharnierend sluitstuk op een opening’
Mnl. cleppe ‘iets wat een klappend geluid maakt’ in sijn houten cleppe ‘zijn houten (melaatsen)klepper’ [1479; MNW-P], clepboec ‘boek met een uitklapbare overslag’ [1476-1501; MNW]; vnnl. klep in bedelaers die cleppen dragen [1563; WNT]; nnl. klep ‘scharnierbaar sluitstuk op een opening’, bijv. in pompen, machines, motoren e.d. [1755; Marin NF], in een deur van een gevangeniscel [1762; WNT], op een bierkan [1816; WNT], ‘vooruitstekend deel aan hoofddeksels’ [1829; WNT].
Afleiding van het klanknabootsende werkwoord kleppen, oorspr. ‘een ploffend geluid maken’, zie → klappen.
De betekenis ‘scharnierbaar sluitstuk’ komt voort uit het geluid waarmee dit dicht gaat.
Zowel klep/klap als kleppen/klappen waren aanvankelijk synoniem; ook afleidingen en samenstellingen kwamen in beide klinkervarianten voor. Tegenwoordig hebben de meeste van die woorden in de standaardtaal slechts één van beide vormen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klep1* [klepper, deksel] {clep(pe) 1490} van kleppen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klap znw., mnl. clap m. (v.) “gebabbel, klepper (voorwerpsnaam)”. = ohd. claph in ana-claph m. “het botsen” (: nhd. klaff), nhd. klapp (oorspr. ndd.) m. “klap (geluid)”, on. klapp o. “slag”. Van klappen ww., mnl. clappen “klappen, klapperen, kleppen, kloppen, babbelen”. Verwant resp. identisch met ohd. chlaphôn, klaffôn “klapperen, een hard geluid geven” (mhd. klaffen ook “babbelen”; nhd. klaffen), mnd. klappen “een hard geluid geven, (ook klaffen) babbelen”, os. klapen “klapperen” (klapunga v. “tandengeklapper”), ofri. bi-klappia “beschuldigen”, meng. clappen “klappen, kloppen” (uit ’t Noorsch? eng. to clap), on. klappa “slaan, kloppen”. Met umlaut mnl. cleppen “kleppen, ratelen”, cleppe (m. v.?) “klep, klap, ratel” (nnl. kleppen, klep) = mnd. kleppen “kleppen, luiden”, kleppe v. “deurklink”, owfri. kleppa “luiden, geluid geven”, ags. clæppan “kloppen”; vgl. ook laat-mhd. klepfern “klepperen” = ndl. klepperen (sedert Kil.). Onomatopoëtische woordfamilie, in associatie getreden met die van klak. Zie klepel. Vgl. ook kloppen. — Klap “slag” ook in eensklaps bijw., nog niet bij Kil. Bezwaarlijk een volksformatie. — klapperen ww. Sedert het Mnl. Mhd. Mnd. — klappertanden ww.: Kil. kleppertanden, mnl. clippertanden, cliptanden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klep v., met e = ä van klap: onomat.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kleip, zn.: klaphout, vathout, duighout. Wvl. klep, klephout. Klep is verwant met klieven/kloven, blijkens de synoniemen Ovl. kliefhout, Wvl. splijthout.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

klippe, kleppe zn. v.: vogelknip, vogelslag. Vnnl. kleppe, klippe, klemme, knippe ‘vogelknip’ (Kiliaan). Naar het kleppende, klappende geluid bij het dichtklappen van de knip. Samenst. mosseklippe ‘mussenknip’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

klep (de, -pen), (ook:) verkorting voor klepkooi. Ze praten over hun repman* en wijfje, dat ze vanmorgen bijna één gevangen hebben, maar de klep was niet goed (Hijlaard 120).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

klep. Tijdens de voetbalwedstrijd Ajax-Cambuur op 25 oktober 1998 riep een Ajax-supporter tegen de scheidsrechter krijg een vette klep! Letterlijk kan klep van alles betekenen, o.a. ‘pet, mond, sluiting’. Met die betekenissen heeft de verwensing niets meer te maken. En ook niet met vervette hartklep, als dat de letterlijke betekenis zou zijn. De emotionele betekenis duidt op minachting, woede, ergernis e.d. en kan het best weergegeven worden met ‘ga nou toch gauw weg, ik geloof er geen donder van, rot op’. → longklep.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klep ‘klepper, deksel, afsluiting in een buis of pomp; mond; (verouderd) gulp’ -> Russisch klápan ‘afsluiting in een buis of pomp; (Bargoens) gulp; klep van een tent tegen zonnestralen’; Indonesisch klép ‘beweegbaar sluitstuk voor het al dan niet doorlaten van gassen of vloeistoffen’; Jakartaans-Maleis kelèp, klèp ‘klepper, deksel’; Javaans kelèp, klèp ‘deksel’; Menadonees klèp ‘klepper, deksel’; Petjoh klep ‘gulp; mond’; Japans † kereppu ‘klepper, deksel’; Papiaments klèp ‘klepper, deksel; waffel, snuit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klep* klepper, deksel 1490 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1179. Een klikspaan.

Onder klikspaan verstaat men thans iemand, die alles verklikt, verklapt, dus iemand die in Zuid-Nederland een klapspaan of een lakaaie genoemd wordt (De Cock2, 46). Door Halma wordt een klikspaan gelijk gesteld met een klapspaan, waarmede iemand, die niets geheim houdt, werd aangeduid, un délateur, une délatrice. Onder een clapspaen verstond men in de middeleeuwen een spaan of hout, waarmede men een klappend of kleppend geluid maakt, bepaaldelijk de lazarusklep, waarmede een melaatsche zijne nadering aankondigde. Bij overdracht werd de tong ook de klapspaan genoemd; vgl. fr. copeau, spaan, tong; ratel, tong (in hou je ratel! zie O. Kantk. 39) en babbelachtige vrouw; hd. halt die Klappe; de bij Harrebomée III, 258 vermelde zegswijze: eene tong hebben als een Lazaruskleppe; onze uitdr. hou je rammel, d.i. houd je mond, en Veelderh. Geneuchl. Dichten, anno 1600, bl. 118In de editie Letterk. bl. 175.:

Sonder te aenmercken al het gheklagh
Van wijf of kind, maeckt zijs te veel,
Hy grijptse terstond al by heur keel
En doet haer dat klapspaen stille staan.

Bij verdere overdracht kon ook hij of zij, die zulk een klapspaan, zulk een klappende tong had, zelf een klapspaan of een klikspaan genoemd worden, zooals blijkt uit Tuinman I, 202, die citeert: 't is een klapspaan, dat wil zeggen, zyn of haar tong is een klaterspaan, of ratel; zy zwygt niet; Sewel, 392: Klapspaan, klikspaan, snapper, informer, betrayer, en het Zuidnederl. klep, klepel, tong, babbeltong, vrouw die veel klaps heeft (Schuermans, 249 a; Bijv. 163 a; Antw. Idiot. 663). Zie verder Mnl. Wdb. III, 1482 en merk op, dat thans klappen in deze samenstelling wordt opgevat in den zin van oververtellen.(Aanv.) In Zuid-Limburg is een klepper = klikspaan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal