Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

klaver - (plant (geslacht Trifolium))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

klaver zn. ‘plant (geslacht Trifolium)’
Mnl. clauere ‘klaver’ [1226-50; VMNW], dat es gescepen alse clavere ‘dat lijkt op klaver’ [1351; MNW-P].
Mnd. klēver, klāveren (waaruit nde. kløver); oe. clāfre (ne. clover); < pgm. *klaibr(j)ōn-. Klankwettig geldt pgm. *-ai- > mnl./mnd. -ē-, maar klēver komt in het Nederlands alleen gewestelijk voor. De vormen met -ā- zijn Noordzee-Germaans. Daarnaast staan de synonieme vormen os. klē (genitief klēwes); ohd. klēo (nhd. Klee); < pgm. *klaiw-. Nfri. klaver is een Nederlands leenwoord.
Traditioneel voert men dit woord met ablaut terug op de wortel pie. *gleiH- ‘kleven’, waaruit ook → kleven en zie vooral → klei. Men wijst dan op het kleverige sap van de plant. Het betekenisverband is echter zeer zwak. Er zijn vele planten met kleverige delen waarbij de kleverigheid beduidend karakteristieker is dan bij de klaver. Aangezien er bovendien geen verwante woorden buiten het Germaans bestaan, veronderstelt reeds NEW herkomst uit een voor-Indo-Europese substraattaal.
klaveren zn. ‘kleur in het kaartspel’. Vnnl. in dat is klaveren, dat is ruyten, dat is schoppen, en dat is harten [1612; WNT]. Genoemd naar de vorm van de figuur. ♦ klaverblad zn. ‘kruising van autosnelwegen’. Nnl. klaverblad [1952; Koenen]. Vertaling van Engels cloverleaf, dat in deze betekenis is genoteerd in 1933 [OED]. Zo genoemd naar de vorm.
Lit.: Schrijver 1997, 305

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

klaver* [plantengeslacht] {claver(e) 1226-1250} oudsaksisch klē, clever, middelnederduits klever, oudhoogduits kleo, oudengels clafre (engels clover); etymologie onzeker, mogelijk van kleven, vanwege het kleverige vocht.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

klaver znw. v., mnl. clāver(e), mnd. klāveren (nnd. klaver) zijn inguaeoonse vormen naast nnl. dial. (brab.), mnd. klever, oe. clæfre, clafre (ne. clover), die teruggaan op een grondvorm. *klaiƀr(i)ōn. — Daarnaast staat *klaiwa- vgl. os. klē (klēwes), ohd. klēo (nhd. klee). — Indien dit uitsluitend germ. woord niet van een substraattaal overgenomen is, dan kan men het verbinden met de idg. wt. *glei ‘kleven, smeren’. Zou dan de plant genoemd zijn naar het kleverige sap van de bloem?

In nl. dial. komt ook de vorm klee voor; deze is een gevolg van de Keulse expansie langs de grote rivieren (vgl. Κ. Heeroma Ts. 56, 1937. 262-3 met kaartje). — Een overzicht der dialectische vormen biedt B. van den Berg, Taalatlas Afl. 2, 5 met verbeteringen, Afl. 3, 11. — Of de vorm klaver als inguaeoonse vorm te verklaren is, betwijfelt W. Foerste, Bijdr. en Med. Dial. Comm. 1955, blz. 3-5, die denkt aan wisseling van vormen *klāƀrōn en *klaiƀrōn (vgl. daarvoor ook: spreeuw). Het gebied, waar klêver voorkomt strekt zich van het Nederrijnse uit tot Voorne en Putten.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

klaver znw., mnl. clâver(e). = ndd. klâver (mnd. klâveren). Kan alleen dan met mnd. klêver m., ndl. dial. klêver (brab.), ags. clæ̂fre, clâfre v. (eng. clover) “klaver” gecombineerd worden, als wij de ndl.-ndd. â-vormen uit het Fri. afleiden, waar ai tot â werd. Ook de. kløver, ouder klever, zw. klöfver “klaver” zijn ontleend, uit ndd. klêver. Opvallend is de ndl. dial.-vorm klēver (Beierl., Bommelerwaard): eer vervormd uit klêver (ontl. uit een naburig dial. met klanksubstitutie?) dan daarmee ablautend. Verwant met *klaiƀr(i)ôn- is *klaiwa-, mnl. clee (nog dial., bijv. Maastr.), ohd. chlêo m. o. (nhd. klee m.), os. klê m. “klaver”. Oorsprong onzeker. De combinatie met klei en kleven is niet wsch. te maken.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

klaver. De ndl.-ndd. vormen met â, waarbij nog owvla. (herb.) clâvere, kunnen veiliger als „ingwaeoonse” dan als „friese” vormen worden aangeduid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

klaver v., + Ndd. klever, Ags. clæfre (Eng. clover), Zw. klöfver, De. klover; wellicht een samenstelling: het eerste lid *klai(w) is Os. klê, Ohd. klêo (Mhd. klê, Nhd. klee), dat niet verder op te sporen is; het tweede lid -fre, is niet duidelijk. Het Ndl. is uit het Fri.; Zw. en De. uit Ndd.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

klie (zn.) klaver; < Käöls Klie.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

klee, kliè, zn.: klaver. D. Klee, Ohd. klêo, Mhd., Os. klê. In Roermond wordt klee ook gezegd van klaveren in het kaartspel, hoewel de Duitse naam daarvoor Kreuz is. Zie kruuts.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

klawer s.nw.
Enigeen van verskillende soorte kruidgewasse wat geskik is as voerplant en waarvan die blare kenmerkend in 'n groep van drie gerangskik is.
Uit Ndl. klaver (Mnl. claver, clavere). Eerste optekening in Afr. in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902).
Eng. clover.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

klee, klieë klaver (langs de grote rivieren, kerkr.), boekweitdoppen (Heerde). (langs de grote rivieren, Kerkrade, Heerde). Vgl. hgd. klee ‘id.’ (= ohgd. chleo ‘id.’, os. klē ‘id.’) ~ nl. dial. klever ↑. Geen duidelijke verdere etymologie.
TNZN II 5, Amkreutz e.a. 153, NEW 326, Bosch 20.

klever klaver (Oost-Nederland, Zuid-Holland, Utrecht). Wschl. ≠ klaver maar ablautend ermee verwant.
TNZN II 5, NEW 326.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

klaver
Rode klaver | Trifolium pratense L.
Witte klaver | Trifolium repens L.
Kleine klaver | Trifolium dubium Sibth
Basterdklaver | Trifolium hybridum L.
Hazenpootje | Trifolium arvense L.
Aardbeiklaver | Trifolium fragiferum L.
Hopklaver | Medicago lupulina L.
Luzerne | Medicago sativa L.
Gevlekte rupsklaver | Medicago arabica (L.) Huds.

De verklaring van de naam Klaver is onduidelijk. Volgens een bepaalde opvatting zouden de Middelnederlandse namen Klever en Clavere afgeleid zijn van het Oudgermaanse Cloefre, dat wil zeggen splitsen of klieven en dat zou dan slaan op de in drieën gespleten bladschijf. Maar er worden ook nog andere onduidelijke verklaringen gegeven.

Rode en Witte klaver dragen respectievelijk rode en witte bloemen. Kleine klaver is de kleinste Klaver-soort. Vroeger dacht men dat Basterdklaver een bastaard zou zijn van Rode klaver (Trifolium pratense L.) en Witte klaver (Trifolium repens L.), later bleek dat niet juist te zijn, maar de naam is gebleven. De bloemen van Hazenpootje vormen samen fluweelachtig behaarde, eironde tot langwerpige aarachtige bloemgestellen die met enige verbeelding doen denken aan een zacht hazenpootje, vandaar de naam. Bij Aardbeiklaver staan de bloemen in bijna bolronde bloemhoofdjes die de indruk van een aardbei geven, wat tot de naam van de plant leidde.

Hopklaver kreeg die naam omdat de kleine bloemhoofdjes met de goudgele bloemen lijken op hopbellen. Een andere naamverklaring is dat de plant de geur heeft van de Hop.

Luzerne wordt wereldwijd verbouwd als veevoer en raakte verwilderd. De naam werd ontleend aan het Franse luzerne uit 1600 en het Oudfranse woord luiserne uit 1581, dat dan zelf weer afstamt van het Provençaals luzerno, wat dan verwijst naar lucerna, het Latijnse woord voor lamp en naar het Franse woord voor luire of blinken en dan zouden daarmee de helglanzende, blinkende zaden van de plant bedoeld zijn.

Rupsklaver verwijst naar de peul die enkele dicht opeen liggende, platte windingen bezit, enigszins te vergelijken met op elkaar liggende rupsen. De blaadjes van het drietallige blad dragen meestal in het midden een zwarte vlek, vandaar Gevlekte rupsklaver

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Klaver (witte), Trifolium repens
Trifolium: de plant heeft drie bladeren.
Repens: de plant heeft een kruipende groeiwijze.
Witte klaver: de kleur van de bloemen is wit vandaar de Nederlandse soortnaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

klaver ‘plantengeslacht’ -> Oost-Jiddisch klewer, klewar ‘plantengeslacht’; Deens kløver ‘plantengeslacht’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kløver ‘plantengeslacht’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Zweeds klöver ‘plantengeslacht’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect clave, klāf; clover, calauve ‘plantengeslacht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

klaver* plantengeslacht 1226-1250 [CG II1 Pl.gloss.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal