Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kind - (jong mens)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kind zn. ‘jong mens’
Onl. kint ‘zoon of dochter; jong mens’ in kint manno (mv.) ‘de kinderen der mensen, het mensengeslacht’, kindi cunnigis ‘aan de zoon van de koning’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], sprach ysaac zo them kinde ‘sprak Izaak tot het kind’ [1151-1200; Reimbibel]; mnl. kint.
Os. kind (mnd. kint); ohd. kind (nhd. Kind); ofri. kind (ontleend aan het mhd.; nfri. kyn, bijv. in huorrekyn ‘hoerenkind’, naast het gewone woord bern ‘kind’); < pgm. *kinþa- (o.), afleiding van dezelfde wortel als in → kunne.
Daarnaast staan diverse verwante stammen. Pgm. *kinþi- (v.), waaruit: on. kind ‘geslacht; kind’ (nno. kind); got. kindins ‘bevelhebber’ (< ‘hoofd van een stam’). Ablautend pgm. *kunþa- (bn.) ‘van de aard’, waaruit: os. -cund; ohd. -kund; oe. -cund; on. -kundr; got. -kunds. Met grammatische wisseling pgm. *ga-kundi-, waaruit oe. gecynd ‘aard, ras’ (ne. kind) en de afleiding gecynde ‘aardig’ (ne. kind). Niet verwant met ne. child ‘kind’ en evenmin met kid ‘jonge geit; kind’.
Bij elk van deze Proto-Germaanse stammen bestaan verwante woorden in andere Indo-Europese talen: pgm. *kinþa- < pie. *ǵenh1-to- (Latijn genitus ‘afstammend van’, Avestisch -zanta, -zənta ‘geboren’, Oudwelsh -gint ‘kind’); pgm. *kinþi- < pie. *ǵenh1-ti- (Latijn gēns, genitief gentis ‘geslacht, volksstam’); pgm. *kunþa- < pie. *ǵnh1-to- (Latijn (g)nātus ‘geboren’); pgm. *kun-di- < pie. *ǵnh1-tí- (Latijn nātiō ‘stam’, Sanskrit jātí- ‘geboorte’). Dit alles bij de wortel pie. *ǵenh1- ‘verwekken’ (LIV 163-165).
Kind heeft oorspr. in de nominatief en accusatief geen meervoudsuitgang, zie bijv. de eerste attestatie in het Oudnederlands. In het Middelnederlands komt het meervoud kint nog maar weinig voor en wordt de meervoudsuitgang -e, -en, -(e)r(e) of -(e)ren. Het -r-meervoud wordt al vroeg en aanvankelijk vooral in het westelijk Middelnederlands aangetroffen en ontstond naar analogie van woorden als → rund, → lam 1, → ei, waarvan de -r- wel een oude uitgang is, en die eveneens het-woorden zijn. Ook in het Duits gebruikt men Kinder.
kinds bn. ‘onnozel, zwakzinnig’. Mnl. kinsch ‘kinder-, kinderlijk’ [1240; Bern.], kingsche sieden ‘kinderlijk gedrag’ [1270-90; VMNW], van kinschen daghen ‘sinds de kinderjaren’ [1276-1300; VMNW], ‘onnozel, naïef’ in dine tale es harde kintsh ‘je woorden zijn heel onnozel’ [1290; VMNW]; vnnl. kindsch worden ‘weer als een kind worden (van oude mensen)’ [1599; Kil.]. Afleiding van kind met bijvoeglijk achtervoegsel → -s. Mnl. kints had oorspr. nog een neutrale betekenis, die later min of meer is overgegaan op de afleiding kinderlijk.
Lit.: H.D. Meijering (1985), Chindh uuirdit uns chiboran: over het woord ‘kind’ in het oudere Duits, Amsterdam; B. Meineke (1987), Chind und barn im Hildebrandslied vor dem Hintergrund ihrer althochdeutschen Überlieferung, Göttingen; M. Philippa (1989), ‘Het meervoud op -ar in het Oudfries’, in: ABäG 28, 5-20

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kind* [jong mens, zoon of dochter] {oudnederlands, middelnederlands kint 901-1000} oudsaksisch, oudhoogduits, oudfries kind (o.) [kind en direct daarbij behorende betekenissen als zoon, jonge man e.d.], oudnoors kind (vr.) [geslacht, maar later ook wel kind], gotisch kindins [bevelhebber, d.w.z. hoofd van de stam]; de oorspr. betekenis van het vr. zn. is ‘geslacht’, het o. ‘kind’ in de meer noordelijke germ. talen is een ontlening uit het zuiden (hoogduits Kind), dat gezien moet worden als een overgang van collectief naar nomen unitatis; buiten het germ. latijn gens [geslacht, volksstam], grieks genos [geslacht, familie, kind], oudindisch janas- [geslacht], jantu- [kind, schepsel], verwant met kunne1. Voor de uitdrukking kind noch kraai hebben vgl. kraai2; voor de uitdrukking een ondergeschoven kind vgl. ondergeschoven. De uitdrukking het kind van de rekening zijn [de dupe zijn] heeft vermoedelijk later de toevoeging van de rekening gekregen. In de 17e eeuw kwam namelijk voor het kind zijn [er lelijk aan toe zijn] en iemand voor het kind houden [iem. voor de mal houden].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kind znw. o., mnl. kint, onfrank. kint, os. kind, ohd. chind, ofri. kind < germ. *kinþa te vergelijken met okymr. -gint ‘kind’, av. -zanta, -zənta ‘geboren’. Daarnaast *kinþi- in on. kind v. ‘wezen, geslacht, nakomelingen’, vgl. got. kindins ‘stadhouder’ en verder lat. gens ‘geslacht, stam’, av. frazaintiš ‘nakomelingschap’. — Afl. van de idg. wt. *ĝen ‘verwekken’ (IEW 373-375). — Zie verder: koning en kunne.

Andere germ. woordafleidingen zijn on. kundr ‘zoon’, got. -kunds ‘afstammend van’ (< *gṇto-); got. knōþs ‘geslacht’, ohd. knōt, knuot, vgl. gr. –gnētós ‘geboren’, gnōtós ‘verwante, broeder’, oi. jñāti- ‘verwant’ (eig. verwantschap) < idg. *ĝnēto-, ĝnōto-. vgl. ook ohd. knuosal, oe. cnōsl ‘geslacht, stam’. — Verder oe. cennan ‘verwekken’, on. kenna ‘baren’, vgl. ook ouder-nnl. kennen ‘verwekken’. — Het ww. vinden wij idg. in oi. jánăti, olat. genō, gr. genésthai ‘verwekken, baren’ (thematisch praesens); oi. jajanti, av. zizǝnti ‘baren’, oiers gignithir ‘hij zal geboren worden’, gr. gígnomai ‘wordt, ontstaat’, lat. gigno ‘verwekken’ (athematisch geredupliceerd praesens). — Opmerkelijk is de enge verbinding van de wortels *ĝen, ĝnē, ĝnō, die betekenen 1. verwekken en 2. erkennen, kennen (vgl. F. R. Schröder PBB 43, 1918, 495) en waarvoor zie nog: kunnen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kind znw. o., mnl. kint(d) o. = onfr. kint(d), ohd. chind (nhd. kind), os. ofri. noorw. dial. kind o. ’t Ags. heeft cild o. (eng. child) “kind”, een geheel ander woord, zie kalf. Germ. *kinða- is een hochstufige participiaalvorm van de basis ĝen(ê)- (ĝenâ-?) = okymr. -gint “kind”, av. zanta-, zǝnta- “geboren”. Dezelfde klanktrap in on. kind v. “geslacht”, got. *kinds (waarvan kindins m. “stadhouder”) = av. (fra-)zainti- “nakomelingschap”, wsch. ook = lat. gens “geslacht”, dat echter ook idg. *ĝen-ti-() zou kunnen zijn. Hiernaast oi. jâti- “geboorte, geslacht” < *ĝenǝ-ti-(). Een schwundstufig deelw. is het tweede lid van got. himina-kunds “hemelsch”, ags. heofon-cund “id.”, on. âs-kunnr “van goden stammend”, = gall. (Cintu-)gnâtus en lat. nâtus (of idg. ĝnâ-?) “geboren”, gr. gnōtós “bloedverwant, broeder”, oi. jâtá-, av. zâta- “geboren” (*ĝenǝ-tó-). Verder is nog verwant ags. cennan “baren, voortbrengen” en de bij knaap, koning, kunne besproken woorden. Buiten het Germ. vgl. o.a. ier. gainithir “hij wordt geboren”, lat. gigno “ik breng voort”, gr. gígnomai “ik word geboren”, arm. cin “geboorte”, oi. jánati “hij brengt voort”; ook — formeel met kind identisch resp. na verwant — lat. genta (glosse), alb. dhender, lit. żéntas, obg. zętĭ “schoonzoon”. Obg. čędo “kind” is uit het Germ. ontleend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kind o., Mnl. id., Onfra. en Os. id. + Ohd. kind (Mhd. kint, Nhd. kind), Ofri. kind, met den normalen stamgraad; daarnevens Os. -kund, Ohd. -kund, Ags. -cund, On. kundr, Go. -kunds, met den zwakken stamgraad van Germ. wrt. ken, Idg. wrt. g̃en = telen, voortbrengen: Skr. janas = geslacht, jantus = kind, janī = vrouw, Gr. génos = geslacht, génesis = geboorte, gí-gnomai = ik word geboren, Lat. gens, genus = geslacht, genitus = geboren, kind, gi-gnere = telen, Osl. žena = vrouw, Lit. gentis = verwant (z. kunne, kunnen, koning en knie). — Ags. cild (Eng. child) is een ander woord, verwant met Go. kilþei = schoot.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

keend (zn.) kind; Aajdnederlands kint <901-1000>. De meervoudsvorm kinder kinderen; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) kinder, Middelnederlands kinde(ren) <1300-1400> < Duits Kinder.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kind: als kind van huis zijn (was, is geweest), kind aan huis zijn. Hij is als kind van huis bij die mensen.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kind: afkomeling v. menslike ouers; Ndl. kind (Mnl. kint), Hd. kind, verw. aan Lat. gens, “geslag”, gigno, “ek verwek”, Gr. gignomai, “ek word gebore” – nie verb. m. Eng. child nie.

kinta: aanspreek- en sg. ‘kosevorm’ v. kind; Ndl. ou dim. kintgen kon misk. ’n rol gespeel het, maar dgl. affekgelaaide vokfv. mntl. te besien i. d. lig v. Verde (131-5) se verkl. v. kyn(t)s by Bredero – Afr. het sulke vorme met -s (q.v.): mams, paps (ook Ndl.), ander met -a (q.v.): boeta, kinta, ander met -a en -s: gatta, gats en nog ander met -a of -s: honnakats – ’n verskynsel wat verdere bestudering vereis.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Kind snw., Segsw.: eers kindjie sien, dan vader staan. – Tuinman I. 89: eerst het kindje kijken, eer men de minne drinkgeld geeft: Harreb. II, XXXII: Eerst het kindje kijken, en dan bakeren. Volgens Van Rijn 56 is eers kindje zien, dan vaartjie staan ook Hollands.

Thematische woordenboeken

J. van de Kamp en J. van der Wijk (2006), Koosjer Nederlands: Joodse woorden in de Nederlandse taal, Amsterdam; inclusief ongepubliceerde aanvullingen door de auteurs

kinderen Israëls, (alle) jiddische kinderen: de joden, alle joden; alle jiddische kinderen!: mochten alle joden ditzelfde voorrecht genieten, ditzelfde geluk smaken! | leenvert. van Jidd. ‘benei Jisrooël’: kinderen van Israël: (Jacob), resp. ‘ouf ale jidisje kinder gezagt geworren’: moge het alle joodse kinderen ( joden) toegewenst zijn

— Toen had hij de soep geproefd van Saartje. “Hoor eens moeder, ik heb soep gegeten in East End, en ik heb soep gegeten in Broadstreet maar zo’n soep... nóh u weet het wel... alle Jiddische kinderen an een sjabbes zo’n soeppie... dan zijn ze niet gevloekt...” “Omijn!” zei de oude de Leeuw... (BERNARD CANTER, 1904)
— Mijn gasten zeggen vaak dat ze nergens zulke lekkere kippesoep krijgen als bij mij. Dat je duidelijk merkt ‘dat er een jiddische hand overheen gegaan is’ en dat je zo’n soep niet ‘in een hop en een sjop’ kan maken. Maar dat doe ik wel. Ik maak mijn soep in de pressurecooker. Dan is mijn kippesoep in drie kwartier klaar. Alle jiddische kinderen! (BECCY DE VRIES & ESTHER WERTHEIM, 1974)
— Het lukte mij niet in de joodse godsdienst meer te ontdekken dan het vehikel dat de kinderen Israëls, die daarbij wel kleerscheuren opliepen maar hoge verwachtingen bleven koesteren, door de wereldgeschiedenis had geloodst, a streetcar named Desire, met Mozes aan het stuur en de tora in de achterbak. (CARL FRIEDMAN, 1993)
— De omgang met de ‘kinderen Israels’ en hun gezangen inspireerden de Lutherse Max Bruch tot een zeer populaire compositie. (SABINE LICHTENSTEIN, 1997)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Kinderen Gods, des Heren, gelovigen; soms in het algemeen: mensen.
Kinderen des lichts, uitverkorenen, gelovigen; verlichte geesten.

Beide verbindingen horen eigenlijk thuis in het taalgebruik van gelovige christenen, maar worden, vooral in ironiserende zin, ook daarbuiten wel aangetroffen. Zie voor een bijbelse bron bijvoorbeeld Johannes 1:12: 'Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden' (NGB-vertaling), en in Efeziërs 5:8: 'Want gij waart vroeger duisternis, maar thans zijt gij licht in de Here; wandelt als kinderen des lichts' (NGB-vertaling). Soms wordt ook kinderen des Heren gezegd.

Liesveldtbijbel (1526), Romeinen 8:14. Want die de gheest goods drijft, die sijn kinderen gods.
Zij storen zich niet aan de waanzin van 'comme il faut' en doen daarmee precies, meldt de schrijfster herhaaldelijk onder bedekte termen, wat andere kinderen Gods ook doen: geboren worden, leven, rotten en vervolgens de pijp uitgaan. (Utrechts Nieuwsblad, 1-12-1988)
[...] die zeggen 'dat die twee elkaar immers op het gebied van het geestelijk leven zo goed kunnen vinden. En is het niet zo dat de kinderen des Heeren het zwaarst worden bezocht'? (NRC, juni 1994)
Liesveldtbijbel (1526), Efeziërs 5:7-8. Want ghi waret voortijts duisternisse, maer nv zijt ghi een licht inden heere. Wandelt gelijc die kinderen des lichts.
Hierin [in de Dode Zee-rollen] lezen wij immers van een joodse groepering die een opvallend isolement tot haar omgeving uitdrukte in termen van de 'kinderen des lichts' tegenover die der duisternis. (NRC, dec. 1994)
In de 'Drie kantieken voor tijdgenoten' schrijft hij [P.H. Dubois] niet toevallig de achttiende-eeuwers Francesco Guardi, Denis Diderot en Joseph Haydn aan, kinderen van het licht en de Verlichting. (Vrij Nederland, 13-5-1995)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kind. In het hedendaags Nederlands komen de volgende verwensingen voor: krijg een koperen kind, dan kun je je de hele dag de klere, de tering, de tyfus poetsen of dan kun je je de kanker poetsen; krijg een kind met een gouden hoofd! (Van Eijk 1978: 80); krijg een kind met een koperen kin, kop, dan kun je je (de hele dag) lam, de klere poetsen! of Amsterdams dan ken je je rot poetsen! Ook Amsterdams is krijg een kind met een koperen harses, dan kun je je het lazarus poetsen! In Delden gebruikt men krijg toch een kind! ook als verwensing. De grondbetekenis duidt op twee belangrijke elementen: de ongemakken van de baring en noodzaak van voortdurend onderhoud van metaal, wat eveneens grote inspanningen vergt. Men wenst zijn gesprekspartner, in een vervloeking die lijkt op een gebed zonder einde, uit boosheid, wrevel, woede, verbijstering, maar vooral ook uit machteloosheid, hevige ongemakken toe. Ook twintigste-eeuws is je kunt een kind door je neus krijgen!, dat o.a. opgetekend is in Zeeuws-Vlaanderen, Vlissingen en het Twentse Deurningen. Meestal wordt deze verwensing voorafgegaan door wat mij betreft.kin, kolere, lijden (2).

H. Beem (1975), Resten van een taal: woordenboekje van het Nederlandse Jiddisch, Assen

kinder kinderen; alle jiddische kinder! mochten alle joodse kinderen, dit goede genieten.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kind, van den Germ. wt. ken, Idg. gen: voortbrengen. Zoo bezat het Got. een achtervoegsel kunds, dat afstammende van bet.; ook heeft ’t Got. kuni = geslacht, ons kunne. De wortel gen komt ook voor in ’t Lat. genus = geslacht; Gr. genesis = geboorte, wording; vgl. ons 1e bijbelboek, dat de wording der wereld enz. behandelt. Zie Evenknie en Koning.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kind ‘jong mens, zoon of dochter’ -> Engels kinchin ‘klein jongetje of meisje’ (uit Nederlands of Duits); Frans dialect kin; quinquin ‘vriendelijke aanspreking van kleine kinderen’; Creools-Portugees (Ceylon) hender ‘kinderen’; Negerhollands kind, kint, kin, ken, mv. kinders ‘jong mens, zoon of dochter’; Skepi-Nederlands kente ‘jong mens, zoon of dochter’; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † kin ‘jong mens, baby’ <via Negerhollands>.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

Slaap, kindje, slaap [liedregel] (1856). De Belg E. de Coussemaker (1805-1876) neemt in zijn Chants populaires des Flamands de France het lied op waarvan de eerste strofe luidt: “Slaapt, kindeke, slaapt / Iu vader hed ä schaapje / En ’t draagt al witte voetjes / En ’t drinkt de melk zo zoetjes [...]” Hiervan is in 1871 voor het eerst een versie in Nederland opgetekend.

R. Schutz (2007), Brekend nieuws, Nijmegen

kinderen van een mindere god. Letterlijke vertaling van Engels children of a lesser god = kansarmen, misdeelden; Titel van een film uit 1986 van Randa Haines die zich afspeelt op een dovenschool; In Antwerpen verhuurden verschillende joden hun vuile, vieze zolder met zes bedden a rato van 10.000 frank per bed aan Polen zonder verblijfsvergunning. Van uitbuiting gesproken. Maar de uitverkorenen van Jahweh mogen dat, ten opzichte van kinderen van een mindere god. (1999); Mahatma Ghandi gaf ze de naam 'arijans' (kinderen van God), maar door het systeem van apartheid, van ongekende maatschappelijke uitsluiting en vernedering voelen ze zich eerder kinderen van een Mindere God; Want het gaat om ama's, alleenstaande minderjarige asielzoekers, een soort kinderen van een mindere God; Het streven moet zijn om zo veel mogelijk inwoners van Flevoland te laten kiezen voor de eerste weg links, zodat de publieke sector weer de plaats krijgt die haar toekomt, de enorme verschillen in inkomens en vermogens drastisch worden verkleind en afgerekend wordt met de neoliberale filosofie om natuur en milieu als kinderen van een mindere god te beschouwen.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kind* jong mens, zoon of dochter 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1140. Kind noch kraai hebben,

d.w.z. geene bloedverwanten hebben, voor niemand te zorgen hebben. In de litteratuur is kind noch kraai eerst in de 17de eeuw aangetroffen o.a. bij V. Beaumont, 46; V. Moerk. 499; Ogier, 42: Een Wijf, daer ick noch kint noch kraey by en creegh; Westerbaen II, 244: Ick heb hier gheen nicht' of neven, noch kind noch kray, noch vriend noch maegh: ick ben alleen; zie verder Tuinman I, 169; Harreb. I, 405. In de middeleeuwen kende men kint noch craetHiernaast in 't mnl. kint noch raet hebben (zie Tijdschr. XXXIV, 280). hebben, waarin craet eig. beteekent gekraaiMnl. Wdb. III, 2030: hanencraet, hanengekraai. en bij overdracht het dier dat kraait, de haan (vgl. eene wilde kraai van een meidVgl. het fri. sa wyld as in ka, zoo wild als een kraai; hd. eine wilde Krähe.; een oude zeur, een grijn, een klets, een drens, een kal (Zaansch), een brul (Antw. Idiot. 307), een smots (Kl. Brab.). In de Taalk. Bijdr. II, 43 lezen we aangaande den oorsprong dezer spreekwijze: Men weet, hoe bij onze voorouders de huisdieren in eere stonden. Boven alle was de haan in achting, het zinnebeeld der waakzaamheid. Het volksgeloof bracht mede, dat hij den moordenaar aankraaide, van wiens aanslag hij getuige was geweest. Daarom nam men hem mede naar het gerecht, om òf eigen eed door zijn stilzwijgen te bevestigen, òf dien der tegenpartij door zijn kraaien te logenstraffen. ‘Wird’, zoo leest men bij Grimm, D. Rechtsalterth. 588, naar eene aanhaling uit Joh. Müller, ‘wird ein ganz ohne hausgesinde lebender mann nach der nachtglocke mörderlich angefallen und tödtet den frevler, so nimmt er drei halme vom strohdach, seinen hund vom seil, .... den han von der hünerstange, mit vor den richter, schwört und ist des todschlags schuldlos’. Daar zien wij onze zegswijze ontstaan! Hoe slecht is zoo iemand, die zonder huisgezin leeft, er aan toe, wanneer hij niet eens een haan bezit! Anderen verschijnen voor den rechter, omstuwd van magen, van eedhelpers, die hun ter zijde staan. Maar hij, de verlatene, heeft niemand om hem bijstand te bieden: geen kind om vóór hem te getuigen, geen haan om zijne onschuld te staven: hij heeft kind no craet’.Franck-v. Wijk, 342 maakt bezwaar tegen deze afleiding wegens den verbogen vorm (met kinden ende met) kraten (vgl. echter lid - litten, looden, loten). De mogelijkheid bestaat, dat in het Mnl kint no craei naast kint no craet bekend geweest is. Zoo niet, dan is craet later verdrongen door kraai. Van een ontstaan van kraai uit een verbogen vorm krade is met het oog op craten geen sprake. Men kan ook met het Ndl. Wdb. VIII, 9 eenvoudiger verklaren: ‘geen kind en geen haan hebben, een ledig erf bezitten, alleen op de wereld zijn, waarbij men bedenkt dat huisdieren bij de oude Germanen zelden of nooit ontbraken.’ In het hd. kent men ook: er hat weder kind noch kegel (= bastaard); kind noch rind; kind noch kücken (ook vroeger bij ons kind noch kuiken (Sart. II, 2, 58Thans nog te Deventer (zie Draaijer, 22 a), in Twente en in Groningen (Molema, 231 a).); in het Nederduitsch kind noch kacks (= gekakel); nich kind, nich hind; nich kind un kegel; nig kind noch kiken; in Belg. Limburg kind noch kief (= bastaard); in het Westvlaamsch kraaie noch maaie (Volksk. XII, 127), kin noch ken; noch kind noch ken (vgl. Joos, 43 en eng. nor child nor chicken; neither kith nor kin); in het Hagelandsch: kind noch graad (Tuerlinckx, 316); in het Haspengouwsch: noch kind noch keef (bastaard); volgens Schuermans, 239: noch kind noch kief; in het Fransch: il n'a ni cheval ni âne, ni âne ni mulet; in het Friesch: bern noch boet; bern noch neat; kyn noch kúk; in het Groningsch: gijn kui of mui, hebben; zie Taalgids IV, 285; Nieuw Archief, 235; Afrik. hij het kind nog kraai.

1141. Het kind van de rekening zijn,

d.w.z. moeten betalen, het gelag moeten betalen (vgl. het fri.: hy moat de pot fortarre): alleen de nadeelen van iets ondervinden; het moeten ontgelden; gesjochten zijn; Zaansch: kust lijden; mnl. te coste liden. In Antwerpen zegt men hiervoor: den beer zijn (fri. hy is de bear); elders: de wees zijn (Schuerm. 36 a; Antw. Idiot. 1427); in 't Hagelandsch: de bok zijn, d.i. être le dindon de la farce (Tuerlinckx, 89); Joos, 80: den duts, uil, aap, het schaap van het spel zijn; fr. être la dupeVgl. Hatzfeld, 801 b: Dupe, huppe, oiseau à apparence stupide. ou le boeuf. In de 17de eeuw komt voor het kind zijn (Coster, 36 vs. 799; ook Tuinman I, 278) in den zin van er leelijk aan toe zijn, gefopt zijn en ‘iemand voor het kind houden’ (V. Moerk. 278 of Kluchtsp. II, 184), ‘iemand voor den mal houden’, zoodat de uitdr. wellicht vergeleken mag worden met ‘de gek van de feest’ zijn, dat we aantreffen in Oogentroost, 303Vgl. ook Hofwijck, vs. 124: De Wijzen eten me, de gecken doen den kost; fr. les sots font les banquets et les sages s'en gaudissent; les fous font les festins et les sages les mangent.. Later kan ‘van de rekening’ er aan toegevoegd zijn, door de gedachte aan ‘het gelag moeten betalen’. Zie Harreb. I, 405; Afrik. die kind van die rekening.

1142. Het kind bij zijn (rechten of waren) naam noemen,

d.w.z. de dingen noemen met hun waren naam, zonder er doekjes om te winden, onverbloemd; de zaak zeggen, zooals ze inderdaad is; Harreb. I, 136; Nest, 5: Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen t' is één moers kind. Vgl. het hd. das Kind beim rechten Namen nennen (18de eeuwZeitschr. f. D. Wortf. IX, 294.); het fr. appeler un chat un chat; ital. chiamare la gatta gatta en het eng. to call a spade a spade or a pikestaff a pikestaff. In Zuid-Nederland het kind moet 'nen naam hebben (Antw. Idiot. 650; Teirl. II, 133; Claes, 110; Waasch Idiot. 341 b), men verbergt de ware oorzaak, men komt met een uitvlucht voor den dag; in Noord-Nederland: men moet, hoe dan ook, de zaak aanduiden; het kind eenen naam geven, eene kale verschooning bijbrengen (Schuerm. Bijv. 160 b; Rutten, 112 a en Joos, 112), in welken zin deze zegswijze ook bij ons bekend is; Afrik. die kind by sy naam noem. Vgl. ook de zegswijze als 't kind maar een naam heeft, fri. as 't bern mar in namme het, gebezigd om te kennen te geven, dat het er weinig op aankomt hoe iets heet, als de bedoeling maar duidelijk is; Tuinman II, 73; Harreb. I, 404: Het kind moet eenen naam hebben, al heette het dan ook Roeltje, d.w.z. men moet, hoe dan ook, de zaak aanduiden. In de 17de eeuw het kind eenen naem geven, precies zeggen waar 't op staat, nauwkeurig iets bepalen, bijv. het loon voor een bepaalden arbeid; vgl. Vierl. 57; 220; 309: (Een) iegelijcken wacht hem ijet te doenne hij en weet waervoren ende dat het kint eenen naem gegeven worde.

1143. Het kind met het badwater weggooien (-werpen),

d.w.z. het goede tegelijk met het slechte wegwerpen; te ver gaan, overdrijven; vgl. De Brune, 477: Men zal 't kind niet met 't bad uyt-schudden; Harreb. I, 27: Men moet het kind niet met het bad uitschudden of met het water het kind niet uit de kuip gieten; Handelsbl. 16 Dec. 1913, p. 5 k. 3 (ochtendbl.): Door tot die opheffing over te gaan, en zich slechts tot het aankweeken van Militie-officieren te bepalen, zou men het kind met het waschwater wegwerpen; Nkr. VI, 23 Mrt. p. 2: Men moet nooit het kind met het badwater weggooien; Amsterdammer, 15 Febr. 1914, p. 2 k. 2: Maar op het oogenblik is het socialisme toch het eenige houdbare levens-systeem en ik vind men moet het kind niet met het badwater wegwerpen; De Ploeg, VI, 286: Zooals vaak, heeft men nu ook hier het kind met het waschwater weggeworpen; Handelsblad, 2 Maart 1914 (avondbl.), p. 7 k. 2: Wordt het (publiek) zoodoende niet min of meer het kind van de (onopgeloste) rekening? Een kind dat we toch ongaarne met het spraakwater der discussie zouden weggeworpen zienEr is sprake van de speelbaarheid van Vondel's Samson.; J.v. Looy, Jaapje, 100; Taal en Lett. 1901, bl. 131; hd. das Kind mit dem Bade ausschütten (bij Luther). Tuinman II, 10: Men moet de vloer niet met de vuiligheid uitvagen, dit wil zeggen, dat men zulk eene zuivering van het verwerpelijke niet moet doen, dat ook het goede wordt weggesmeten. Dus zeiden de Hoogduitschen men moet het kind niet uitgieten met het bad, t.w. waar het in afgewasschen is; Harreb. I, 344.

1144. Kinderen zijn een zegen des Heeren,

gewoonlijk met het achtervoegsel maar zij houden de noppen van de kleerenVgl. De Brune, 182: 't Ghetal van kinders aen den heyrt de noppen van de kleeren weert.. Vgl. Smetius, 49: Een jeghelijck seght dat kinderen een segen Godes sijn; 59: Kinderen zijn een segen des heeren, dan sie keeren de noppen van de kleeren; Brederoo I, 325, 484: Kinderen zijn gaven Gods. Deze zegswijze herinnert aan Psalm 127 vs. 3: Siet, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren (met de kantteekening: dat is: een segen van den Heere gegevenIn de Leidsche Bijbelvertaling: Zie, zonen zijn een erfdeel van Jahwe.. Zie verder Tuinman I, 91: Kinderen zyn een zegen des Heeren; maar zy houden de noppen van de kleeren; Antw. Idiot. 650: de kinderen houden de knoppen van de kleeren; Zeeman, 272 en Wander II, 1294: Kinder sind Gottes Segen; viel Kinder, viel Segen; fr. les enfants sont une bénédiction du Seigneur; oostfri. föl kinner, föl segen (Dirksen II, 48In de Leidsche Bijbelvertaling wordt de volgende toelichting bij Psalm CXXVII, vs. 3-4 gegeven: Ook hierom zijn dezen (de zonen der jeugd = de krachtigsten) voor de ouders een groote zegen, omdat zij, nog bij hun leven volwassen, dezen het meest steun kunnen bieden tegen hunne vijanden.); Afrik.: kinders is 'n seën van die Here, maar hulle hou die mot uit die klere.

1145. Kinderen en dronken menschen zeggen de waarheid.

Bij ons komt deze gedachte reeds voor in de Middeleeuwen, blijkens Van Zeden, no. 38:

Wiltu weten heymelichede
Der dinghen, kindre ende sotte mede
Ende dronckaerts, elc so hijt peinst,
Werpt huut zijn woort ongheveinst.

Zoo ook in den Lekensp. III, 5, 281; Bienb. hs. A, fol. 108 c: Vanden kijnderen ende vanden bedruncken menschen verneemt mep die waerheitVan der Vet, Het Biënboéc van Thomas van Cantimpré en zijn Exempelen, 61.; Matthyszen, 108, 3: Droncken luden, dwaze ende kinder pleghen garn wair te segghen; bij Servilius, 173: Jonge kinderen ende droncken luyden segghen ghemeynlijck de waerheit; De Brune, 189: Kinders, droncke lien, en zotten, lieghen nimmers, noch en spotten; Korenbl. II, 487: De waerheit werdt geseght door kinderen en gekken. Zie verder Bebel, 276; Suringar, Erasmus CI, bl. 496, waar gewezen wordt op de woorden van Alcibiades in Symposio Platonis: οινος ανευ τε παιδων, και μετα παιδων ην αληθης; Matth. 21, 16; Harrebomeé I, 214; Eckart, 261; Wander II, 1297. Variant: kinderen en gekken zeggen de waarheid; vgl. Goedthals, 9: Kinderen en sotten gheraken waer te seggen, enfants et sots sont divins; Afrik. Kinders praat die waarheid; Breuls, 90: Kinder en zate lui zekge de woerheid; hd. Kinder und Narren reden die Wahrheit; oostfri. Kinner un dune lii (of un narren) seggen de wârheid (Dirksen I, 51); eng. Childern, drunckers and fooles can not lye (anno 1539); Plinius, Nat. Hist. 14, 141: Vulgoque veritas iam attributa vino est; mlat. Interdum pueri vox est prenuncia veri (Werner, 43); fri. fen dronken ljue en lytse bern (kinderen) hjaart man de wierheit.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑en-1, g̑enǝ-, g̑nē-, g̑nō- ‘erzeugen’, Nominalbildungen: g̑enos-, g̑ono-s, -g̑eno-s, -g̑no-s, -g̑n̥i̯o-s, -g̑ni̯o-s, g̑enǝ-ter-, g̑enǝ-ti- : g̣n̥̄-ti-, g̑en-ti-, g̑ene-to-s, g̑enǝ-to-s : g̑n̥̄-tó-s, g̑enǝ-ti-s, g̑nō-ti-, g̑nō-to-

Thematisches Präs. ai. jánati ‘erzeugt, gebiert’, alat. genō, gr. γενέσθαι (ἐγένοντο = ai. ajananta), vgl. air. -genathar Konj. (zum Indik. -gainethar ‘der geboren wird’ aus *gn̥-i̯e-tro), auch cymr. genni ‘geboren werden’, bret. genel ‘gebären’;
redupl. Präs. unthematisch ai. jajanti, av. zīzǝnti (v. 1. zazǝnti), themat. av. zīzanǝnti ‘sie gebären’; Konj. zīzanāt̰ ‘sie soll gebären’, kaus. Aor. ai. ájījanat ‘hat geboren’, air. Fut. gignithir (*g̑i-g̑enā-) ‘er wird geboren werden’ und mit (älterer) Schwundstufe der Wz. gr. γίγνομαι ‘werde, entstehe’, lat. gignō, -ere (genui, genitum) ‘erzeugen, hervorbringen’;
Perf. ai. ja-jñ-é ‘ich bin geboren’, 3. Sg. jajā́na, 3. Pl. jajñúr, gr. γέγονα, *γέγαμεν, γεγαώς (Schwyzer Gr. Gr I 767, 769), air. rogēnar (*ge-gn-) ‘natus sum’;
n-Präs. av. zā-n-aite ‘sie werden geboren?’ (*g̑n̥̄-nā́-mi), arm. cnanim, Aor. cnay ‘werde geboren; erzeuge, gebäre’ (I 456; *gnǝ-n-), gr. γεννάω ‘gebäre, erzeuge’ (*g̑n̥̄-nā-? anders Meillet BSL. 26, 15 f.; postverbal ist γέννα ‘Geburt, Ursprung’, wovon γενναῖος ‘einem Geschlecht angehörig, von vornehmer Abkunft’); vgl. Schwyzer Gr. Gr I 694
Kaus.-Iter. ai. janáyati ‘erzeugt, gebiert’ = ags. cennan ‘erzeugen’ (*g̑onéi̯ō); i̯o-Präs. ai. jā́yatē ‘wird geboren’ (davon jāyā ‘Weib’), npers. zāyad (*g̑en-ǝi̯ṓ; daneben g̑n̥-i̯ṓ in:) av. zayeite ds.; mit Hochstufe des 2. Basisvokals *g̑nē-i̯ō: ir. gnīu ‘ich mache, tue’ (‘*erzeuge’);
sko-Präs. lat. nā-scor (*gn̥̄-skṓ-r) ‘werde geboren’;
to-Partiz. und ähnliches: ai. jātá-ḥ ‘geboren’ (jātá-m ‘Geschlecht, Art’), av. zāta-; lat. nātus (cognātus, agnātus) ds., ‘Sohn’, pälign. cnatois ‘nātīs’ (*gn̥̄-tós; so wohl auch :) gall. Cintu-gnātus ‘Erstgeborener’ (könnte an sich auch = gr γνωτός sein), f. gnātha ‘Tochter’; anord. kundr ‘Sohn’, got. -kunds (himina- u. dgl.) ‘abstammend von’, ags. heofon-kund, mit þ anord. ās-kunnr ‘von göttlicher Abkunft’; hochstufig lat. genitus (*genǝ- oder *gene-tos, wie :) gall. geneta ‘Tochter’, expressiv cymr. geneth (*genetta) ds., air. aicned ‘Natur’ (*ad-g̑enǝ-tom oder *-g̑ene-tom); lit. žéntas ‘Schwiegersohn’ (*g̑enǝ-to-s), gentìs ‘Verwandter’ (mit g nach gim̃ti ‘geboren werden’), aksl. zętь m., skr. zȅt ‘Schwiegersohn, Schwestermann’ (*g̑enǝ-ti-s), mit geschwundenem e ahd. kind ‘Kind’ (*g̑én-tom), as. kind (*g̑entóm) ds.;
mit Vollstufe der zweiten Basissilbe gr. -γνητός ‘geboren’ (διό-, κασί-; urgr. -η-; γνήσιος ‘vollbürtig’), mit ō-Stufe ai. jñātí-ḥ m. ‘Verwandter’ (ursprüngl. f. ‘Verwandtschaft’), γνωτός ‘Verwandter, Bruder’, γνωτή ‘Schwester’, mcymr. gnawt ‘Verwandter’, got. *knōþs (Dat. knōdai) ‘Geschlecht’, ahd. knōt, knuot ‘Geschlecht’ (vgl. auch ahd. knuosal n. ‘Geschlecht, Stamm’, ags. cnōsl n. ‘Nachkommenschaft, Geschlecht, Familie’), lett. znuõts ‘Schwiegersohn, Schwager’;
von der leichten Basis av. -zanta-, -zǝnta- ‘geboren’ (vgl. φέρτρον : bharí-tram); auch acymr. -gint ‘Kind’ aus gen-t-.
Vgl. an anderen arischen Formen : av. fra-zaintiš ‘Nachkommenschaft’ (gegen ai. prá-jāti-ḥ); av. ząθa- n. ‘Geburt, Entstehung’ (ar. *ž́an-tha-m); ząθra- n. ‘Geburt’ (gegen ai. jánitram ‘Geburtsstätte’); zantu- ‘Landkreis, Gau’ = ai. jantú-ḥ ‘Geschöpf’; av. ząhyamna- Partiz. Fut. (gegen ai. janišyatē, Aor. ájaništa); ai. jánman- n. neben jániman- n. ‘Geburt, Geschlecht, Abkunft’.
Gr. γενετή ‘Geburt’, lat. Genita Mana ‘Name einer Gottheit’, osk. Deívaí Genetaí ‘Divae Genitae’, wozu lat. genitālis ‘zur Zeugung gehörig’;
gr. γένεσις ‘Ursprung’, lat. genetīvus ‘angeboren’; mit geschwundenem ǝ: av. frazaintiš (s. oben), lat. gēns (oder aus *gn̥tí-) ‘Geschlecht, Stamm’ und ‘Völkerschaft, Menge’ (dann wohl ingēns als ‘ungeschlacht’), germ. kindi- in got. kindins (*g̑enti-no-s) ‘Statthalter’, anord. kind f. ‘Wesen, Geschlecht, Nachkomme’.
g̑n̥̄ti- in ai. jātí-ḥ ‘Geburt, Familie’ = lat. nāti-ō ‘Geburt, Geschlecht’, umbr. natine ‘natione, gente’, ags. (ge)cynd f. ‘Art, Natur, Eigenschaft, Ursprung, Nachkomme’ (engl. kind);
tu-St. lat. nātū (maior- u. dgl.) ‘von Geburt’, davon nātūra ‘Geburt, angeborene Anlage, Natur’;
praegnās ‘schwanger’, jünger praegnans, aus *-gnātis.
g̑enǝ-ter- in ai. janitár- ‘Erzeuger, Vater’, jánitrī ‘Erzeugerin, Mutter’, gr. γενετήρ, -ῆρος, γενέτωρ, -ορος ‘Erzeuger, Vater’, γενέτειρα ‘Mutter’, alb. dhëndër, dhândër ‘Schwiegersohn, Bräutigam’ (*genǝ-tr-), lat. genitor, genetrīx (: ai. jánitrī) ‘Erzeuger, -in’;
arm. cnauł ‘Erzeuger, Vater’ (*genǝ-tlo-);
ai. jániman- (und jánman-) n. ‘Geburt, Geschlecht, Abkunft’, lat. germen ‘Keim, Sproß, Zweig’, germināre ‘hervorsprossen’, germānus, -a (-m- aus -mn-) ‘leiblicher Bruder, 1. Schwester’ (*g̑en-men).
g̑enos- in ai. jánaḥ (Gen. jánasaḥ) n. ‘Geschlecht’, arm. cin ‘Geburt’, gr. γένος ‘Geschlecht’, lat. genus ‘Gesamtheit der Nachkommen eines Urvaters; Art, Gattung, Rasse’ (generāre ‘erzeugen’).
g̑on-os in ai. jána-ḥ (Gen. jánasaḥ) m. ‘Geschlecht’, av. (in Kompos.) zana- ‘Volk, Menschenrasse’, gr. γόνος m., γονή f. ‘Geburt, Abstammung’;
-g̑eno-s, -g̑no-s, -g̑eni̯os, -gnios als 2. Kompositionsglied z. B. in lat. capri-genus ‘von Ziegen abstammend’, indigena m. f. ‘eingeboren, Einheimischer’ (= arm. ǝndo-cin, ǝndo-cna-c̣, ‘nato in casa del proprio patrono’), alienigena m. f. ‘ausländisch, Ausländer’;
gall. Boduo-genus, Litu-genius; air. ingen, ogom inigena ‘Mädchen’.
e in ncymr. adian ‘Nachkommenschaft’ (*ati-g̑e), anian, bret. dial. agnen ‘Natur’ (*n̥de-g̑e), Loth RC 36, 106; 39, 63;
mit gr. -γενής, thrak. -zenes (Διογένης = thrak. Diuzenus, Διζένης), vgl. venet. volti-χenei und volti-χnos, illyr. PN Anduno-cnetis (Gen.), Volto-gnas; messap. oroagenas ‘Einwohner von Uria’;
gr. νεο-γνός ‘neugeboren’, got. niu-kla-hs ‘unmündig’ (dissim. aus niu-kna-, mit Formans -ko-), ebenso aina-kla- ‘vereinzelt (aus *-kna-) und lat. singulus (aus *sem-gno-) sowie lat. malignus, benignus, prīvignus (‘abgesondert, d. i. in anderer Ehe geboren, Stiefkind’), kelt. -gnos in Personennamen, ursprüngl. Patronymica, z. B. gall. Truticnos (= Drūtignos), latinis. Druti filius, ogom Gen. Coimagni, ir. Coim-ān; gall. Ate-gnia; gr. ὁμόγνιος ‘von gleicher Abstammung’; über kypr. ἶνις ‘Kind’ (kaum *ἐν-γνις) vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 4503;
*gn̥-i̯o- (wozu obiges -gnio- weitere Schwächung) in lat. genius ‘der Schutzgeist (des Mannes)’, ursprüngl. die personifizierte Zeugungskraft (allenfalls hochstufiges *g̑en-i̯os), got. kuni (*g̑n̥-i̯o-m), ahd. (usw.) chunni ‘Geschlecht’, vgl. got. sama-kunjans Akk. Pl. ‘desselben Geschlechtes’: gr. ὁμό-γνιος; lat. progenies ‘Nachkommenschaft’, air. gein (*genen < *g̑en-n̥) ‘Geburt’, ags. cyne- in Kompos. ‘königlich’, anord. konr ‘Sohn, edelgeborener Mann’ (germ.*kuninga-z in ahd. usw. kuning ‘König’, d. i. ‘einem edlen Geschlechte angehörig, ihm entsprossen’).
g̑n̥̄- in ai. jā-s ‘Nachkomme’, pra-jā ‘Nachkommenschaft’, jā́s-patiṣ ‘Familienvater’ (Meillet MSL. 10, 139);
über lat. ingenuus ‘freibürtig’, genuīnus ‘echt’ s. WH. I 593 f.

WP. I 576 ff., WH. I 590 ff., 597 ff., 868, Trautmann 370, Meillet Cinquantenaire 172 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal