Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kiezen - (uitzoeken, selecteren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kiezen ww. ‘uitzoeken, selecteren’
Onl. *kieson in cunni kindo thinro uuithercosik ‘het geslacht van je zonen wederkoos ik (= keurde ik af)’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. kiesen ‘uitzoeken, selecteren’ in enen uan den wisesten gansen ... mester tekiesene ‘een van de verstandigste gezonde mensen als leidinggevende te kiezen’ [1236; VMNW], thenen hus dat hi core int dorp ‘naar een huis dat hij zou kiezen in het dorp’ [1253; VMNW].
Os. kiosan ‘kiezen’ (mnd. kesen); ohd. kiosan ‘kiezen, proberen’ (nhd. vero. kiesen); ofri. kiasa ‘kiezen’ (nfri. kieze); oe. cēosan ‘kiezen’ (ne. choose); on. kjósa ‘kiezen, wensen, betoveren’ (nzw. tjusa ‘bekoren, betoveren’); got. kiusan ‘beproeven’; < pgm. *keusan- ‘beproeven, proberen’.
Verwant met: Latijn dēgūnere (< *dē-gus-n-) ‘proeven’, gustus, ‘smaak’; Grieks geúesthai ‘proeven, ondervinden’; Sanskrit juṣáte, jóṣati ‘genieten’; Avestisch zaoša- ‘plezier’; Oudiers to-gu ‘kiezen’, asa-gu ‘wensen’; bij de wortel pie. *ǵeus- ‘proeven, proberen’ (LIV 166). Bij de nultrap van deze wortel ontstonden o.a.kust 2 ‘keuze’ < pie. *ǵus-tu-, en → keuren < onl. koron < pgm. *kuzōn-.
De stamtijden van dit sterke werkwoord waren in het Middelnederlands nog kiesen, coos, coren, ghecoren, met -r- in de verleden tijd meervoud en in het verl.deelw. als gevolg van grammatische wisseling en de West-Germaanse klankovergang -z- > -r- (rotacisme). Later ontstonden de huidige vormen kozen, gekozen door analogiewerking. De afleiding uitverkiezen ‘verkiezen boven anderen’ heeft als verl.deelw. nog steeds uitverkoren. De -r- is ook nog te vinden in het zn.keur en in → bekoren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kiezen* [een keus doen] {kiesen [smaken, ondervinden, keuren, kiezen] 1201-1250} oudsaksisch kiosan [kiezen], oudhoogduits kiosan [(be)proeven, onderzoeken, kiezen], oudengels ceosan [kiezen] (engels to choose), oudnoors kjósa, gotisch kiusan [kiezen]; buiten het germ. latijn gustus [het proeven, smaak], grieks geuein [laten proeven], oudiers togu [kiezen], oudkerkslavisch kušiti [proeven, proberen], oudindisch joṣayate [hij heeft plezier in]. De uitdrukking kiezen of delen [moeten kiezen uit twee onaangename mogelijkheden] had oorspr. een iets andere betekenis. De uitdrukking berustte namelijk op de regel dat bij boedelscheidingen de ene partij de kavels deelde en de andere koos.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kiezen ww., mnl. kiesen ‘ondervinden, lijden, onderzoeken, kiezen’, os. kiosan ‘kiezen’, ohd. chiosan ‘proeven, beproeven, onderzoeken, kiezen’, oe. ceosan ‘kiezen, aannemen’ (ne. choose), on. kjōsa ‘kiezen, wensen’, got. kiusan ‘kiezen’. — gr. geúomai ‘proeven, genieten’, lat. deguno ‘proeven’, gustus ‘smaak’, oi. juṣate, joṣati ‘genieten, liefhebben’, av. zuštō- ‘geliefd’, oiers to-gu ‘kiezen’, asa-gu ‘wensen’, idg. wt. *ĝeus (IEW 399). — Zie: bekoren, keur, keus, kies 2 en kust 2.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kiezen ww., mnl. kiesen, “ondervinden, lijden, onderzoeken, kiezen”. = ohd. chiosan “proeven, beproeven, onderzoeken, kiezen” (verouderd nhd. kiesen), os. kiosan “kiezen”, ofri. kiâsa, sziâsa “id., vaststellen”, ags. cêosan “kiezen, aannemen” (eng. to choose), on. kjôsa “kiezen, wenschen”, got. kiusan “kiezen, op de proef stellen” Van een idg. basis ĝeus-, ĝus- “proeven”, waarvan ook ier. to-gu “keus, wensch”, do-rói-gu “hij heeft gekozen”, lat. gustus “het proeven, smaak” (zie kust II), gr. geúō “ik laat proeven”, geúomai “ik proef”, alb. deša “ik had lief”, oi. juṣâte “hij proeft, geniet, houdt van”. Vgl. bekoren, keur, keus, kies, kust II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kiezen o.w., Mnl. kiesen, Os. kiosan + Ohd. kiosan (Mhd. en Nhd. kiesen), Ags. céosan (Eng. to choose), Ofri. kiása, On. kjósa, Go. kiusan + Skr. wrt. juṣ = verkiezen, Gr. geúesthai = smaken, Lat. gustus = smaak. Oier. to-gu = keus: Idg. wrt. g̃e u̯s. Uit het Germ. komt Fr. choisir.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

keze (ww.) kiezen; Aajdnederlands kieson <901-1000>.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kies II: ww., uitsoek, voorkeur gee aan; Ndl. kiezen (Mnl. kiesen), Hd. kiesen, Eng. choose, Got. kiusan, hou verb. m. Lat. gustus, “proef, smaak”, Gr. geuō, “ek laat proe”, geuomai, “ek proe”, ook m. keuse en wsk. ook m. kus (in verbg.: te kus en te keur gaan).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kiezen, eig. proeven, den smaak onderzoeken; later meer algemeen: uitzoeken; van den Germ. wt. kus, Voorgerm. gus, nog aanwezig in ’t Lat. gustus = smaak. (Vgl. ons: te kust en te keur.)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
kiezen. - Bij dit werkwoord staat een bepaling van gesteldheid ingeleid door tot; maar in het Fransch wordt bij choisir die betrekking uitgedrukt door pour; vandaar het gebruik van voor in de onderstaande aanhaling. || Voor onderwerp koos de dichter twee gebeurtenissen, de eene aan de geschiedenis, de andere aan het Germaansche epos ontleend, ROOSES, Derde Schetsenb. 298.

zich kiezen. - Bij kiezen kan, behalve een lijdend voorwerp, ook een oorzakelijk voorwerp staan, dat dan uitgedrukt wordt door een bepaling met voor: men kiest iets voor iemand, en desnoods dus ook voor zich zelven. In Zuid-Nederland vindt men echter niet zelden eenvoudig zich iets kiezen, wat blijkbaar navolging is van een dergelijk gebruik van fr. se choisir. Maar daarenboven gebruikt men in onze taal iets voor zich zelven kiezen alleen dan, wanneer tevens medegedeeld wordt, bij wijze van tegenstelling, wat men voor een ander kiest, zoodat aan fr. se choisir gewoonlijk kortweg kiezen beantwoordt. || Het andere stuk, dat wij noemden, draagt nog klaarder den stempel des meesters, dien Zegers zich koos, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 203. Stel u eens in de plaats van den schrijver. Hij kiest zich eenen held uit de zestiende eeuw, bij voorbeeld. Eerst zal hij opzoeken enz., ROOSES, Derde Schetsenb. 277. Hamerling koos zich eene eeuw, glanzend van licht, ongeëvenaard van grootheid, 292. Ware het te herbeginnen, hij koos zich zeker geen ander levenspad, 374.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kiezen ‘een keus doen’ -> Negerhollands kias ‘een keus doen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kiezen* een keus doen 1240 [Bern.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1136. Kiezen of deelen,

d.w.z. eene keuze doen uit twee (dikwijls onaangename) dingen, eene beslissing nemen; het begrip deelen is geheel op den achtergrond gedrongen. De oorsprong van dit gezegde ligt in een zeer verbreiden regel van burgerlijk recht. Wanneer er een gemeene boedelscheiding geëischt werd, dan had deze in dier voege plaats, dat - waar er twee deelgenooten waren, de een kavelde, de deelen zette, deelde, de ander van de gezette deelen koos wat hem het best behaagde. Ieder deelhebber moest dus een van tweeën, kiezen of deelenZie Mededeelingen v.d. Maatschappij der Nederl. Letterk. 1897/98, bl. 120.. Vgl. mnl. delen ende kiesen; kiesen ende delen, o.a. bij Ruusb. III, 260: Hier omme seg ic u allen die noch inder tijt van gracien sijt, dat ghi kieset ende deylet, met wat geselscap dat ghi leven ende sterven wilt; Goedthals, 90: Kiest en deelt, die neemt voren, heeft ghecoren, qui premier prend, ne se repent; Sart. III, 1, 74: Sy mogen kiesen of deylen. Zie ook Vondel, Jeptha, 917: Kies en deel; Brederoo I, 369, 2006; II, 317, 2329; W.D. Hooft, Verl. Soon, 19; Harrebomée III, 15; Villiers, 61; De Cock1, 57; 114; Antw. Idiot. 649; Rutten, 112 a; Waasch Idiot. 331: kiezen of kavelen; fri. kieze of dele. Syn. hij moet aan de kat of aan de kaas; in Antw. Idiot. 1167: springen of baden; eieren of jongen.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑eus- ‘kosten, genießen, schmecken’, im Germ. und Kelt. ‘wählen’, im Indo-Iran. und Alban. ‘lieben’, nominal g̑us-ti-s, g̑us-tu-s

Ai. jṓṣati, juṣátē ‘kostet, genießt, liebt’, jōsáyatē ‘findet woran Vergnügen’, jṓṣa-ḥ ‘Zufriedenheit, Billigung, Genüge’, av. zaoš-, apers. dauš- ‘Geschmack woran finden’, av. zaošō ‘Gefallen’, zuštō ‘beliebt, erwünscht’; khotan-sak. ysūṣḍē ‘er schätzt’, ysua, ysuyān (ys = z) ‘Leckerei’;
gr. γεύομαι ‘koste, genieße’ (davon γεύω ‘lasse kosten’);
alb. desha ‘ich liebte’, Präs. do dua (*g̑ēus-n-, Jokl IF. 37, 101 f.);
n-Präs. lat. dēgūnō, -ere ‘kosten’ (*gus-nō);
air. asa-gū (*g̑us-s-t) ‘ег wünsche’ (ad-gūsi, asa-gūssi ‘er wünscht’, s. zur Form Pedersen II 549), do-goa (*g̑us-ā-t) ‘er wählt’, Verbaln. togu ‘wählen, Wahl’, Prät. dorōigu ‘elegit’ (*to-ro-g̑i-g̑ēus-t), Pokorny IF. 35, 177 ff., usw. (s. Pedersen aaO.);
got. kiusan ‘prüfen, erproben’, anord. kjōsa ‘wählen, wünschen’ (auch ‘durch Zauberei beeinflussen’, ahd. as. kiosan ‘schmecken, prüfen, wählen’, nhd. kiesen, Kaus.-Iter. got. kausjan ‘prüfen, kosten, schmecken’ (= ai. iōšáyatē); vgl. ags. wæl-céasig ‘leichenwählend’ (vom Raben).
Nomen actionis auf ti-: ai. júṣṭi-ḥ ‘Liebeserweisung, Gunst’, got. ga-kusts f. ‘Prüfung’, afries. kest, ags. cyst m. ‘Gegenstand einer Wahl, Vorzüglichkeit’ (aber gr. γεῦσις erst einzelsprachliche Bildung von γεύομαι aus): auf tu-: lat. gustus, -ūs ‘das Kosten, Genießen’, kelt. *gustu- ‘Wahl’ in den Namen ir. Oengus, Fergus, acymr. Ungust, Gurgust und in air. guss ‘Tüchtigkeit, Kraft’, got. kustus ‘Prüfung’, ahd. as. kust m. ‘Prüfung, Schätzung, Wahl, Vortrefflichkeit’, anord. kostr, -ar ‘Wahl, Willkür, (gute) Eigenschaft’; Ableitung vom Partiz. *gus-tós: lat. gustō, -āre ‘kosten, genießen’= ahd. as. kostōn ‘kosten, versuchen’, ags. costian ‘versuchen, plagen’, anord. kosta, -aða ‘prüfen, sich anstrengen, erstreben’; altes Nomen actionis ist *kuriz in ags. cyre m. ‘Wahl, Urteil’, ahd. kuri f. ds. (nhd. Kur-fürst, Will-kür), mit Übergang ins Neutrum anord. kør ‘Wahl’, ags. ge-cor ‘Entscheidung’, abgeleitet ahd. korōn ‘gustare, probare’.

WP. I 568 f., WH. I 628 f., Feist 312 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal