Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kiel - (kielbalk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kiel 2 zn. ‘bodembalk van een schip’
Mnl. kiel ‘schip’ in gebonden in den kiele ‘vastgebonden in het schip’ [1291-1300; CG II]; vnnl. kiel ‘bodembalk van een schip’ in minder ... dan 16 voeten kyels ‘(schepen met) een kiellengte van minder dan 16 voet’ [1527; WNT], den kiele van den scepe als princepael fondament ‘de kiel van het schip als belangrijkste basis’ [1530; WNT].
Ontleend, misschien via het Middelnederduits, het Middelengels of het Middelfrans (zie onder), aan Oudnoords kjölr ‘id.’. In het Nederlands viel het woord samen met een ouder, niet-verwant woord mnl. kiel ‘schip’, dat daardoor in die betekenis verouderde.
On. kjölr ‘id.’ (nzw. köl) < pgm. *kelu- ‘kiel’, waaruit door ontlening: vnnl. kiel; mnd. kiel [1582; Kluge21] (nhd. Kiel), kēl, kil; me./ne. keel ‘kiel’ [1352; OED]; en buiten het Germaans bovendien Frans quille [1382; Rey].
Bij mnl. kiel ‘schip’ horen: os. kiol (mnd. kīl); ohd. kiol ‘schip’ (nhd. vero. Kiel); ofri *tziāl, zie → tjalk; oe. cēol; on. kjóll; alle ‘schip’, < pgm. *keula-, waaruit door ontlening ook al vroeg Fins keula, nu ‘steven’.
De verdere etymologie van beide Germaanse woorden is onzeker. Pgm. *kelu- is misschien verwant met → keel < pgm. *kelō-.
kielhalen ww. ‘zware scheepsstraf waarbij de overtreder aan een touw onder de kiel werd doorgehaald’. Vnnl. men strafter ... met vangenis, kielhalen ‘men straft er met opsluiting, kielhalen’ [1623; WNT]. Samenstelling uit kiel en → halen. Ouder is wel het volgende citaat: vnnl. onder den kiele deurstricken ‘onder de kiel doortrekken’ [1560; OED keelhaal].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kiel3* [kielbalk] {1527} middelnederduits kil, oudengels cele [scheepssneb], middelengels kele (engels keel), oudnoors kjǫlr.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kiel 2 znw. v. ‘bodembalk van een schip’, sedert Kiliaen ‘scheepsbodem’, maar mnl. kiel m. ‘schip’, os. kiol, ohd. kiol, oe. cēol, on. kjōll ‘schip’. — gr. gaulós ‘lastschip, eig. ‘emmer, kan, bijenkorf’, guliós ‘ransel’, oi. gōlā ‘ronde waterkruik’ (H. Pederson KZ 39, 1906, 459 en voor de overgang van ‘pot’ > ‘schip’ zie J. Trier ZfdPh 70, 1949. 348). — Zie: kuil 1 en kuil 2.

Naast germ. *keula- stond echter ook *kelu vgl. mnd. kil, kel (nhd. kiel), on. kjǫlr ‘kiel’ en oe. cele ‘scheepssneb, dat men met keel 1 verbindt. FW 305 neemt aan, dat de bet. ‘bodembalk’ voor nl. kiel zou zijn toe te schrijven aan invloed van nhd. kiel, waar de beide woorden kiel door elkaar zouden zijn gelopen. — Nl. kiel > fra. quille (reeds 14de eeuw; d.w.z. eerder, dan het eerste optreden in het Nl, zie Valkhoff 206), verder ital. chiglia en spa. quilla, port. quilha. — > me. kele (1421), ne. keel ‘platboomd schip, lichter’ (Toll 71).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kiel II (van een schip), sedert Kil. = “scheepsbodem”. Mnl. kiel m. = “schip”; dit = ohd. kiol m. “groot schip”, os. kiol, ags. cêol, on. kjôll m. “schip”. De bet. “scheepsbodem, bodembalk” was oorspr. eigen aan een ander woord, nml. mnd. kil, kël (nhd. kiel) m., on. kjǫlr m., eng. keel “kiel” (vgl. ook ags. cele “scheepssneb”?). Dit woord wordt wel met keel I gecombineerd; onzeker. Uit dit germ. woord fr. quille, spa. quilla, it. chiglia “kiel”. In ’t Hd. liepen de beide woorden kiel m. dooreen en de bet. van nnl. kiel is aan invloed van nhd. kiel toe te schrijven. Germ. *keula- wordt voor verwant gehouden met gr. gaulós “emmer, kan, bijenkorf”, gaũlos “koopvaardijschip” (gaũlos wordt ook uit ’t Sem. verklaard), oi. gola- “bal, bol”. Van een basis gū̆-, geu- “gebogen zijn” (vandaar “bol zijn”), waarvan ook kuil I. Voor de bet. vgl. nog een r-afl. van dezelfde basis, arm. kur “boot, schaal, pan”. Uit het Germ. komt finsch keulas, keula “voorsteven, achtersteven, schip met twee stevens”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kiel 3 v. (bodembalk), Mnl. kiel, Os. kiol = schip + Ohd. kiel (Mhd. kiel), Ags. céol, On. kjóll + Skr. golas = bol, Gr. gaũlos = koopvaardijschip, en verder kuil. Dit woord dat dus eig. = schip, kreeg sedert de 16e eeuw in ’t Ndl. en Hgd. de bet. bodembalk onder invloed van Ndd. kil en Eng. keel die aan ’t On. kjǫlr = bodembalk ontleend zijn. On. kjǫlr is niet verwant met On. kjóll maar met Ags. cela = scheepsnavel en wellicht met keel omdat de kiel aan een of beide uiteinden halsvormig is. Uit Ndl. of Eng. Fr. quille.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kiel (de, -en), (ook:) kilkeper, d.i. een inspringende hoek gevormd door twee hellende dagvlakken. - Etym.: In veroud. AN kielkeper. – Zie ook: keper*.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kiel ‘kielbalk, onderkant van een schip’ -> Engels keel ‘platboomd vaartuig; inhoudsmaat’; Oost-Jiddisch kieln ‘onderkant van een schip’ <via Russisch>; Ests kiil ‘kielbalk, onderkant van een schip’ (uit Nederlands of Duits); Frans quille ‘onderkant van een schip; ballast die aan de kielbalk bevestigd is’; Italiaans chiglia ‘onderkant van een schip’ <via Frans>; Baskisch kila ‘onderkant van schip’ <via Frans>; Pools kil ‘kielbalk, onderkant van een schip’; Russisch kil' ‘onderkant van een schip; (boeventaal, badinerend) grote neus’; Bulgaars kil ‘kielbalk, onderkant van een schip’; Oekraïens kil' ‘onderkant van een schip’ <via Russisch>; Azeri kil ‘onderkant van een schip’ <via Russisch>; Lets ķīlis ‘bodembalk over de hele lengte van een schip’; Litouws kilis ‘bodembalk over de hele lengte van een schip’ (uit Nederlands of Duits); Japans kīru ‘onderkant van een schip’; Amerikaans-Engels keel ‘vrachtboot’; Papiaments kil (ouder: kiel) ‘onderkant van een schip’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kiel* kielbalk 1527 [WNT]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

gel-2 und gel- ‘verschlingen’, die Form mit g vermutlich nach Osthoff IF. 4, 287, Zupitza Gutt. 86 durch Kreuzung von gel- mit ger-.

A. Sicheres gel- in: air. gelid ‘verzehrt, frißt, grast’, gaile ‘Magen’; acorn. ghel, cymr. gel, bret. gélaouen ‘Blutegel’, air. gelit ds. (Partiz. f. auf -n̥tī);
ahd. kela, ags. ceole ‘Kehle, Schlucht, Schiffsschnabel’ (*kelōn-), ceolor, ahd. celur m. ‘Schlund’; aisl. kjǫlr m. (*kelu-) ‘Schiffskiel’, mnd. kel, kil, engl. keel ds.; mit g-Erweiterung ahd. kelah, -uh ‘Halsgeschwulst’, anord. kjalki m. ‘Kinnbacken, Kiefer (auch Handschlitten)’; tiefstufig dän. kulk ‘Schlund, Kehle’, mnd. kolk, kulk, afries. kolk m. ‘Wasserloch’ (nhd. Kolk), ags. cylcan, nhd. mdartl. kölken, kolksen ‘aufstoßen, speien’, wie lett. gulgâtiês ‘rülpsen, sich erbrechen’ (Mühlenbach-Endzelin I 678), womit slovak. glg ‘Schluck, Zug’ vielleicht zusammenhängt (schallnachahmend?).
Vgl. mit anderer Erweiterung schwed. dial. kulp ‘Schluck’, norw. kulp ‘Wasserloch’, ndd. kolpen, külpsen ‘aufstoßen’.
B. Sicheres gel- nur im Gr.: δέλεαρ, -ατος ‘Köder’ (*δέλε-ϝαρ); daneben δεῖλαρ (Callim.) aus *δέλ-ϝαρ von der einsilbigen Basis, und äol. βλῆρ aus *βλη-ϝαρ von der schweren Wzf. *g(e)lē-; δέλε-τρον ‘Köder’, δέλος n. ds.; βλωμός ‘Bissen, Brot’ (*glō-); κα-βλέ-ει, κατα-βλέ-θει· καταπίνει Hes. von der Wzf. *g(e)le-, ebenso βλέορον (recte βλέθρον?)· βάθος, δεσμωτήριον Hes. (‘βάραθρον’, Fick BB. 29, 196), βλέ-τυες αἱ βδέλλαι Hes.; vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 519;
im Guttural zweideutig: lat. gula (*gelā?) f. ‘Schlund, Speiseröhre’, vgl. im Vokal arm. klanem, Aor. 3. Sg. ekul ‘verschlingen’, wobei -u- immerhin eine Nachwirkung des Labiovelars sein könnte; auf *gl̥-tó-s beruht *glut-ós, das vorausgesetzt wird von aksl. *glъtati (russ. głotátь) ‘schlucken’, *glъtъ ‘Schlund’, russ. głot, głotók ‘Schluck, Mundvoll’, čech. hlt; vgl. auch lat. *gluō, die Grundlage von ingluviēs ‘Kehle, Gefräßigkeit’, glūtus ‘Schlund’, glūtiō ‘verschlucke, verschlinge’, glūt(t)ō, -ōnis ‘Schlemmer’.

WP. I 621, WH. I 612 f., 625 f., Trautmann 93.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal