Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kiel - (keg, geer)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kiel2* [keg, geer] {kijle [wig] 1477, kiel [geer] 1926-1950} oudhoogduits kīl, hoogduits Keil, fries kyl; van een i.-e. stam met de betekenis ‘splijten’ waarvan ook kiem komt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kiel 2 m. (wig), Mnl. id. + Ohd. kil (Mhd. kil en kidel, Nhd. keil): verder verwantschap, vooral die met keg en keil, onzeker.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kiel, zn.: wig, geer in kledingstuk; beitel. Mnl. kile, kijle ‘wig’, Vnnl. kiel ‘wig’ (Kiliaan). Mhd. kîdel, Mhd., Mnd. kîl ‘wig’, D. Keil. Germ. *kiðla-, *kiþla- ‘spits splijtwerktuig’, met Idg. -tlo-suffix < Idg. wortel *gêi-, *gî- ‘splijten’.

kijl, zn.: homp (brood). Mnl. kile, kijle ‘wig’. Zie kiel.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kiel wig, geer in kledingstuk, beitel (Noordoost-Nederland, Limburg, Hattem). = hgd. keil = mhgd. kidel ‘wig’, met hetzelfde suffix als in hgd. nadel (= naald) naast naaien, gevormd van een i.e. wortel die ‘splijten’ betekent en ook aanwezig is in kiemen en lets ziêt ‘opbloeien’.
WLD II afl. 5, 99, Mulder 62, Wanink 121, Hadderingh/Veenstra 138, Ter Laan 391, Kluge 362-363.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

keil I: wig; Nnl. keil uit Hd. keil (Ohd. kidel, dial. Hd. keidel, albei “wig”, so ook kiel b. Kil), gew. word verb. m. kiem aangeneem, maar omstrede.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kiel ‘keg, geer; iets in de vorm van een keg’ -> Zweeds kil ‘keg, geer, wig’ (uit Nederlands of Nederduits); Kupang-Maleis kil ‘achternaad van een broek’; Menadonees kil ‘deel van broek waar de twee pijpen bijeen komen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal