Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kiel - (boezeroen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kiel 1 zn. ‘kort overkleed’
Mnl. wrsch. al in de toenaam van willem kidel [1281; VMNW], kidel, kedel ‘wijd en kort overkleed’ in gecleet met enen kedele ‘gekleed in een wijd overkleed’ en die witte kydele ‘het witte overkleed’ [beide 1300-50; MNW-R], keel in een keeltgen van cleyn linnen ‘een bovenkleedje van fijn linnen’ [1481; MNW]; vnnl. kiele, broeck-kiele, aers-kiele ‘schort, bedekking van schaamdelen, bovenste deel van een broek’ [1599; Kil.], een grove kiel ‘losse overkleding van grof linnen of katoen’ [1634; WNT].
Door d-syncope ontstaan uit mnl. kidel. Deze vorm is weinig geattesteerd, omdat onl. -i- in open lettergreep door rekking reeds voor de Middelnederlandse periode -ē- geworden is. Uit mnl. kedel ontstond vervolgens door d-syncope vnnl. keel ‘kiel’, dat in de standaardtaal verouderd is. Wrsch. is kiel oorspr. een gewestelijke vorm, die de voorkeur kreeg, omdat daarmee homonymie met → keel werd vermeden.
De verdere herkomst van kidel is onzeker. Men voert het woord wel terug op Arabisch quṭn ‘katoen’, zie → katoen, met een Germaans verkleiningsachtervoegsel, maar dat lijkt cultuurhistorisch niet aannemelijk. NEW gaat uit van Oudhoogduits kīl ‘wig’ (nhd. Keil), dat dan ontwikkeld zou zijn uit Proto-Germaans *kīdla-, en veronderstelt een betekenisontwikkeling ‘wigvormige broekinzet’ > ‘bovenste deel van een broek’ (bij Kiliaan) > ‘schort, kiel’. Maar de woorden voor ‘kiel’ wijzen op een oorspronkelijk korte -i-.
Mnd. kedele; mhd. kidel, kittel, kietel (nhd. Kittel, en daaruit nde. kittel). De oudste Germaanse attestatie is uit Keulen: Middenduits kidel [12e eeuw; Kluge21].
Onzeker is of het door Kiliaan genoemde kiele (bewaard in de Zaanstreek als kiel ‘kruis’) hetzelfde woord is; volgens het WNT is dat misschien een overdrachtelijke betekenis, via ‘bodemstuk van het kledingstuk’, bij → kiel 2 ‘schip; bodembalk van een schip’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kiel1* [boezeroen] {kidel, kedel 1370} middelnederduits kedele, middelhoogduits ki(t)tel (hoogduits Kittel); etymologie onzeker.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kiel 1 znw. m. ‘kledingstuk’, mnl. keel, kidel, kēdel ‘wijd en kort overkleed’ (nnl. dial. ook kēdel bijv. Bommelerwaard), mnd. kēdele, mhd. kitel, kittel, kietel (nhd. kittel).

Of men dit woord, dat eerst in de 12de en 13de eeuw optreedt, mag afleiden uit het onder katoen behandelde arab. ḳuṭun (wellicht over gr. chitōn is hoogst onzeker (vgl. Lokotsch Nr. 1272). — Daarnaast staat kiele bij Kiliaen (Sax. Sicamb. Fris.) en broeckkiele ‘schort, bedekking der schaamdelen, bovenste deel van de broek’, vgl. Zaans kiel ‘kruis van de broek’, dat eveneens uit *kidel zal ontstaan zijn en dat men vergelijken kan met nhd. keil ‘wig’ < *kiþla, naast ohd. kīl < *kĭðla. Deze woorden hangen met de onder kiem behandelde idg. wt. *ĝei- ‘splijten’ samen. Misschien eigenlijk hetzelfde woord, dus ‘wigvormige inzet van de broek’ > ‘bovendeel van de broek’ > ‘schort’ > de tegenwoordige betekenis.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kiel I (kleedingstuk). Een opvallende, ook in de meeste diall. voorkomende vorm naast dial. (Bommelerwaard) kēdǝl, mnl. kēdel (ook kidel) m. “kiel”, mnl. nnl. dial. (N.Brab., Antw.) ook keel, Kil. kedel, kele, = mhd. kitel, kittel, ook kietel (nhd. kittel), mnd. kēdale m., Teuth. kedel “kiel”. Oorsprong onbekend. Kan de vorm kiel ook zijn opgekomen onder invloed van Kil. “kiele. Sax. Sicamb. Fris. j. broeck-kiele”, dat “schort, bedekking van schaamdeelen, bovenste deel van de broek” heeft beteekend? Kan dat = kiel II met overdrachtelijke bet. zijn? Dial. (Zaansch) bestaat kiel “kruis van de broek” nog. Ook zouden we naast kið- germ. ²ð- uit kêið- kunnen aannemen, maar dat is al te fantastisch.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kiel I (kledingstuk). Men wil dit woord wel uit het Sem. afleiden, uitgaande van het arab. grondwoord voor katoen (Littmann Morgenl. W. 94; Lokotsch Et. Wtb. 1272), eventueel via gr. khitōn, ion. kithōn ‘onderkleed’, dat ook van sem. oorsprong is. Zeer onzeker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kiel 1 m. (kleedingsstuk), Mnl. kidel + Mhd. kitel (Nhd. kittel): oorspr. onb.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

keel (zn.) kiel, boezeroen; Middelnederlands kedele <1300-1350>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

keel 1, zn.: kiel. Deze woordvorm gaat – met d-syncope – terug op Mnl. kedel, door rekking van i in open lettergreep uit kidel ‘wijd en kort overkleed’ > kiel. Laatmnl. 1481 een keeltgen, Vnnl. kedel, kele (Kiliaan). Mnd. kedele, Mhd. kidel, kittel, D. Kittel. De bestaande verklaringen zijn onzeker.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

keel 1, zn.: kiel. Deze woordvorm gaat – met d-syncope – terug op Mnl. kedel, door rekking van i in open lettergreep uit kidel ‘wijd en kort overkleed’ > kiel. Laatmnl. 1481 een keeltgen, Vnnl. kedel, kele (Kiliaan). 1776 kedel, Meierij (Heeroma). Mnd. kedele, Mhd. kidel, kittel, D. Kittel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kiel: anders as in Ndl. (met o.a. bet. “kledingstuk; skeepsboom”), maar in mindere of meerdere mate in aansl. by Ndl. kiel (II, V en VII), “huisinham”, d.w.s. ruimte aan drie kante d. huismure ingesluit en soms vir voertuie gebr.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kiel ‘kledingstuk’ -> Duits dialect Kiel ‘kledingstuk’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

In een blauw geruite kiel [liedregel] (1875). In 1875 publiceert A.L. de Rop (1837-1895) zijn zangbundel ‘Een draaiersjongen’, een liedje over Michiel de Ruyter, dat begint met de regels “In een blauw geruite kiel / draaide hij aan ’t grote wiel / de ganse dag”. In 1888 verschijnt van De Rop de kindercantate In den zomer uit, met daarin het ‘Marschliedje’, dat veel wordt gezongen tijdens de vierdaagse die vanaf 1909 gehouden wordt: “De paden op, de lanen in / vooruit met flinke pas”.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kiel* boezeroen 1370 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal