Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keurs - (korset)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

keurs zn. ‘korset’
Mnl. corsene ‘pels’ [1240; Bern.], coerse (mv.) ‘vrouwen(boven)kleden’ [1447; WNT]; vnnl. kuerssen ‘vrouwenkleden’ [1500-50; WNT], cours ‘onderrok’ [1514; WNT], als sy ... haer keursken begost te ontrijgen ‘toen zij haar keurslijfje begon los te rijgen’ [1569; WNT], opgheschorte keurssen ‘opgeschorte rokken’ [1603; WNT].
Al dan niet via Middelhoogduits kürsen ‘pelskleed’ [ca. 1272; Gärtner], Oudhoogduits kursina ‘pels’ [10e/11e eeuw; Pfeifer Kürschner], ontleend aan Oudrussisch kŭrzno, korĭzno enz. ‘pels’ (Russisch kórzno, kórzen' ‘(met pels afgezet) overkleed’, dat ontleend is aan een Siberische taal. In het Oudfries is het woord overgenomen als kersne ‘pelsrok’ (met e < u door umlaut of < ü door klanksubstitutie).
Het woord is door pelshandelaren naar het westen gebracht. Het betekende eerst ‘pels’, daarna ‘lang vrouwen(boven)kleed’. Vervolgens kon het zowel het onderstuk, de rok, als het bovenstuk, het keurslijf, betekenen. De betekenis ‘rok’ is na de 17e eeuw verdwenen. Het woord is niet verwant met → korset.
keurslijf zn. ‘korset, nauwsluitend kledingstuk’. Vnnl. keurs-lijff ‘corset, nauwsluitend kledingstuk’ [1692; WNT]; nnl. keurslijf ook overdrachtelijk ‘geheel van belemmerende bepalingen’ in indien men onze taal ... in geen Latijnsch keurslijf geklemd had [1826; WNT regelen I]. Samenstelling van keurs, mogelijk in de betekenis ‘rok’, en lijf in de betekenis ‘kledingstuk dat het (boven)lijf omsluit’, zie ook → lijf. De betekenis is dan ‘bovenstuk bij een rok’. De betekenis van keurs zou hier ook ‘bovenlijfje’ kunnen zijn; in dat geval is keurslijf een pleonasme.
Lit.: Moerdijk 1979, 144-145

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

keurs [kledingstuk om bovenlijf] {cuerse 1450, naast corsene 1201-1250} middelnederduits korse, middelhoogduits kürse, oudengels crusne; het woord is geleend < oudslavisch krŭzno, vgl. russisch korzno. De oorspr. betekenis is ‘pelskleed’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keurs znw. o., na Kiliaen < ofra. cors (nfra. corps) < lat. corpus ‘lichaam, lijf’, evenals nnl. lijfje. Ook het verkleinwoord fra. corset werd overgenomen als mnl. corset ‘keurs’ en later nog eenmaal als nnl. corset. — Voor de overgang van de vrij palatale uitspraak van frans o als eu, zie nog: kust 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keurs znw., nog niet bij Kil. Uit ofr. cors (fr. corps; > lat. corpus) “lichaam, lijf” met een soort van adaptatie van de in ’t Fr. palataler dan bij ons gesproken o aan de ndl. uitspraak. Vgl. bij kust I. Voor de bet. vgl. ndl. lijfje en het deminutivum fr. corset > mnl. corset “keurs”. Nnl. corset, korset gew. o. is een jongere ontl. uit ’t zelfde woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

keurs v., niet uit Fr. corset, maar hetz. w. als Mhd. küris = kolder, vest, uit Fr. cuirasse = pantser, een afleid. van Lat. corium = leder.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

keurs, keus zn.: boerinnenrok. Keus door assimilatie rs/s < keurs. Mnl. cuerse, coerse < Vmnl. corsene ‘pels’, Vnnl. kuerssen ‘vrouwenkleren’, cours ‘onderrok’. Mhd. kürsen, kursen ‘pelskleed’, Ohd. kursin(n)a, krusina, kursen ‘pels’, Oe. crusne < Slav. Oudrussisch kurzno ‘pels’, Russisch kórzno ‘met bont afgezette mantel’. Vgl. D. Kürschner ‘bontwerker’. De oorspr. bet. is dus ‘pelskleed’. Samenst. onderkeus ‘boerinnenonderrok, onderrok’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

keus (ZV), zn. o.: boerinnenrok. Door assimilatie rs/s < keurs, Mnl. cuerse, coerse < Vmnl. corsene 'pels'. Mhd. kürsen, kursen, Ohd. kursin(n)a, krusina, kursen, Oe. crusne < Slav. Oudrussisch kurzno 'pels', Russisch kórzno 'met bont afgezette mantel'. Vgl. D. Kürschner 'bontwerker'. De oorspr. bet. is dus 'pelskleed'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

keurs (Oudslavisch krŭzno)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

keurs ‘kledingstuk om bovenlijf’ -> Negerhollands keers ‘keurslijf, korset’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

keurs kledingstuk om bovenlijf 1569 [WNT] <Oudslavisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal