Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

keuren - (deskundig beoordelen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

keuren ww. ‘deskundig beoordelen’
Onl. coron ‘keuren, beproeven’ in de vervoegingen gecoroda ‘beproefd’ en corodos ‘(jij) beproefde’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. coren ‘proeven; beproeven, in de verleiding brengen’ [1240; Bern.], ‘onderzoeken, keuren’ in (hier als afleiding) dis die diic hadde sine coringhe ‘tot de dijk zijn keuring zou krijgen’ [1270; VMNW], ‘beoordelen’ in dat dese slusen ghecoert worden ‘dat deze sluizen gekeurd worden’ [1289; VMNW], wie salt over recht curen? ‘wie zal dat rechtvaardig vinden?’ [1380-1425; MNW-R]; vnnl. keuren de spijsen oft waeren [1599; Kil.].
Ohd. koron ‘proberen, onderzoeken’; < pgm. *kuzōn-.
De oorspr. vorm met stamklinker -o- bestaat alleen nog in de afleiding → bekoren ‘aantrekking uitoefenen’ (< ‘op de proef stellen’). In het Middelnederlands werden woorden met /ö/ in open lettergreep nog lang met -o- geschreven en pas later werden ze algemeen mnl. -ue-, nnl. -eu- gespeld. Mnl. coren ‘beproeven’ had geen umlaut, maar werd wrsch. beïnvloed door het bijna gelijkluidende, thans verouderde werkwoord mnl. coren, cueren ‘bij keur vastleggen, bepalen of verbieden’, een afleiding van → keur ‘plaatselijke wet’ (mnl. core, cuere < Proto-Germaans *kuzi-), dat wél door umlaut was ontstaan. Beide woorden vielen zo samen in mnl. cueren ‘onderzoeken of aan de keur werd voldaan’, algemener ‘onderzoeken of aan bepaalde eisen voor echtheid, deugdelijkheid e.d. wordt voldaan’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

keuren ww., mnl. cōren, cueren, keuren ‘ondervinden, beproeven, kwellen, kiezen, keuren’, mnd. kōren ‘kiezen, beboeten’, nhd. küren ‘kiezen’, zijn afl. van keur. — Zie ook: bekoren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

keuren ww. Afl. van keur. Mnl. cōren, cȫren “ondervinden, beproeven, kwellen, kiezen, keuren, bij een keur vaststellen”. = nhd. küren “kiezen”, mnd. kōren “(onderzoekend) kiezen, beboeten”. Vgl. bekoren.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

keuren o.w., + Hgd. küren, van keur. De bet. proeven nog in goed- en afkeuren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

käöre (ww.) 1. keuren 2. aaien; Aajdnederlands coron <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

keuren, ww.: strelen, aaien, liefkozen. Verschoven betekenis van keuren ‘beoordelen’, vanwege het betasten bij het keuren?

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

koare proeven (Kerkrade). ~ koar ↑ ‘smaak’.
Amkreutz e.a. 160.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Keur van kiezen (met den r-vorm: verkoren); het bet. keus; oudtijds ook het besluit, de verordening eener stadsregeering: stedelijke keur; de regeering had verkoren, dit of dat vast te stellen. Ook werd keur gebezigd voor de boete op ’t overtreden van een keur gesteld: „op een keur van 5 ponden”; hiervan: bekeuren, bekeuring: een boete opleggen. Keuren bet.: een keur, keus doen, en daartoe iets eerst onderzoeken; zoo werd keuring: onderzoek, bijv. „voor de keuring komen (van soldaten)”; paardenkeuring, enz. Verder behoort bij keur het oude keurmede: het recht van den heer om bij den dood van een zijner onderhoorigen uit diens nalatenschap het beste stuk vee te kiezen; mede verklaart men als geschenk.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

keuren ‘(het) onderzoeken en beoordelen’ -> Fries keure, keurje ‘(het) onderzoeken en beoordelen’; Deens † køre ‘(het) onderzoeken en beoordelen’ (uit Nederlands of Nederduits); Javaans (di)kir ‘op hoedanigheid onderzoeken’; Papiaments kùr (ouder: keur) ‘periodieke keuring van motorrijtuigen; onderzoeken en beoordelen van vleeswaren’; Sranantongo keur ‘keuring, controle’; Surinaams-Javaans kir ‘keuring, controle, consultatie; zich laten keuren, voor controle gaan’.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑eus- ‘kosten, genießen, schmecken’, im Germ. und Kelt. ‘wählen’, im Indo-Iran. und Alban. ‘lieben’, nominal g̑us-ti-s, g̑us-tu-s

Ai. jṓṣati, juṣátē ‘kostet, genießt, liebt’, jōsáyatē ‘findet woran Vergnügen’, jṓṣa-ḥ ‘Zufriedenheit, Billigung, Genüge’, av. zaoš-, apers. dauš- ‘Geschmack woran finden’, av. zaošō ‘Gefallen’, zuštō ‘beliebt, erwünscht’; khotan-sak. ysūṣḍē ‘er schätzt’, ysua, ysuyān (ys = z) ‘Leckerei’;
gr. γεύομαι ‘koste, genieße’ (davon γεύω ‘lasse kosten’);
alb. desha ‘ich liebte’, Präs. do dua (*g̑ēus-n-, Jokl IF. 37, 101 f.);
n-Präs. lat. dēgūnō, -ere ‘kosten’ (*gus-nō);
air. asa-gū (*g̑us-s-t) ‘ег wünsche’ (ad-gūsi, asa-gūssi ‘er wünscht’, s. zur Form Pedersen II 549), do-goa (*g̑us-ā-t) ‘er wählt’, Verbaln. togu ‘wählen, Wahl’, Prät. dorōigu ‘elegit’ (*to-ro-g̑i-g̑ēus-t), Pokorny IF. 35, 177 ff., usw. (s. Pedersen aaO.);
got. kiusan ‘prüfen, erproben’, anord. kjōsa ‘wählen, wünschen’ (auch ‘durch Zauberei beeinflussen’, ahd. as. kiosan ‘schmecken, prüfen, wählen’, nhd. kiesen, Kaus.-Iter. got. kausjan ‘prüfen, kosten, schmecken’ (= ai. iōšáyatē); vgl. ags. wæl-céasig ‘leichenwählend’ (vom Raben).
Nomen actionis auf ti-: ai. júṣṭi-ḥ ‘Liebeserweisung, Gunst’, got. ga-kusts f. ‘Prüfung’, afries. kest, ags. cyst m. ‘Gegenstand einer Wahl, Vorzüglichkeit’ (aber gr. γεῦσις erst einzelsprachliche Bildung von γεύομαι aus): auf tu-: lat. gustus, -ūs ‘das Kosten, Genießen’, kelt. *gustu- ‘Wahl’ in den Namen ir. Oengus, Fergus, acymr. Ungust, Gurgust und in air. guss ‘Tüchtigkeit, Kraft’, got. kustus ‘Prüfung’, ahd. as. kust m. ‘Prüfung, Schätzung, Wahl, Vortrefflichkeit’, anord. kostr, -ar ‘Wahl, Willkür, (gute) Eigenschaft’; Ableitung vom Partiz. *gus-tós: lat. gustō, -āre ‘kosten, genießen’= ahd. as. kostōn ‘kosten, versuchen’, ags. costian ‘versuchen, plagen’, anord. kosta, -aða ‘prüfen, sich anstrengen, erstreben’; altes Nomen actionis ist *kuriz in ags. cyre m. ‘Wahl, Urteil’, ahd. kuri f. ds. (nhd. Kur-fürst, Will-kür), mit Übergang ins Neutrum anord. kør ‘Wahl’, ags. ge-cor ‘Entscheidung’, abgeleitet ahd. korōn ‘gustare, probare’.

WP. I 568 f., WH. I 628 f., Feist 312 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal