Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kermen - (jammeren)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kermen ww. ‘jammeren’
Mnl. carmen ‘kermen, klagen’ [1240; Bern.], kermen ‘id.’ in Dien ridder derde dat kermen ‘het gekerm verdroot de ridder’ [1340-60; MNW-R].
Ontstaan uit mnl. carmen door de klankontwikkeling -a- > -e- voor -r- + labiaal, zoals in → nerf 1. Wrsch. een klanknabootsend woord.
Mnd. karmen, kermen ‘kermen, jammeren’; mhd. karmen ‘treuren, klagen’; nfri. t(s)jirmje ‘sukkelen, kwijnen; kermen, zeuren’; oe. cirman ‘schreeuwen, roepen’; < pgm. *karmēn- ‘lawaai maken’, een afleiding bij het zn. *karma- ‘lawaai’, waaruit: os. karm ‘gejammer’; oe. cearm ‘lawaai’.
Mogelijk verwant met o.a. Latijn garrīre ‘babbelen, kletsen; lawaai maken van vogels’ en Oudiers gairm ‘schreeuw, roep’ (NEW).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kermen* [kreunen] {kermen, ca(e)rmen 1265-1270} oudengels cierman, middelnederduits kermen, karmen, middelhoogduits karmen, van middelnederlands kerme, oudsaksisch karm [geweeklaag], oudengels cearm [geschreeuw, kabaal] (engels chirm); buiten het germ. latijn garrire [praten], grieks gèrus [stem], oudindisch jarate [hij geeft geluid] → Germaan, karig.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kermen ww., mnl. carmen, caermen, kermen (met a > e voor r + consonant), mnd. karmen, kermen, mhd. karmen ‘kermen, klagen’. Oe. eierman ‘een sterk geluid voortbrengen’ is afgeleid van cearm, cierm ‘krachtig geluid, geraas’, vgl. os. karm ‘weeklacht’. — gr. ge͂rus ‘stem’, lat. garrio ‘babbelen, praten’, oiers gar- ‘roepen’, gairm, gāir ‘schreeuw, roep’, idg. wt. ĝar ‘roepen, schreeuwen’ (IEW 352).

Daarnaast stonden de wts, *ger (IEW383), waarvoor zie: mnl. mnd. kerren, karren ‘knarsen’ en verder kraaien, kraai, kraanvogel en *ger in oi. gṛnā́ti ‘de stem verheffen; prijzen, schelden’, en on. karp ‘pralerij’ (IEW 478).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kermen ww., mnl. carmen, caermen, kermen. Met e uit a vóór r + labiaal; vgl. berm. = mhd. karmen, mnd. karmen, kermen “kermen, klagen”. Ags. cierman “een krachtig geluid voortbrengen” is een denominativum van cearm, cierm m. “krachtig geluid, geraas” (*karma-, *karmi-) = os. karm(i) m. “weeklacht”. Verwant kunnen zijn ier. gairm, gáir “roep, geschreeuw”, gairid “hij roept”, lat. garrio “ik leuter”, gr. gẽrus, dor. gãrus “stem”, obg. granŭ, ksl. grano (gen. -ese) “vers”, lit. giriù, gírti “prijzen”, gar͂sas “klank, stem, gerucht”, alb. geršás “op een bruiloft uitnoodigen”, arm. kaṙač̣ “geschreeuw”, oi. járate “hij geeft geluid”, gṛṇā́ti “hij zingt”. Evenwel kunnen de slav. balt. alb. arm. oi. woorden ook g hebben, evenals ohd. quëran “zuchten”, ier. berrân “kommer”, gr. deríai· loidoríai (Hes.): dan zouden de andere vormen eventueel ĝ kunnen hebben en met osset. zar “gezang” verwant zijn. ’t Is ondoenlijk voor de vormen met e- en a-vocalisme verschillende wortels te onderscheiden. De verlengde basis gaˣr-s-, die aan een deel van de geciteerde vormen ten grondslag ligt, komt in ’t Germ. nog voor in ohd. kërran “een geluid voortbrengen”, mnl. mnd. kërren, karren, ags. ceorran “kraken”, noorw. karra “snateren” en de bij korren besproken woorden. Een deel van deze woorden kan jong zijn, ohd. kërran, ags. ceorran met hun sterke flectie wijzen er op, dat de heele woordfamilie dit niet is. Zie ook karig, kraken, kraaien, kier.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kermen ono.w., Mnl. karmen, Os. karm = weeklacht + Mhd. karmen, Ags. cearm = geschreeuw, Ags cierman (waarin ie = ä) (Eng. chirm) + Gaël. gairm = schreeuwen (waarbij misschien Germanen); verder On. kǽra, Zw. kära, De. kjaere) == klagen + Skr. jarate = geluid geven, Gr. gẽrus = stem, Oier. gairim, Lit. gìrti = prijzen; voor een vorm met rr uit rz z. korren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kameren ww.: zeuren. Door metathesis uit karmen ‘kermen’, vgl. kermitelen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kermen* kreunen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal