Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kennis - (het kennen; bekende (persoon))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kennis zn. ‘het kennen; bekende (persoon)’
Mnl. kennesse ‘het kennen, het erkennen, dat wat men kent’ met diverse betekenisnuances in te kennessen ‘ter erkenning, ter officiële vaststelling’ [1268; CG I], sie sullen moeghen nemen ... kennesse ‘zij zullen kennis kunnen nemen’ [1281; CG I], kinnesse der warheit ‘kennis van de waarheid’ [1289; CG I], in ghoeder kennesse ‘bij het volle verstand, bij kennis’ [1290; CG II], kennesse ‘de mensen die men kent’ in liet den vader ende sine kinnesse alle gader ‘verliet zijn vader en al zijn bekenden’ [1383-1402; MNW-R]. Daarnaast ook in de vorm mnl. kennennisse [1300; CG I].
Afleiding met het achtervoegsel → -nis van het werkwoord → kennen. Men zou mnl. kennenesse verwachten, zoals ook bijv. verdoemenis bij → verdoemen. Deze vorm is echter weinig frequent en al vroeg door haplologie vereenvoudigd tot kennesse > kennis.
Het werkwoord kennen had vroeger een rijkere betekenisschakering dan nu. Naar analogie van de ontwikkeling bij het werkwoord vernauwde zich ook de betekenis van de afleiding kennis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kennis* [het kennen, persoon die men kent] {kennesse [kennis, kennisneming, oordeel, getuigenis, erkenning, bekentenis] 1260} middelnederduits kennisse [idem]; afgeleid van kennen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kennis znw. v., mnl., mnd. kennisse, waarnaast mnd. kentenisse, kantenisse, mhd. kentnisse, kantnusse (nhd. kenntnis) afl. van kennen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kennis znw., reeds mnl., mnd. Mnd. ook kentenisse, kantenisse = mhd. kentnisse, kantnusse (nhd. kenntnis) v.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kinnes (zn.) kennis; Middelnederlands kinnes <1391-1400>.

Thematische woordenboeken

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

kennissen. - Inzonderheid dient de aandacht gevestigd te worden op kennissen, fr. des connaissances. Het mv. van kennis luidt in onze taal kundigheden. Kennissen beteekent altijd bekenden. || Gij zult licht eenen dienst vinden, ... waarin men uwe begaafdheid en kennissen meer recht laat wedervaren, SLEECKX 14, 159. Ondanks zijne grondige commerciëele kennissen, zijn onberispelijk gedrag en zijne wakkerheid, faliëerde hij, 14, 179. Hij bezat genoegzame kennissen om zijn geluk in den handel te beproeven, 14, 189. Het scheen hem onaannemelijk, dat een jong mensch met zijne kennissen en zijne wilskracht er niet in zoude slagen zich baan te breken, 14, 192. Geleerden ..., die beweren dat om de geographische kennissen doen vooruit te gaan (sic), het noodig zij alle namen van steden en rivieren juist zoo te schrijven en uit te spreken als het volk doet van het land, waar in de plaatsen gelegen zijn, DELGEUR in Versl. Vl. Ac. 1888, 154. Een rechtschapen man, eenvoudig van zeden doch wiens geest met vele kennissen versierd was, MARTENS in Het Belfort 1894, I, 385. Eene beurs ..., die hem in staat zou stellen te reizen en zijne kennissen te vermeerderen, 1, 386. Hulde breng ik, vriend de Laet, ... aan uwe uitgebreide letterkundige kennissen, SNIEDERS in Versl. Vl. Ac. 1891, 317. Vijf jaren vóór dat de Gentsche schepenen een beroep deden op zijne kennissen, was hij door het magistraat van Leuven geraadpleegd geweest, DE POTTER, Gent 1, 202. Zelfs oudere (onderwijzers) zullen het (boekje) met voordeel ter hand nemen, alware het maar tot opfrissching en versterking van reeds verworven kennissen, MINNAERT in De Toekomst 30, 379. Een’ man ..., die het doordringend verstand van een’ Leibniz met de kennissen van een’ Pic de la Mirandole paart, DAEMS, Kruiw. 118. Men maakte destijds grooten ophef van een’ nieuwen tak der menschelijke kennissen, dien men met den schoonklinkenden naam van wijsbegeerte der geschiedenis bestempelde, 188. Zijne uitgebreide en degelijke kennissen van al wat met zijn onderwerp in betrekking komt, CLAEYS in Versl. Vl. Ac. 1887, 321. Mannen van gezag ..., die door degelijke kennissen en verdiensten van werkelijk nut konden zijn, ROOSES, Sticht. d. Ac. 11. Veelzijdig waren zijne bemoeiingen en zijne kennissen, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 170. Hij heeft dan ook eene meer dan gewone belezenheid in menig vak der natuurkundige kennissen, ROOSES, Nieuw Schetsenb. 323. Wij ijveren om onze moedertaal ... te doen dienen om nuttige kennissen, edelmoedige en vrijzinnige denkbeelden onder ons volk te verspreiden, ROOSES, Derde Schetsenb. 385. Wij (veroorloven) ons een paar aanmerkingen, die iedereen, zonder zoo bijster veel bijzondere kennissen of gezond oordeel te bezitten, zelf wel maken zou, ROOSES in Vl. School 1895, 135b. Voor die ... lieden moet ... alwie ... meer kennissen dan zij heeft opgedaan, deze door zijne fortuin kunnen doen gelden, BULTYNCK, Vl. Beeld. 29. Onze ... dorpsjongens ... waaronder sommigen in opvoeding en aangeleerde kennissen voor hem (t.w. den commis-voyageur) niet moeten onderdoen, 82. Hij moet onder de overgroote massa kennissen ... slechts enkele punten ... weten uit te kiezen, TEMMERMAN in De Toekomst 35, 66. Nevens de gegevens der kennissen of wetenschappen ... bestaat er in ons ... eene wereld van zielsprodukten, 35, 94. Zonder haar bleven onze kennissen, onze gevoelens, onze neigingen, immer bij de alledaagsche werkelijkheid, 35, 95. Ook liet hij (nl. Vondel), gedurende zijn lang leven, haast geenen dag voorbijgaan, zonder zich nieuwe kennissen aan te werven, SEGERS, Vondel1 9. Al zijne kennissen ... had hij aan zich zelven ... te danken, 20. Enkele gedichten overtuigden ons echter, dat hij in het geheel niet van theoretische kennissen was verstoken, 121. De school moet kennissen en vaardigheden mededeelen, SEGERS in De Toekomst 34, 227. Hij (t.w. de onderwijzer) (moet gestadig) zijne kennissen en kundigheden vermeerderen, DE COCK in De Toekomst 34, 150. Natuurgevoel ... is eene bron van algemeene kennissen: het doet den lust ontstaan tot gadeslaan, den smaak tot navorschen, de behoefte tot onderzoeken, TEIRL.-STIJNS, Arm. Vl. 2, 65. Er (was) middel om uit zijne kennissen voordeel te trekken, WATTEZ in Holl.-Vl. 2, 52. Willem Bilderdijk ... bezat eenen verbazenden schat van de meest uiteenloopende kennissen, DE MONT, Bloemlez. 1. Vervangt ... niet … eene zelfs oppervlakkige kennis van het Fransch ... degelijke, veelzijdige kennissen? DE MONT in De Toekomst 35, 336. Het ware onnoodig, gelooven wij, het nut te bespreken der historische kennissen en van het onderwijs daarvan in de scholen, V. CUYCK in De Toekomst 30, 485. De lieden, die niet, zooals wij, hun geest met veelsoortige praktische kennissen moeten vol proppen, GITTÉE in De Toekomst 31, 421. Den beschaafden lezer bij wien reeds zekere kennissen mogen verondersteld worden, 35, 38. Zijne kennissen in Vlaamsche, Latijnsche en Fransche letterkunde, HAERYNCK, Boendale 82. De leerlingen (worden) in de Normaalscholen op zestienjarigen leeftijd ... opgenomen zonder meerdere kennissen dan men van een twaalfjarigen jongen gerust vergen mag, DE BOSSCHERE in De Toekomst 30, 386. Een man kan veel kennissen bezitten en tevens een zeer bekrompen geest zijn, MEERT in De Toekomst 34, 281. Het ... onderwijs, dat vooral zal gesteund zijn op de kennissen, die in het later leven van een kundigen werkman gevergd worden. De Toekomst 31, 550. De lezers van De Toekomst ... die ... de vereischte kennissen hebben opgedaan, om goud van klatergoud ... te kunnen onderscheiden, De Toekomst 33, 98.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kennis ‘het kennen’ -> Fries kennis ‘het kennen’; Negerhollands kennis ‘bewustwording; ondervinden; erkennen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kennis* het kennen 1260 [HWS]

kennis* persoon die men kent 1391-1400 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1124. Kennis is macht,

Deze spreuk is ontleend aan de Meditationes sacrae van Francis Bacon (1561-1626), waar in het elfde artikel ‘de Haeresibus’ de volgende woorden staan: nam et ipsa scientia potestas est, d.i. want ook de wetenschap zelve is macht. In 1598 werden deze Meditationes ook in het Engelsch uitgegeven en werden deze woorden vertaald door knowledge is power.Büchmann, 295. Vgl. Spreuken XXIV, 5; hd. Wissen ist Macht; fr. savoir c'est pouvoir.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal