Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kegel - (bepaald meetkundig lichaam, conus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kegel zn. ‘bepaald meetkundig lichaam, conus’
Onl. als toenaam van lambertus kegel [1162; GN]; mnl. sijn hooftpolu ... een keghelsteen ‘zijn hoofdkussen (was) een keisteen’ [1480; MNW kegelsteen], keghel ‘wig’ [1494; MNW]; vnnl. kegel ‘wigvormig voorwerp, dienend ter afbakening of als doel in het kegelspel’ [1573; Thes.], ‘meetkundig lichaam’ [1605; WNT].
West-Germaans woord voor ‘steen’, misschien voor een steen van een bepaalde soort of vorm. Het is in deze betekenis zeldzaam, maar wordt nog genoemd door Kiliaan (1599) als verouderd Hollands woord. Kegel in de jongere betekenis ‘wigvormig voorwerp in het kegelspel’ is wrsch. ontleend aan het Duits of afgeleid van kegelen, zie onder.
Mnd. kegel (vanwaar nzw. kägla); ohd. kegil ‘pin, paaltje’ (mhd. kegel ‘knuppel, stok, kegel in het spel’, nhd. Kegel; door ontlening ook Frans quille ‘kegel’); < pgm. *kagila-, verkleinwoord bij de wortel *kag-, waaruit Beiers Kag ‘koolstronk’; on. kaggi (nzw. kagge); vne. cag ‘klein vat’ (ne. keg); nzw. kagge ‘tonnetje, vaatje’, dial. kage ‘boomstronk’; hierbij met umlaut en alleen in het Nederlands bovendien nog → keg < pgm. *kagjo- en misschien → kei < pgm. *kagi-.
Mogelijk verwant met → kaak 2 ‘schandpaal’ en dan misschien een substraatwoord.
kegelen ww. ‘met kegels spelen; smijten’. Mnl. in de afleiding kegellare [1280; Debrabandere 2003], dan keghelen ‘met kegels spelen’ [1425; MNW]. Afleiding van kegel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kegel* [conus] {in de persoonsnaam Coelijn Keghel 1276, kegel 1477} verkleiningsvorm van keg.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kegel znw. m., mnl. kēghel ‘wig; kegel in het kegelspel’ (eerst laat ‘conus’, welke bet. misschien < nhd), Kiliaen ‘conus, kegel in het spel’, dan ‘ijskegel’ (Vlaams) en ‘kei’ (vetus Holl. keye), mnd. kegel, ohd. chegil ‘pin, paaltje,’ mhd. kegel ‘kegel in het spel, knuppel, stok’ < germ. *kagila, verkleinwoord bij keg. — Zie ook: keilen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kegel m., + Ohd. kegil (Mhd. en Nhd. kegel), een afleid. van keg. Uit Ndl. komen Fr. quille en Eng. kails.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kèkel, kakel, kiechel, kijkel, zn.: ijspegel; kegel. Mnl. kekel ‘ijspegel, ijskegel’, Vnnl. kekel ‘ijskegel’ (Kiliaan). Os. kakel. Verwant met kegel ‘wigvormig voorwerp’ en met kaak ’(schand)paal’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kèkel, kakel, kiechel, kijkel, zn.: ijspegel; kegel. Mnl. kekel ‘ijspegel, ijskegel’, Vnnl. kekel ‘ijskegel’ (Kiliaan). 1781 kekel ‘kegel’, Meierij (Heeroma). Os. kakel. Verwant met kegel ‘wigvormig voorwerp’ en met kaak ’(schand)paal’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kijkel (ZO), zn. m.: ijskegel, bevroren baardhaar. Mnl. kekel 'ijskegel', Vnnl. kekel 'ijskegel' (Kiliaan). Mnd. kekel. Var. van kegel, dim. van keg.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kèkel, kakel, kiechel, kijkel ijspegel (Zuid-Limburg, Oost-Noord-Brabant, Hageland). = mnl. kekel ‘id.’ (= os. kakeli). ~ kaak ‘schandpaal’. ~ lit. žãgaras ‘dorre twijg’.
Schelberg 163, ALE l fasc. II. Comm. 19, IF XLVIII 260, Rooth 1961, 22-23, 57, Mnl Wb III 1286, Amkreutz e.a. 148, Vos/Van der Wijst 53, Tuerlinckx 315.

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1997), Borrelwoordenboek: 750 volksnamen voor onze glazen boterham, Den Haag

kegel In de eerste helft van deze eeuw gehoord in Gent. Het belangrijkste Gentse dialectwoordenboek geeft als voorbeeldzin: ‘Een kegel van negen was vroeger een borrel van negen cent.’ Kegel werd in Gent ook gebruikt voor ‘oorveeg, slag’. De borrelnaam zal zijn ontstaan omdat jenever kan aankomen als een stoot. Sinds het eind van de 19de eeuw wordt kegel tevens gebruikt voor ‘stinkende adem’, vooral van adem die naar drank ruikt, maar dit is een ander woord.
Vergelijk opsodemieter.

[Liev.-Coopm. 630]

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kegel ‘conus; flesvormig object voor het kegelspel’ -> Engels dialect kayles ‘kegelspel’; Deens kegle ‘conus; kegelspel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors kjegle ‘conus; kegelspel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kägel ‘conus; kegelspel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins keila ‘conus’ <via Zweeds>; Frans quille ‘conus; flesvormig object voor het kegelspel’; Baskisch kila ‘conus; flesvormig object voor het kegelspel’ <via Frans>; Welsh ceilys ‘kegelspel’ <via Engels>; Pools kręgiel ‘kegelspel’; Russisch kégli (mv.) ‘kegelspel’; Wit-Russisch kéglja ‘flesvormig object voor het kegelspel’ <via Russisch>; Azeri keglya ‘kegelspel’ <via Russisch>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kegel* conus 1276 [CG I1, 311]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1077. Kap en (of noch) keuvel,

d.w.z. alles (of niets); eene uitdr. die sedert de middeleeuwen voorkomt o.a. in de Brab. Yeest. V, 2155: Danct Gode dat in rasten hi leven wille, ofte u en blijft cappe noch coveel. Zie verder Sartorius II, 2, 62: kap ende kovel, 't gelt met de buydel, vertaling van una cum ipso canistro; Campen, 84: hy heft capp ende coevel verteert; Sart. I, 4, 87: cap en covel wagen; Everaert, 23; Snorp. 40; II, 12; Harreb. I, 380: Dan is kap en keuvel verloren. Er is kap noch keuvel aan te vinden; II, LXXIV: Hij brengt kap en keuvel naar de maan. Hij zou je kap en keuvel van het lijf praten of aan elkander praten. Hij zou kap en keuvel weggeven. Met kap en keuvel, d.i. met al wat er toebehoort; Pic-nic in Proza2, bl. 391: Jaar in jaar uit heb ik telkens met hem over Menzel al kap en keuvel afgepraat. - Onder kap is te verstaan de monnikskap; ook een covel was een mantelkap, monnikskap. Het onderscheid tusschen cappe en covele is evenwel niet duidelijk; hoogstens zal het slechts een klein onderscheid in den vorm zijn geweest (Mnl. Wdb. III, 2008; Tuinman I, nal. 32; De Cock1, 144 en Joos, 142); later evenwel werd bet laatste meer toegepast op een vrouwenkap, zooals blijkt uit Huygens V, 50: Kap en keuvel, vreughd van Monick en Bagijn; zie ook Taalgids II, 103 en Stellwagen, Roomsche Woorden, 152. In Zuid-Nederland kent men: kap en keuvel verliezen, wagen,Ook op Goeree en Overflakkee: Er kap of keuvel aan wagen (zie N. Taalgids XII, 149). verteren, alles verteren, kapje en keuveltje opeten, verspelen (De Bo, 490). In de plaats van deze spreekwijze hoort men ook wel ‘kap en kogel’, dat in het Oosten van ons land en volgens Schuermans, 220 ook in Limburg gezegd wordt, en voorkomt in het Noordbrab. kap en kogel afloopen, alles, stad en dorp afloopen (Schuerm. Bijv. 147); in Limb. iemand kop en kogel afwinnen ('t Daghet XII, 127) en Waasch Idiot. 325: kap en kegel wagen. Dit kogel (vgl. Veluwe: biëkugel, imkerkap) is geen verbastering van kovel, maar het hd. kugel, kogel, mlat. cuculla, eng. cowl, dat eveneens mantelkap beteekent, en in het Mnl. in de oostelijke tongvallen in gebruik is geweest, doch reeds niet meer bij Kilaen wordt gevonden (Mnl. Wdb. III, 1676). In de Rijn-provincie zegt men: he hett ôk Kat on Kogel verspölt (Eckart, 251); in het fri. hy kin kat en kevel op. Vgl. ook S.M. 3: Geen permetasie (familie?) - Geen kat of keuvel, ze ware heelemaal alleen met z'n beie.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

g̑egh-, g̑ogh- ‘Ast, Pfahl, Busch’, (vgl. auch g̑ebh-)

Norw. dial. kage m. ‘niedriger Busch’ (germ. *kagan-), schwed. dial. ‘Baumstumpf (daraus engl. cag ‘Stumpf’), nhd. dial. kag m. ‘Kohlstengel, Stumpf, ndl. kag, kegge f. ‘Keil’ (germ. *kaʒiō), ahd. kegil ‘Pfahl, Pflock, Nagel’ (germ. *kaʒila-);
dazu mit expressiver Konsonantendehnung (g : gg : kk):
aisl. kaggi ‘Fäßchen, Tönnchen’, mnd. kāk ‘Schandpfahl, Pranger’, ahd. slito-chōho f. ‘Kufe’, nhd. (oberdeutsch) kueche ‘Schlittenkufe’; dissim. Kufe ds.;
lit. žãgaras ‘dürrer Zweig’, Pl. ‘Reisig, Gebüsch’, žãgrė ‘Pflug’, žiõgris ‘Zaun’, lett. žagari ‘Reisig’, žagas Pl. f. ‘loses Laub’;
unklar ist die Herkunft von ags. cǣg(e) f. ‘Schlüssel, Lösung’, afries. kei, kai (*kaiga-), mnd. keie ds.; zweifelhaft die von arm. cag ‘Erhöhung, Gipfel, Ende’ (Petersson Heter. 89 f.).

WP. I 569 f., Kluge11 334, Martinet Gémination 116.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal