Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kar - (voertuig met twee of meer wielen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kar zn. ‘voertuig met twee of meer wielen’
Mnl. carre ‘eenvoudig voertuig op wielen’ [1240; Bern.].
Ontleend aan Latijn carrus ‘vierwielige wagen’ of middeleeuws Latijn carra, mogelijk via het Picardische equivalent van Frans char ‘kar’. Latijn carrus, met variant carrum, is ontleend aan Gallisch carros ‘wagen’, dat zelf wrsch. verwant is met Latijn currus ‘(strijd)wagen’ en currere ‘rennen’, zie → coureur, en misschien met → ros ‘paard’.
Ook uit het Latijn: mnd. karre; ohd. karro, karra (mhd. karre(n), nhd. Karren (Zuid- en Oost-Duits), Karre (Noord- en Midden-Duits)). Me. carre (ne. car) is via het (Normandisch-)Frans ontleend. On. kerra (nzw. kärra) is wrsch. ontleend via mnl. kerre, bijvorm van carre.
Het is niet zeker of de genoemde continentaal-Germaanse woorden al vroeg in de Romeinse tijd ontleend zijn; de oudste vindplaats in het Duits is uit de 10e eeuw (Pfeifer). In dat geval zou het Romeinse postwezen een rol van betekenis gespeeld kunnen hebben; carrus was de gewone aanduiding voor transportwagens bij de postdienst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kar [voertuig] {car(re), kerre 1201-1250} < latijn carrus, uit het kelt., vgl. bretons karr, oudiers carr.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kar znw. v., mnl. carre, kerre, vgl. ohd. charro, karro m. (nhd. karren) en karra vr. (nhd. karre), mnd. karre, kare. — Reeds in de Romeinse tijd ontleend < lat. carrus ‘vierwielige wagen’ < gall, carros (< *ḱṛsos, verwant met lat. curro en currus ‘wagen’), vgl. plaatsnaam Karrodūnon en obret. Carhent (nu Carrent). Het lat. woord ging over in gr. kárron en over het gallatisch ook in arm. kārk’ ‘wagen’. — In mlat. komt naast carrus ook carra voor.

Mnl. kerre is bevreemdend. Daarnaast vinden wij mnl. mnd. ook kāre, misschien secundair beïnvloed door de pikardische vorm van fra. char.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kar znw., mnl. carre, kerre v. Gaat evenals ohd. charro (nhd. karren) m., charra (nhd. karre) v., mnd. kāre v. “kar” op lat. (oorspr. kelt.) carrus, mlat. ook carra, terug. Het ndl. woord kan ook een eerst mnl. ontl. uit een noordfr. (pic.) dialectvorm zijn (: fr. char), evenals eng. car “kar, wagen”. Opvallend zijn de veel voorkomende mnl. vormen met e en mnl. cāre, waarop veel nnl. dialectvormen met één r en gerekten klinker teruggaan. Ook arm. kaṙ-kʿ “wagen” wordt wel uit het Kelt. (in Galatië) afgeleid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kar v., Mnl. carre, gelijk Hgd. karre, uit Lat. carrum (-us), een Kelt. woord: Bret. karr, Ier. carr, Gael. car, verwant met Lat. currere = loopen (z. ros 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kaar (zn.) kar; Vreugmiddelnederlands carre <1240> < Latien carrus.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kaar II, koar suffix waarmee van werkwoordelijke stammen persoonsnamen gevormd worden met ongunstige betekenis zoals dutselkaar ‘sukkelaar’, balderkoar ‘schreeuwer’ (Groningen, Twente, Oost-Noord-Brabant). = kar ‘vervoermiddel’.
DB II 55-56.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kar ‘tweewielig voertuig’ (Latijn carrus); ‘auto’ (Engels car)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kar ‘voertuig’ -> Deens kærre ‘voertuig’ (uit Nederlands of Fries); Litouws karai ‘voertuig’ (uit Nederlands of Duits); Indonesisch kahar ‘tweewielig rijtuigje met paard’; Indonesisch kar ‘voertuig’; Javaans kahar ‘tweewielig rijtuigje met paard’; Madoerees kahar ‘kar op veren (tweewielig)’; Soendanees kahar ‘voertuig’; Singalees karatta-ya ‘wagentje’ (uit Nederlands of Portugees); Sarnami gári ‘voertuig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kar voertuig 1240 [Bern.] <Latijn

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kar: de — trekken, het zware werk verrichten; leiding geven. Aanvankelijk vooral politiek taalgebruik, nu meer algemeen.

Kar. In: de kar trekken. Het karwei opknappen. Zichzelf loden lasten toedichtend antwoorden premiers, ministers of fractieleiders op vragen van journalisten over hun beschikbaarheid voor een volgende kabinetsperiode vaak dat als de kiezer of de eigen politieke achterban dat wenselijk acht, zij voorshands niet afwijzend reageren op een eventueel verzoek om de kar ook een volgende periode te trekken. (Marco Bunge: Politiek Woordenboek, 1985)
Ook de PvdA-fractie heeft het ja-woord gegeven. Henk Vos zei het in de fractie weer mooi: ‘Het paard is ontnuchterd en bereid de kar te trekken. En ik ook.’ (NRC Handelsblad, 27/10/89)
Schaefer trekt de kar van de sociale vernieuwing. (Trouw, 19/05/90)
Men zet iets ‘op de rails’ en ‘trekt daarna de kar’. Veelgebruikt in de politiek; daarom te wantrouwen. ‘Lubbers trok 12 jaar de kar.’ Intussen blijft zelfs het verenigingsleven er ook al niet voor gespaard. Bestuurstaal. (Hans Auer: Zeg Nooit Doei, 1995)
Naast waardering voor de mensen die dit deden, past grote waardering voor Wim Dik, de man die de kar trok. (Elsevier, 02/08/97)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal