Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapot - (stuk, gebroken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kapot bn. ‘stuk, gebroken’
Vnnl. capot (van personen) ‘vernietigd, afgemaakt, niets meer waard, verslagen’, in ... sijn de Sweeden capot [1659; WNT], hoe veel zijn hier en daer in 't heymelijck capot gemaeckt? ‘... omgebracht’ [1660; WNT]; nnl. ‘ontzet, gebroken’, in dat hij ... seer capot was geweest op 't horen lesen van ... [1781; WNT], van zaken ‘gebroken, aan stukken’, in het glas is kapot en kapot maaken [beide 1752; Marin], een grijze kapotte jas [1805; WNT].
Ontleend aan Frans capot ‘verslagen, kapotgespeeld’, een term uit het kaartspel [1619; Rey] die hoogstwaarschijnlijk teruggaat op de in diezelfde eeuw geattesteerde zeemansuitdrukking faire capot ‘kapseizen, kopje ondergaan’ [1689; Rey]. Buiten het kaartspel en de scheepvaart was deze uitdrukking ongebruikelijk. De betekenisuitbreiding naar algemener ‘vernietigd’ heeft zich pas voorgedaan in de ontlenende Germaanse talen. Het vroegst geattesteerd is Duits capot machen ‘verslaan’ [1643; Kluge21], caput ‘aan stukken, stuk’ [1666; Kluge21] (nu kaputt); verder o.a. ook Zweeds caput [1700; Hellquist] (nu kaputt). De Duitse betekenis zou zich verspreid hebben ten tijde van de Dertigjarige Oorlog (1618-48) (Pfeifer).
Over de verdere herkomst van dit Franse woord capot bestaan verschillend theorieën. Als faire capot in de betekenis ‘kapseizen’ inderdaad is voorafgegaan aan ‘kapotgespeeld worden’, dan is het wel gesuggereerde verband met capot ‘kledingstuk’, zie → kapotjas, als zou een kapotgespeelde speler uit schaamte een kap over het hoofd willen trekken (FEW), zeer onwaarschijnlijk. Er bestaat voorts een zn. Frans capot ‘luikdeksel’ [1819; Rey], eerder al chappot [1541; Rey], dat een afgeleide betekenis is van capot als bedekkend kledingstuk, maar of dit hetzelfde woord is als in faire capot is onduidelijk. Die uitdrukking wordt door Hellquist, met het bijbehorende werkwoord capoter, verklaard als ‘omverwerpen’, letterlijk ‘op zijn kop zetten’, waarin capot een afleiding is van cap ‘hoofd’, uit Latijn caput ‘hoofd’, zie → kaap. Misschien bestaat er ook verband met de Provençaalse uitdrukking faire cabot ‘groeten, een buiging maken’, waarin cabot eveneens is afgeleid van cap ‘hoofd’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapot [stuk] {1660 in de betekenis ‘dood’; de betekenis ‘stuk’ 1717} < hoogduits kaputt, van de fr. kaartterm faire capot [de tegenstander verhinderen ook maar één slag binnen te halen], tijdens de 30-jarige oorlog hoogduits capot machen [doden]; de etymologie is onzeker. Gedacht wordt o.m. aan capot (vgl. kapotjas), dus ‘iem. de kap over het hoofd trekken’, en aan capoter [kenteren] (vgl. kapseizen).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kapot bnw. kwam in de tijd van de dertigjarige oorlog als term van het piketspel uit het fra. capot in de uitdrukking faire capot ‘alle slagen halen’ en être capot ‘geen slag halen’. In de 30-jarige oorlog gebruikten de soldaten de uitdr. capot machen voor ‘doodslaan’.

De herkomst van het fra. capot is onzeker. Men denkt aan het ww. capoter ‘kenteren’ (afgeleid van caput ‘boeg van het schip’), maar ook aan pikard. capoter voor fra. chapoter ‘castreren’. Het eerste is waarschijnlijker, omdat het fra. ook faire capot in de zin van ‘kenteren’ bezit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kapot bnw., nog niet bij Kil. = du. kaput (> de. kaput, zw. kaputt), oorspr. een speelterm, in den tijd van den 30-jarigen oorlog ingevoerd uit fr. capot in faire capot “al de slagen halen”, être capot “geen slag halen”. Oorsprong onzeker: de identificeering met capot “jas” (“iemand in ’t spel verslaan” < “een jas over iemand heengooien”) is evenzeer onzeker als andere verklaringen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kapot 2 bijv., uit Fr. capot, naar faire capot, capoter = overhoop gekeerd zijn (nl. een vaartuig), dan overdracht, al de slagen halen, van cap = kop, voorste (z. kaap 1).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kepot (bn.) stuk, gebroken; Nuinederlands capot <1659> < Frans capot.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kapot: uitgeput; bankrot; stukkend; dood, by Trig in vorm kaput (lRo T DLT 242); Ndl. kapot (nog nie by Kil nie, wel sedert 17e eeu), soos Hd. kaput(t), uit Fr. capot i.v.m. uitdr. by kaartspel: faire capot, “al de slagen halen”, d.w.s. “die teëparty kafloop”, maar oor herk. hiervan bestaan daar meningsverskille.

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

kapot. De verwensing laat-ie kapot vallen! of gewoon val kapot! drukt thans gelatenheid of onverschilligheid van de spreker uit ten opzichte van het gebeuren of de daad van hemzelf of van een ander. Voor Genk werd opgegeven god van alle christenen, valt kapot! Ik vermoed hier een oorspronkelijk gebed dat tot aanklacht is geworden. Een scholier uit het Gelderse Groessen kent nog ga kapot! De meeste verwensingen met kapot drukken woede, haat, wrevel enz. uit en willen zoveel zeggen als ‘verdwijn uit mijn ogen, val dood’. → oprotten, vallen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapot ‘stuk’ -> Ambons-Maleis kapot ‘stuk’; Singalees kapōti ‘stuk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapot stuk 1717 [WNT] <Duits

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

kapot zitten, niet meer verder kunnen; aan het eind van zijn krachten zijn. Vooral in de sport. → stuk* zitten.

Ik kan helemaal kapot zitten maar toch door blijven vechten. (Roland Liboton in Vrij Nederland, 28/11/87)
Merckx reed nagenoeg de hele dag aan kop, de rest van het peloton zat halverwege gewoon kapot. (Panorama, 13/03/88)
En het gekke is, dat een sprinter die kapot zit toch altijd kan winnen. (Wieler Revue, 10/06/88)
Henk zei: ‘Ik zie potverdomme niks meer. Ik zit helemaal kapot.’ (Gijs Zandbergen: Alleen op kop, 1980)
Zit je echt kapot, snoep EPO uit de pot. (HP/De Tijd, 14/08/98
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1084. Kapot.

In de uitdr. kapot zijn, maken, stuk, dood zijn, maken; zich kapot lachen (vgl. fri. ik laeitsje my stikken); kapot gaan, stuk gaan, doodgaan, die in de 17de eeuw voorkomen (zie Gew. Weuw. II, 24 en Sewel, 378) is kapot ontleend aan het fr. capot, een term uit het piquetspel. Faire capot beteekent alle slagen maken; être capot, geen enkelen slag maken en faire quelqu'un capot, iemand geen enkelen slag doen winnen. Zoo lezen we bij Focquenbroch I, 17:

Indien wij dit affront verdraagen,
Riep Minas, als een halve zot,
Zo zie ik ons in korte dagen,
Al t' zamen repiek en kapot.

Brieven van B. Wolff, 132: Wy zyn geworden tot een wildernis, och Heere! en wy zyn heel capot; ook bl. 174: Wel mag het mensch zeggen dat zy capot geraakt was. Zie Dozy, Oosterlingen, 48; Hatzfeld, 350Hatzfeld meent dat capot ontleend is aan de uitdr. faire capot, dat evenals capoter in het zeewezen beteekent onderstboven vallen, voorover kantelen, van een schip gezegd, welk capoter eene afleiding zou zijn van cap. voorsteven. Dozy wijst op het Spaansch capote en dar capote, eene uitdr. in het piketspel, die in het begin der 17de eeuw in Spanje gewoon was.; Ndl. Wdb. VII, 1520; Teirl. Barg. 31: iemand kapot branden, iemand doodschieten; Schuermans, 221; Waasch Idiot. 326 a; Antw. Idiot. 2236; Rutten, 106 a; Teirl. 109; Claes, 102: kapot maken (doen), de zaak bederven; en vgl. ook het hd. en nd. kaput sein, gehen, machen. In Groningen, Friesland en eldersM.A.v. Weel, Het Dialect van West-Voorne, 110. bet. kepot ook ontsteld, ziek; Ten Doornk. Koolm. II, 174; Molem, 531; Falkl. VI, 38: Ze schreide niet, ze was kapot. In Kl. Brab. beteekent kapot alleen stuk, behalve in de uitdr. iemand kapot maken, d.i. iemand vermoorden. In de Kempen is kapot zijn, gevaarlijk ziek, dood. Zie no. 180 en vgl. codille zijn, verloren, gesjochten zijn, ontleend aan 't omberspel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal