Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapitaal - (voornaamste bezit, grote som geld)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kapitaal 1 zn. ‘voornaamste bezit, grote som geld’
Vnnl. capitael oft hootgelt ‘kapitaal of hoofdsom’ [1526; De Bruijn-van der Helm 1992], hoofdsomme, hooftgelt, t'cauedael ‘hoofdsom, hoofdgeld, het kapitaal’ [1567; WNT], de 1600 gulden Capitael, ende 900 gulden Renten [1596; WNT rente], een groot deel van des Compagnies capitael ‘een groot deel van het bedrijfskapitaal van de Compagnie’ [1615; WNT voortbrengen]; nnl. ‘bezitters van kapitaal’ in het gemis van ondernemingsmoed bij het Nederlandsch kapitaal [1879; WNT].
Internationale ontlening aan Italiaans capitale [1211; de Bruijn 1992], in de Nederlandse vorm uit 1567 cauedael aan Venetiaans cavedal [1307; de Bruijn 1992]; beide woorden gaan terug op middeleeuws Latijn capitale ‘roerend goed, basisbedrag’, uit het klassiek-Latijnse bn. capitālis ‘hoofd-, betreffende het hoofd’, afleiding van caput ‘hoofd’, figuurlijk ook ‘belangrijkste bezit’, verwant met → hoofd en zie → kaap.
In het Nederlands verving kapitaal oudere samenstellingen mnl. hovetstoel, hovetstal, hovetgeld ‘hoofdsom, kapitaal’ [13e eeuw; CG I]. In het Middelnederlands bestond al het woord cateil, cateile ‘bezit, roerend goed, kapitaal’ zoals in ende dus salhi winnen sin cateil ‘en zo (door een proces) zal hij zijn eigendommen weer terug krijgen’ [1237; CG I, 37], ontleend aan Oudpicardisch catel, het equivalent van Oudfrans chatel, beide uit middeleeuws Latijn capitale. In het Engels is cattle ‘veestapel’ ontleend aan het Picardisch en chattel ‘bezitting, roerend goed’ aan het Oudfrans.

letter zn. ‘geschreven taalteken’
Mnl. lettere ‘brief, oorkonde; letter’ in met sinen lettren ‘door middel van zijn oorkonde’ [1236; CG I], littere ‘letterteken, opschrift’ [1240; Bern.], Griexse lettren ‘Griekse letters, het Griekse alfabet’ [1285; CG II], dar heft hi lettren toe ghesent ‘daar heeft hij brieven naar toe gestuurd’ [1285; CG II]; vnnl. letter ‘geschreven taalteken’ [1550; Lambrecht].
Ontleend aan Frans lettre ‘letter’ [1130; Rey], eerder al ‘geschrift’ [ca. 980; Rey] (zie ook → bellettrie), ontwikkeld uit Latijn littera ‘letter’, mv. litterae ‘letters, tekst, geschrift, ambtelijk document’, verdere herkomst onzeker, wellicht verwant met Latijn linere ‘insmeren’, Grieks alínein ‘id.’ (zie → lijm), waarbij dan moet worden gedacht aan het procédé waarbij tekens worden aangebracht met verf of inkt; zie ook → literatuur. Naast littera kende het Latijn ook litera, o.i.v. litum, verl.deelw. van linere. De nevenvorm mnl. littere gaat misschien rechtstreeks terug op het Latijn, maar kan ook een gewestelijke variant zijn, met invloed van Middelhoogduits litter (Duits Letter). De betekenis ‘geschrift’ komt ook in het Middelnederlands veel voor, net als in het Latijn vaak in het meervoud. Deze betekenis hield tot in het Vroegnieuwnederlands stand, wellicht onder invloed van Frans lettre, dat nog steeds zowel ‘letter’ als ‘brief’ betekent. Zie ook → letteren.
hoofdletter zn. ‘grote letter, gebruikt voor eigennamen e.d.’. Vnnl. in de ghemene als óóck inde hóófdletteren ‘in de kleine evenals in de hoofdletters’ [1584; Twe-spraack]. Leenvertaling van Neolatijn lit(t)era capitalis, letterlijk ‘hoofd-letter’, voor het tweede woord zie → kapitaal 1. Synoniemen zijn: grote letter (groote letter [1628; Ampzing]), leenvertaling van het Neolatijnse synoniem lit(t)era maiuscula, letterlijk ‘iets grotere letter’, waarin het tweede woord een verkleinwoord is van maior ‘groter’, zie → majoor; en als drukkersterm kapitaal (capitael litteren [1500; Stall.], kapitaelen, ofte hoofd-letteren [1628; Ampzing]), rechtstreeks of via Frans capitale ‘id.’ [1567; Rey] teruggaand op Latijn (lit(t)era) capitalis. Minder gebruikelijk is majuskel ‘hoofdletter’ (majuskelschrift [1883; WNT]), dat ontleend is aan Frans majuscule ‘id.’ [1718; Rey]. ♦ kleine letter zn. ‘gewone letter’. Vnnl. kleyne letter [1628; Ampzing]. Leenvertaling van Neolatijn lit(t)era minuscula, letterlijk ‘iets kleinere letter’, waarin het tweede woord een verkleinwoord is van minor ‘kleiner’, zie → minder. Ouder is de benaming ghemene letteren (mv.), letterlijk ‘gewone letters’ [1584; Twe-spraack]. Synoniem is onderkastletter (nnl. onderkas letters [1801; Janssen 1982]), verkort tot onderkast [1876; WNT], zo genoemd naar het onderste, best bereikbare gedeelte van de letterkast van de zetter, maar ook na het tijdperk van handmatig letterzetten in gebruik gebleven. Het is nog steeds vooral een drukkersvakterm en staat daarbij tegenover de kapitaal, zie boven. Minder gebruikelijk, behalve in de schriftgeschiedenis, is het synoniem minuskel (minuskelschrift [1883; WNT]), dat ontleend is aan Frans minuscule ‘id.’ [1690; Rey].
Lit.: Ruijsendaal 1989, 128-130; F.A. Janssen (red., 1982), Zetten en drukken in de achttiende eeuw: David Wardenaar's beschrijving der boekdrukkunst (1801), Haarlem, 158

kapitaal 3 bn. ‘aanzienlijk; zeer ernstig’
Vnnl. capitale penninghen ‘standaardmunt’ [1559; Stall.], verscheyden capitale poincten ‘verschillende belangrijke punten’ [1614; WNT voorslaan], 12 capitale schepen ‘twaalf zeer grote schepen’ [1641; WNT vervaardigen]; nnl. capitaale misslagen ‘zeer ernstige fouten’ [1725; WNT].
Ontleend aan Frans capital ‘belangrijk, essentieel’ [1389; Rey], eerder al ‘hoofd-, betreffende het hoofd’ [ca. 1200; Rey], ontleend aan Latijn capitālis ‘hoofd-, betreffende het hoofd’, afleiding van caput ‘hoofd’, figuurlijk ook ‘belangrijkste bezit’, zie → kapitaal 1.
De letterlijke betekenis ‘betreffende het hoofd’, die in het Frans nog bewaard is gebleven in peine capitale ‘doodstraf’ [ca. 1255; Rey] en ook in het Engels in capital punishment ‘id.’, is ook in juridische begrippen in het Nederlands gebruikt, maar inmiddels verouderd: vnnl. criesmen capitael ‘halsmisdrijven’ [1495; WNT], capitale feyten ‘id.’ [1607; Stall. II] en capitale settinghe ‘hoofdelijke heffing’ [1556; WNT zetting].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapitaal [vermogen] {1567} < frans capital < middeleeuws latijn capitale [schadevergoeding in geld, roerend goed, vee of bezit], van latijn caput [hoofd, het gewichtigste, en dus: hoofdpersoon, hoofdzaak, (van geld) hoofdsom, kapitaal].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kapitaal znw., o., sedert Kiliaen < fra. capital < lat. capitalis, afgeleid van caput ‘hoofd’, aangezien de Romeinen van onder naar boven optelden (vgl. ook som). Met dit woord capitalis duidde men nu het op rente uitgezet geld uit (vgl. nnl. hoofdsom). Sedert de 16de eeuw wordt het lat. woord algemeen gebruikt, vgl. ital. capitale, fra. capital.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kapitaal znw. o., sedert Kil. Uit fr. capital (< lat. capitâlis, -e, van caput “hoofd”). Ook in andere talen ontleend.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kapitaal. Een oude vertaling van het lat. woord is hoofdsom, reeds mnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kapitaal o., uit Fr. capital, van Mlat. capitale = hoofdgeld op te brengen in plaats van een stuk vee, d.i. caput bestiae, van daar roerend goed: onz. van 't Lat. bijv. capitalis, een afleid. van caput = hoofd (z.d.w. en kateel).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kapitaal (Frans capital)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Kapitaal (< Lat. adj. capitalis = hoofd-; < caput = hoofd). In den zin van som geld (hoofdsom) het eerst bij Fibonacci (ca. 1170–ca. 1250) waarschijnlijk als vertaling van een Arabisch woord, ra’s al-mâl, dat „hoofd van het vermogen” beduidt en reeds in het Arabisch de betekenis „kapitaal” bezit.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kapitaal van ’t Lat. caput = hoofd; ’t bet. eerst ’t hoofdgeld, dat men in plaats van vee moest opbrengen; later: hoofdsom. – Ook kapiteel is afgeleid van caput, als ’t hoofd van een pilaar; evenals kapittel = hoofdstuk; verder kapitein = hoofdman, evenals korporaal van ’t It. caporale, van capo = hoofd (’t Lat. caput).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapitaal ‘vermogen’ -> Indonesisch kapital ‘vermogen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapitaal vermogen 1567 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal