Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kapel - (bedehuis)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kapel zn. ‘bedehuisje; muziekensemble’
Onl. capella in de plaatsnaam Westcapella ‘Westkapelle (Zeeland)’ [1102-05; Künzel]; mnl. capelle ‘bidvertrek’ [1240; Bern.]; vnnl. capelle ‘de aan een hofkapel verbonden kerkzangers, muzikanten’ in De capelle van den coninck. De heeren, de sangers, de musichienen [1516; WNT], ‘ruimte in een kerk met secundair altaar, meestal een kleine uitbouw’ in de Cappelle ... an de zuyt zyde van der ... Kercke [1538; WNT], ‘klein bedehuisje’ [1630; WNT]; nnl. kapel ‘muziekcorps’ [1909; WNT].
Ontleend aan middeleeuws Latijn capella, cappella ‘bidvertrek of klein, niet-parochiaal kerkgebouw bij een burcht, privé-woning, klooster, begraafplaats e.d.’ [801-10; Rey], eerder al ‘bidvertrek in het Frankische koninklijke paleis, waar de koninklijke relikwieën liggen’ [710; DEDLI], en met als oudste vindplaats oraturio ... super cappella domni Martine ‘in het bidvertrek ... boven de cappella van Sint-Maarten’ [679; TLF]. Of het woord in dat citaat al een ruimtelijke betekenis heeft is niet zeker, maar duidelijk is wel dat de betekenis te maken heeft met de befaamde ‘mantel van Sint Maarten’, zijn cappella. Dat middeleeuws-Latijnse woord, meestal al gespeld capella, is het verkleinwoord van Laatlatijn cappa ‘mantel (met capuchon)’ [7e eeuw; Rey], ‘kap’ [6e eeuw; Devoto], zie → kap 1.
Ook ontleend: mnd. kapelle (ontleend in het nzw. als kapell); ohd. kapella (nhd. Kapelle); ofri. kapelle; me. chapele (ne. chapel).
Sint Maarten, de H. Martinus, bisschop van Tours (ca. 316-397) en beschermheilige van Frankrijk, schonk zijn halve schoudermantel aan een bedelaar; deze mantel werd in het pelgrimsoord Tours bewaard en door de Frankische vorsten, zowel de Merovingische als de Karolingische, als relikwie vereerd.
Kapel als ‘uitbouw bij een kerk’ wordt in het Nederlands pas in de 16e eeuw aangetroffen, maar is ook bij Frans chapelle [1405; Rey] relatief jong. De betekenis ‘groep monniken/geestelijken die de zang verzorgt in de kapel’ komt in het Latijn al in de 13e en 14e eeuw voor (Grove), zo trad bijv. de capella van de paus op in de Sixtijnse kapel.
a capella bw. ‘zonder instrumentale begeleiding’. Nnl. alla capella, a capella ‘1. alla breve (een maatsoort); 2. tutti’ [1772; Bouvink]. De betekenis ‘alla breve’ in deze vindplaats betreft een maatsoort (‘in twee’) en is nog een tijdlang in de woordenboeken te vinden: alla capella “kapelswijze, d.i. snel, in eene gelijkmatig voortgezette beweging” [1824 en 1832; Weiland], a cap(p)ella “vlugger dan een kerkstuk” [1912; Kramers]; ook Engels alla capella ‘alla breve’ [1847; OED]. De maatsoort alla breve werd zoveel gebruikt in oude kerkmuziek dat zij als typerend voor die muziek werd beschouwd en deze betekenis van a capella is dan ‘zoals kerkmuziek, dus alla breve’. De betekenis ‘tutti’ uit de bron van 1772 wil wrsch. zeggen ‘waarbij zangers en instrumenten dezelfde noten spelen’; later staat deze betekenis ook in de woordenboeken: alla cap(p)ella ‘kapelsgewijs, wanneer de vocale en instrumentale muziek zich tegelijk doen horen’ [1847; Kramers]. Tegenwoordig alleen in de vorm a capella. Internationale muzikale term, ontleend aan Italiaans a cappella, letterlijk ‘op de kapelmanier, in kerkstijl’, maar gezien de betekenisuitbreiding van cappella (zie boven) ook ‘te zingen door de zangkapel’. Ingevoerd ter onderscheiding van vocale muziek waarbij muziekinstrumenten een eigen, zelfstandige partij speelden. In de 19e eeuw kreeg de term een bredere definitie en werd van toepassing op alle muziek met uitsluitend puur vocale bezetting, dus ook wereldlijke en ook meerstemmige muziek. De Nederlandse spelling is aangepast aan de uitspraak en aan de Latijnse schrijfwijze van het woord. ♦ dakkapel zn. ‘uitspringend dakvenster’. Nnl. dakkapel “een klein dakvenster, dikwijls ter versiering van groote dakvlakken, o. a. aan het stadhuis te Middelburg” [1917; WNT], ‘uitspringend dakvenster (in woonhuis)’ [1965; WNT]. Samenstelling met → dak. Uitgebouwde dakvensters werden ter versiering vooral op kerkdaken geplaatst, en de naam is te danken aan de vergelijking met de gewone kapellen ‘uitgebouwde zijbeuken’ van een kerk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kapel2 [bedehuis] {cap(p)elle, cápel 1201-1250} < oudfrans c(h)apele of < middeleeuws latijn cappella [bedehuis, mantel], verkleiningsvorm van laat-latijn cappa [capuchon, mantel]; Sint-Maarten, bisschop van Tours, schonk zijn halve mantel weg aan een arme. Zijn halve mantel werd een reliek, die in het drukbezochte pelgrimsoord Tours werd bewaard. Daardoor werd cappella een soortnaam voor bedehuisjes.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kapel

Er is een Latijns woord cappa, dat kap en ook: mantel met kap betekent. Het verkleinwoord is capella: manteltje. Met dit manteltje werd in de middeleeuwen in het bijzonder bedoeld de mantel van Sint Maarten, die door de Frankische koningen als een relikwie werd bewaard. Het heiligdom waarin deze relikwie was geborgen, werd nu ook capella genoemd en dit gebruik verbreidde zich zozeer dat sedert de zevende eeuw elk klein bedehuis de naam kapel kreeg. Soms vindt men de naam: ellendige kapel (in Utrecht: ellendige kerk) voor het gebouwtje op het zogenaamde ellendige kerkhof, dat is het kerkhof voor uit andere landen (el-lendig) afkomstigen, voor vreemdelingen dus, bestemd. De bewaarders der capella droegen de naam capellanus en deze titel ging over op de geestelijken verbonden aan een kapel en in bredere zin op de hulppriesters ener parochie, de kapelaans.

Het woord kapel werd ook gebezigd voor de aan de kapel van een vorst verbonden kerkzangers. Zo gaat kapel ook betekenen: hoforkest, muziekkorps. De lei der daarvan noemt men evenwel niet kapelaan, maar kapelmeester.

Of kapel: vlinder iets met ons woord te maken heeft, is onzeker. Misschien is het fladderende manteltje het punt van vergelijking?

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kapel 2 znw. v. ‘klein gebouw voor godsdienstoefeningen’, mnl. capelle, mnd. kapelle (> laat-on. kapella), ohd. kapella, ofri. kapelle < mlat. capella, eig. verkleinwoord van capa ‘mantel’. De mantel van de H. Martinus werd door de Frankische vorsten als relikwie bijzonder vereerd en de Merowingen zowel als de Karolingen voerden dit heiligdom overal met zich mee (vandaar de naam Aix-la-Chapelle voor Aken). De bet. van ‘klein kerkgebouw voor familiegebruik’ komt omstr. 800 op.

Daar de dienst in de kapel met muziek en zang verbonden was, komt later in het ital. capella als ‘muziekgezelschap’ op (16de eeuw); in die tijd ook al kapelmeester.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kapel II (heiligdom), mnl. capelle, cappelle v. = ohd. kapëlla (nhd. kapelle), mnd. kapelle (> later-on. kapella), ofri. kapelle v. Ontl. uit mlat. capella “kapel”, een demin. van cappa (zie kap), oorspr. = “manteltje”; vandaar werd de kapel, waarin St. Maartens mantel bewaard werd, ook capella genoemd en sedert de 7. eeuw krijgt dit woord in het algemeen de bet. “kapel”. Ook na de ontl. in de germ. talen bleef ’t lat. woord zijn invloed doen gelden, vandaar de betoning op de syllabe pel.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kapel II (heiligdom), slot. Germaanse accentuering in plaatsnamen met -kappel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kapel 1 v. (bidplaats), gelijk Hgd. kapelle en Fr. chapelle, uit Mlat. capellam (-a), dimin. van capa (cappa), dus = manteltje. Het beduidde bepaaldelijk St Maartens schoudermantel, dan het heiligdom waar men dien bewaarde, en sedert de 7e eeuw bidplaats in 't algemeen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

kapel (zn.) kapel; Aajdnederlands capella <1102-1105> < Latien capella.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kapel, zn.: omslag, kaft. Kapel betekent ook ‘helm, deksel van een distilleerkolf’, naar Fr. chapelle ‘kapel’, maar ook ‘overwelfde kapel, overwelving (b.v. van een oven)’. Ook wel beïnvloed door kapitalie en Mnl. coperkel.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kapel I: (gew.) kleinerige kerk, gebedshuis (bv. by hospitale en v. begrafnisondememers), orkes, ens.; Ndl. kapel (Mnl. capelle), soos Hd. kapelle, Eng. chapel (via Fr. chapelle), It. cappella, uit Ll. capella (dim. v. cappa, “mantel”) n.a.v. feit dat die mantel v. St. Maarten deur Fr. konings as reliek in so ’n gebou bewaar is en die naam “mantel” op die “kerk” oorgegaan het.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

kapel 'onderkerk zonder parochiale rechten'
Mlat. capella, cappella is een verkleinvorm van cappa 'kapmantel'. De kapmantel van Sint Maarten, dit is de heilige Martinus (316-397), bisschop van Tours, werd door de Frankische vorsten bijzonder vereerd (679 "In oraturio nostro super cappella domni Martine, ubi reliqua sacramenta percurribant, hoc dibirit conjurare"1). Zij voerden dit relikwie overal met zich mee en bewaarden het in een ruimte, die zij vervolgens capella noemden. Aanvankelijk was de benaming capella beperkt tot het gebedshuis aan het koninklijke hof en iedere koningspalts verkreeg gaandeweg een eigen kapel. Rond 800 komt de betekenis 'gebedshuis op privaatgrond' op. Het verschil tussen een kapel en een kerk is dat een kapel een onderkerk is zonder parochiale rechten, bestemd voor een familie of voor een groep parochianen die te ver van de eigenlijke kerk afwonen. Een kapel is dan ook doorgaans kleiner dan een kerk. Soms wordt een kerk aanvankelijk capella genoemd, omdat deze dan nog niet het volle parochiale recht heeft verworven.
Lit. 1Niermeyer e.a. 2002 171.

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kapel (Latijn capella)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kapel (kerkje), Lat. capella, verkleinw. van capa (= mantel). Het woord duidde oorspr. den schoudermantel van St.-Maarten aan; daarna de plaats (kerkje) waar deze reliquie werd bewaard; na de 7e eeuw werd ook elke kleinere kerk kapel genoemd. – Kapelaan, van ’t Lat. capellanus = oorspr. de geestelijke, die den genoemden mantel moest bewaren.
Van ’t bovengenoemde capa is ook afgeleid capucijn (monnik), wegens den kapmantel der orde.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kapel ‘bedehuisje; orkest’ -> Deens kapel ‘bedehuisje; orkest’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors kapell ‘bedehuisje’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kapell ‘bedehuisje’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kappeli ‘bedehuis’ <via Zweeds>; Ests kabel ‘bedehuisje’ (uit Nederlands of Nederduits); Indonesisch kapél ‘bedehuisje’; Papiaments kapèl (ouder: kapel) ‘bedehuisje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kapel bedehuisje 1102-1105 [Künzel] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal