Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kap - (bedekking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kap 1 zn. ‘hoofddeksel’; (BN) ‘capuchon’; (NN) ‘bedekking (van een huis etc.)’
Mnl. cappe ‘hoofddeksel; mantel met capuchon’ [1240; Bern.], daarna wrsch. ‘mantel of kleding in het algemeen’ in sulke die bonte cappe andoet ‘iemand die kleurige kleding draagt’ [1290; CG II, En.Cod], ‘bovendeel, bedekking’ in bijv. de cappe boven den torre van der ouder halle [1468-97; MNW].
Ontleend aan Laatlatijn cappa ‘hoofddeksel’ [6e eeuw; Devoto], bij uitbreiding ook ‘mantel met capuchon’ [7e eeuw; Rey]; zie ook → cape.
Ook ontleend: os. kappa (mnd. kappe > nzw. kappa ‘jas’); ohd. kapha ‘muts, hoofddeksel’, kappa ‘mantel; muts’ [13e eeuw; Pfeifer] (nhd. Kappe); ofri. kappa (nfri. kap ‘hoofddeksel, bedekking’); oe. cæppe (ne. cap).
Van cappa is de verdere herkomst onzeker: volgens Kluge21 is het een vóór-Indo-Europees substraatwoord. Andere hypothesen, zoals verband met klassiek Latijn caput ‘hoofd’ (Klein), zie → kaap, of met Sanskrit en Hebreeuws kippā, kappā ‘hoofdbedekking’ of Arabisch kaffijja ‘hoofdbedekking’, snijden geen hout.
Uit de oudste Middelnederlandse vindplaatsen is niet altijd duidelijk of een cappe dan nog slechts een hoofddeksel aanduidt, of ook al een mantel; gezien de voorkomende combinatie met aendoen, niet opdoen, is wrsch. al sprake van een mantel. Al in het Middelnederlands ontstonden afgeleide betekenissen als ‘kap van de hemel, het hemelgewelf’, ‘kap van een dak, wagen, wieg, enz.’. Kap als kledingstuk is inmiddels verouderd, maar in het BN kent men nog wel de betekenis ‘capuchon’.
Ook in samenstellingen als kapmantel ‘mantel met capuchon, vooral als dracht voor vrouwen uit de volksklasse’ [1864; WNT], in België in die betekenis nog tot halverwege de 20e eeuw (pers.waarn.).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kap [hoofddeksel, bovendeel] {cappe [hoofddeksel, bovendeel] 1201-1250} oudsaksisch, oudhoogduits kappa, oudengels cappa < middeleeuws latijn cappa [kap, mantel], etymologie onbekend. De uitdrukking de kap op de tuin hangen [zijn beroep verlaten] werd gezegd van de monnik die de mantel aan de tuin (het hek) van het klooster hing.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kap znw. v., mnl. cappe v., ‘kap; mantel met kap’, os. kappa, ohd. kappa (nhd. kappe), owfri. cappa, oe. cæppe (ne. cap). Uit het romaans ontleend, vgl. fra. chape, ital. cappa < vulg. lat. cappa. Het woord is eerst relatief laat, althans na de hoogd. klankverschui­ving overgenomen. — Zie verder: kapel 2, kaper 2, kappen 2 en kaproen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kap znw., mnl. cappe v. “kap (ook overdr.), mantel met kap”. = ohd. kappa v. “mantel (met kap)” (nhd. kappe), os. kappa, owfri. cappa, ags. cæppe (eng. cap) v. “id.”. Uit het rom. woord (wsch. niet oorspr. kelt.) laat-lat. (Isidorus) cappa, spa., port. capa, it. cappa, fr. chape “mantel” resp. “kap”. Overgenomen na de periode van de hd. klankverschuiving. Vgl. kapel II, kaper II, kappen II, kaproen.

[Aanvullingen en Verbeteringen] kap. Adde: ags. cappa m. “kap”, cantel-câp m. “mantel met kap” (eng. cope).

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kap. Adde: ags. cappa m. ‘kap’ en met lange vocaal cantel-câp ‘mantel met kap’ (eng. cope).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kap v., Mnl. cappe, gelijk Hgd. kappe en Eng. cap, uit Mlat. cappam (-a) = hoofddeksel, mantel met kap. Cappam (-a) gaf ook Sp. capa, It. cappa en Fr. chape, en is verwant met cupa: z. kuip.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. kap (de, -pen), (ook:) gewelfde doodkistdeksel met overgrijpende rand. Het ministerie van Sociale Zaken stelt een eenvoudige kist zonder kap ter beschikking, en een eenvoudige lijkkoets met geüniformeerde koetsier en dragers voor het vervoer (Buschkens 275). - Etym.: Deze bet. heeft het meest gemeen met AN veroud. k. = dakvormige deksel op een (open) graf (WNT 1926). - Zie ook: platte* doodkist.

II. kap (de, -pen), (ook:) overwinning bij troefcall*, door de daarvoor nodige zeven slagen alle achter elkaar te maken, door het koppel dat de troef heeft bepaald.
— : stinkende kap, als kap* (II), echter door het koppel dat de troef niet heeft bepaald.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kappie I: hoofbedekking v. vroue (i.p.v. hoed); Ndl. kap (dial. kappe, Mnl. cappe, by Kil kappe, maar destyds nog hoofbedekking v. manne en blb. later ook v. vroue), soos Hd. kappe en Eng. cap, uit ’n Rom. taal (vgl. Fr. chape en It. cappa) uit Ll. cappa, “mantel” (vgl. kapel I).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kap (Latijn cappa)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Kap (Den) op den tuin hangen, het klooster verlaten; kap = de monnikskap; men vindt ook in de oudere literatuur: de wiel (= den sluier), den huik (mantel) op den tuin hangen. Tuin = haag, verg. Hollandsche tuin en hgd. Zaun; óns tuin is het omhaagde, de afgesloten grond, verg. gelijken overgang in gaarde, hgd. Gatten, naast boomgaard en wijngaard (wingerd).

Kat en keuvel, eigenl. kap en keuvel, alles, alles en nog wat; ontkennend kat (kap) noch keuvel, in ’t geheel niets; mnl. cappe noch coveel (anders komt in ’t mnl, meestal covel voor, dat misschien hetzelfde woord is). De keuvel was ook een soort kap, maar ook een kapmantel, later althans meer voor vrouwenkleeding gebruikt, zooals blijkt uit Huygens 1, 563: “Kapp en keuvel, vreughd van Monick en Bagijn,” en bevestigd wordt door Stellwagen, Roomsche Woorden, die er voor geeft: “verouderd, voor hoofddeksel v. vrouwelijke kloosterlingen”. In de spreekwijze K. en K. zal echter eer te denken zijn aan kap en mantel, dan aan: kap voor man en vrouw, waarvoor vooral zou pleiten de in Z.-Nederl. nog bekende uitdrukking Kappe-over-keuvel = kop over staart, hol over bol enz., wat alleen zin heeft als keuvel = mantel en kap = ons kap is. Trouwens de kap kan ook mantel zijn, en keuvel kap, daar die bet. dooreenloopen. Sartorius, Adagiarium I, 4. 87: “Cap en Covel wagen”; II. 2, 62: “Kap ende kovel, ’t geit met de buydel”; Wolff en Deken, W. Leevend 8, 239: “Tot dat zij kap en keuvel inpakt”. In Z.-Ned. is nog bekend: Kap en keuvel verliezen, erspelen, verteren, wagen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kap ‘hoofddeksel; bovendeel van iets’ -> Deens kap ‘hoofddeksel; mantel; stuk gordijn; huidlaag; onderdeel van een schoen; bovendeel van iets; (scheepvaart) overtrek van een zeil, kanon of geweer; scherm, dak of luik; uitbouw bij de staf of gaffelzeil’; Noors kappe ‘mantel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds kapp ‘overdekking van trapgat (op een schip)’; Fins kappi ‘een kleine kap op het dek van een vaartuig als overdekking van naar het benedendek leidende trappen’ <via Zweeds>; Fins kappa ‘kap als bedekkend bovendeel van een kledingstuk of een venster’ <via Zweeds>; Indonesisch kap ‘lampenkap; bedekking, dak’; Jakartaans-Maleis kap ‘lampenkap; kap van een auto’; Kupang-Maleis kap ‘deksel; motorkap; dak, kap van een huis’; Madoerees ēkkap, kap ‘kap van een rijtuig’; Madoerees kap ‘lampenkap’; Makassaars ‘kap van auto, dogkar of fietstaxi’; Menadonees kap ‘hoofddeksel van zusters; lampenkap; kap van een rijtuig’; Minangkabaus kap ‘bovendeel van auto of lamp’; Sasaks kap ‘kap van een auto’; Soendanees kap ‘bedekking van een rijtuig’; Negerhollands kap ‘hoofddeksel, muts’; Berbice-Nederlands kapu ‘hoofddeksel’; Papiaments kap ‘bovendeel; deksel, kap van iets’; Sranantongo kapki ‘hoofddeksel; bovendeel van iets’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kap hoofddeksel 1240 [Bern.] <ME Latijn

kap bovendeel 1468-1497 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1077. Kap en (of noch) keuvel,

d.w.z. alles (of niets); eene uitdr. die sedert de middeleeuwen voorkomt o.a. in de Brab. Yeest. V, 2155: Danct Gode dat in rasten hi leven wille, ofte u en blijft cappe noch coveel. Zie verder Sartorius II, 2, 62: kap ende kovel, 't gelt met de buydel, vertaling van una cum ipso canistro; Campen, 84: hy heft capp ende coevel verteert; Sart. I, 4, 87: cap en covel wagen; Everaert, 23; Snorp. 40; II, 12; Harreb. I, 380: Dan is kap en keuvel verloren. Er is kap noch keuvel aan te vinden; II, LXXIV: Hij brengt kap en keuvel naar de maan. Hij zou je kap en keuvel van het lijf praten of aan elkander praten. Hij zou kap en keuvel weggeven. Met kap en keuvel, d.i. met al wat er toebehoort; Pic-nic in Proza2, bl. 391: Jaar in jaar uit heb ik telkens met hem over Menzel al kap en keuvel afgepraat. - Onder kap is te verstaan de monnikskap; ook een covel was een mantelkap, monnikskap. Het onderscheid tusschen cappe en covele is evenwel niet duidelijk; hoogstens zal het slechts een klein onderscheid in den vorm zijn geweest (Mnl. Wdb. III, 2008; Tuinman I, nal. 32; De Cock1, 144 en Joos, 142); later evenwel werd bet laatste meer toegepast op een vrouwenkap, zooals blijkt uit Huygens V, 50: Kap en keuvel, vreughd van Monick en Bagijn; zie ook Taalgids II, 103 en Stellwagen, Roomsche Woorden, 152. In Zuid-Nederland kent men: kap en keuvel verliezen, wagen,Ook op Goeree en Overflakkee: Er kap of keuvel aan wagen (zie N. Taalgids XII, 149). verteren, alles verteren, kapje en keuveltje opeten, verspelen (De Bo, 490). In de plaats van deze spreekwijze hoort men ook wel ‘kap en kogel’, dat in het Oosten van ons land en volgens Schuermans, 220 ook in Limburg gezegd wordt, en voorkomt in het Noordbrab. kap en kogel afloopen, alles, stad en dorp afloopen (Schuerm. Bijv. 147); in Limb. iemand kop en kogel afwinnen ('t Daghet XII, 127) en Waasch Idiot. 325: kap en kegel wagen. Dit kogel (vgl. Veluwe: biëkugel, imkerkap) is geen verbastering van kovel, maar het hd. kugel, kogel, mlat. cuculla, eng. cowl, dat eveneens mantelkap beteekent, en in het Mnl. in de oostelijke tongvallen in gebruik is geweest, doch reeds niet meer bij Kilaen wordt gevonden (Mnl. Wdb. III, 1676). In de Rijn-provincie zegt men: he hett ôk Kat on Kogel verspölt (Eckart, 251); in het fri. hy kin kat en kevel op. Vgl. ook S.M. 3: Geen permetasie (familie?) - Geen kat of keuvel, ze ware heelemaal alleen met z'n beie.

1078. De kap op den tuin hangen,

d.w.z. een beroep vaarwel zeggen; eig. gezegd van een monnik, die zijn kapmantel over den tuin (= omheining, haag, muur) van het klooster hangt en dit verlaatEene voorstelling hiervan is te vinden op de schilderij van Breughel (no. 61); vgl. omtuinen, Haarlemmer houttuinen, teertuinen (Amsterdam).. In de 16de eeuw treffen we de spreekwijze aan bij Plantijn: De cappe op den thuyn hanghen, pendre la chappe à la haye, iecter le froc aux orties, eiicere cucullam, apostatare, monachismum deserere, votifragum agere monachum; bij Anna Bijns, Refr. 56; 83 en 105; Tijdschrift XXI, 100: Wy willen de cappe opten tuyn gaen hanghen (anno 1524); Poirters, Mask. 101 kent ook de wiel (sluier) op den tuyn hanghen, dat natuurlijk oorspr. van eene non gezegd is; Pers. 822 a spreekt van den huyck op den tuyn hanghen. Varianten van deze spreekwijze zijn: zijn kap over de haag smijten of werpen; de kap op den tuin werpen (zie Ndl. Wdb. VII, 1415); het fri.: hy het syn brân oan 'e wân (zijn strijdzwaard aan den wand) hongen; het roer in de heg steken, de spade op den dijk steken; het anker achter de kat (paal op de kaai) werpen; het penseel in het spek steken, de schilderkunst vaarwel zeggen (Sewel, 635); de nal (naald) in 't spek steken (van een schoenmaker; Molema, 275 b en Draaijer, 38 b); de toga aan den kapstok hangen; Limb. de ploeg aan den wand hangen ('t Daghet XI, 95); de kap over de haag smijten (Volkskunde XIV, 144; Waasch Idiot. 270 a). Ook de Franschen zeggen: jeter le froc aux orties naast pendre l'épée au croc; bij Reuter, 128: sinen Preister an de irste beste Wide hängen; Wander II, 1739: er hat die Kutte an den Nagel gehängt; Dirksen I, 67: de nadel in 't spek steken; bl. 78: de rok an de nagel hangen; stadsfri. hij hangt den stok aan den muur, hij houdt op verkooper te zijn.

1099. Zijn kat (of poes) sturen (of zenden),

d.w.z. niet verschijnen; niet komen, waar men verwacht wordt; Prov. Comm. 699: Tseynt menich sinen hont, daer hi selve niet comen en wil; mlat.: Mittimus interdum quo nolumus ire catellum (Wander II, 856); Valentijn, O.I. II, 2, 128 a; Tuinman II, 201: Hy stiert zyn kat, dat zegt men van yemand, die ergens zelf niet komt, noch daar na omziet, zo dat men zich van hem niet meer bedienen kan, dan of hy zyn kat had gezonden; Harreb. I, 387: Hij stuurt zijn kat, men zegt dit van iemand, wien men te vergeefs wacht, en past het byzonderlijk toe op den persoon, die de voldoening eener achterstallige rekening lang laat uitblijven; Van Eijk, 44; Ndl. Wdb. VII, 1793; De Tijd, 29 April 1914, p. 5 k. 1: Zij wenschten de aanwezigheid van Zijne Excellentie (Theobald von Bethmann Hollweg) in de begrootingscommissie. Maar Theo zond zijn poes in den vorm van een brief aan den voorzitter; De Bo, 498: Hij zendt er zijne katte naar toe, hij wacht zich wel van daar te gaan; hd. er schickt seine Katze, bekümmert sich selbst um die Sache nicht (Wander II, 1204).(Aanv.) Volgens Ndl. Wdb. VII, 1418 ook: Zijn kap sturen of zenden.

1547. Gelijke monniken, gelijke kappen,

d.w.z. menschen van eene soort hebben dezelfde eigenschappen of rechten; ook bij het verdeelen van iets: menschen met gelijke rechten maken aanspraak op gelijke deelen. Zie Campen, 112: Gelycke Monnicken draegen gelycke cappen; Sartorius I, 5, 75: Gelijcke Moniken gelijcke kappen; ook Sart. II, 1, 15; 10, 35. Zie verder Spieghel, 284; Tuinman I, 27; Harreb. I, 381 a; III, 246 a; Het Volk, 11 Juni 1914, p. 2 k. 1: Maar een havenpotentaatje dwingen zijn door hem zelf onderteekend kontrakt na te komen en de arbeider vrijlaten in de overtreding, dat is onbillijk. ‘Gelijke monniken, gelijke kappen’, heette het; Schoolblad, XLIII, 1789: Niet enkel gelijkstelling van ons (Katholiek) onderwijs met het openbare moet onze leus zijn. Daar moet ook komen een gelijkstelling van alle onderwijzers, die hun liefde verpand hebben aan ons Katholieke onderwijs. Gelijke monniken, gelijke kappen. Vgl. hd. gleiche Brüder, gleiche Kappen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal