Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kansel - (preekstoel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kansel zn. ‘preekstoel’
Vnnl. cantzel ‘spreekgestoelte’ [1573; Thes.], kancel, kantsel ‘id.’ [1599; Kil.]; nnl. pas in de 18e eeuw buiten de woordenboeken kansel ‘preekstoel in een kerk’ [1764; WNT].
Ontleend aan Duits Kanzel ‘spreekgestoelte’, Oudhoogduits kanzella ‘afscheiding tussen koor en middenschip (van een kerk)’ [ca. 800; Pfeifer], ontleend aan Latijn cancellī ‘traliewerk, hekwerk voor het altaar’, algemener ‘hekwerk, omheining’, meervoud van cancellus ‘raster, tralie’, het verkleinwoord van cancer ‘tralies’, dat wrsch. een gedissimileerde vorm van carcer ‘kerker’ is, van verder onduidelijke herkomst.
De bisschop preekte vroeger van achter zijn katheder, die aan het eind van het koor achter het altaar stond. Predikte de diaken, dan deed hij dat van een verhoogde plaats vlak voor de afscheiding tussen koor en middenschip. De naam van deze afscheiding bleef later de benaming van het spreekgestoelte, ook toen de vorm en plaats ervan varieerden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kansel [preekstoel] {cantzel [verhoging] 1573, kantsel [preekstoel] 1599} < hoogduits Kanzel, oudhoogduits cancella, chanzella [oorspr.: afgezonderde plaats voor de geestelijkheid] < latijn cancelli (mv.) [traliewerk, hek (rond altaar)], verkleiningsvorm van cancer [traliewerk], met dissimilatie uit carcer (vgl. kerker).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kansel znw. m., sedert Kiliaen, die echter kancel, kantsel een germanisme noemt. Dus < nhd. kanzel, vgl. ohd. cancella, chanzella. In de oude kerk preekte de bisschop van zijn katheder, die aan het eind van het koor achter het altaar stond. Werd echter de preek door een diaken voorgelezen, dan had dit plaats van een verhoogde lessenaar, die geplaatst was bij het koorhek, dat het koor van het middenschip scheidde. Dit hek heette cancelli altaris (waarin lat. cancellus ‘tralies’ betekent). De naam van het koorhek ging nu over op de lessenaar en zelfs op de gehele koor­ruimte (vgl. ofra. chancel > ne. chancel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kansel znw., sedert Kil., die kancel, kantsel “Germ.” noemt. ’t Woord is dan ook ontleend uit hd. kanzel v. < ohd. cancella, chanzella v. “afgezonderde plaats voor de geestelijkheid”, dan “kansel”. Uit lat. cancelli, cancellus “tralies”, speciaal cancelli altaris “traliehek rondom het altaar, door een hek van ’t schip van de kerk afgeschoten ruimte”. Hieruit ook ofr. chancel > eng. chancel “koor van een kerk”. Van lat. cancelli “door tralies afgesloten ruimte”, vandaar “estrade (speciaal: plat dak), vanwaar bekendmakingen werden voorgelezen” komt ook mlat. cancellârius (oorspr. beteekent cancellarii “qui litteras principibus missas habent exponere”) > fr. chancelier, ndl. kanselier (reeds mnl.; wsch. onder invloed èn van ’t lat. èn van ’t fr. woord opgekomen; minder wsch. is ’t, dat ’t van een pic. vorm met anlaut k zou komen), een internationaal woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kansel m., uit Hgd. kanzel, hetwelk van Mlat. cancelli = traliewerk, afgezonderde plaats voor de geestelijken, preekstoel. Cancelli is meerv. van cancellus, dimin. van Lat. cancer = kreeft (z. kanker), waarvan het meerv. cancri ook traliewerk beduidde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kansel (D, O, P, FV, DB), zn. m.: gevlochten korf met één hengsel. Hetzelfde woord als Ndl. kansel ‘preekstoel’ < D. Kanzel < Ohd. kanzella < Mlat. cancella < Lat. cancelli ‘hek, tralie’. De Wvl. bet. is wellicht een betekenisverschuiving uit ‘gevlochten hek, ruimte door vlechtwerk omgeven’.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

kan’sel (de, -s), idem, preekstoel. Het altaar is een houten optrek. Geen kansel, slechts een slanke standaard waarop een dik boek (Roemer 1982: 247). - Opm.: Het woord ’preekstoel’ is in Sur. vrijwel onbekend, in AN het meest gebruikte woord. Zie echter preektafel*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kansel (Duits Kanzel)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Kansel, van ’t Lat. cancelli = het traliewerk, dat in de kerk de plaats voor de geestelijken afzonderde; later ging de naam op den preekstoel over.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kansel ‘preekstoel’ -> Creools-Portugees (Ceylon) cansel ‘preekstoel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kansel preekstoel 1599 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal