Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kannibaal - (menseneter)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kannibaal zn. ‘menseneter’
Vnnl. Canibal, Cannibael ‘lid van een mensenetend volk in het Caraïbisch gebied’ in die gheerne als die Canibalen ghebraden meinschenvleesch aten ‘diegenen die graag gebraden mensenvlees aten, zoals de Cannibalen’ [1566; WNT], ook al overdrachtelijk ‘barbaar, wilde, zeer onbeschaafd persoon’ in dees contrey ... alwaer (soo my bedunckt) het schuym der Canibalen, ... te saem gevloten is [1630; WNT bedunken]; nnl. kannibalen ook algemeen ‘menseneters’ [1879; Groene Amsterdammer].
Internationaal woord, ook bijv. Engels cannibal, Frans cannibale, Duits Kannibale, alle uit de 16e eeuw, in de West-Europese talen geïntroduceerd via het Spaans. Columbus (1451-1506) beschreef in zijn dagboeken de Caraiben, de inheemse bewoners van bepaalde Midden-Amerikaanse eilanden, onder stamnamen als caníbales, caribales, caribe en nog enkele andere vormen, die hij willekeurig door elkaar gebruikte. De woordstam carib- betekende in de Caribische indianentalen ‘dapper, krachtig’ of ‘dappere man’. Ook de naam van de eilandengroep Caraïben gaat uiteindelijk hierop terug.
De variant caníbales met -n- is misschien een Arawakse vorm. Vijandige Arawakken beschreven de Cariben als menseneters en hoopten dat de Europeanen hen zouden vernietigen. Bartolomé de las Casas schrijft hierover in 1494: ‘de admiraal zegt hier dat zij dit woord canibales daar allemaal gebruikten uit vijandschap’; men besluit om ir á las islas de los caníbales para las destruir ‘naar de eilanden van de Canibalen te gaan om die (eilanden) te verwoesten’ (Friederici). Twintig jaar later werd het woord canibales al direct geassocieerd met menseneten, zoals blijkt uit een citaat bij Peter Martyr, publicist over Columbus' reizen, in 1526: ...caníbales, zoals ze toen degenen noemden die wij nu caribes noemen, die degenen zijn die mensenvlees eten’ (Friederici).
Dat het woord verband zou houden met Latijn canis ‘hond’ is een pas later voorgestelde pseudo-etymologie. Weinig wrsch. is ook de veronderstelling dat Columbus de vorm met -n- koos, omdat hij verband legde met de door hem gezochte Gran Can, de ‘grote Khan’, d.w.z. de Mongoolse heerser Kublai Khan, bekend uit de 13e eeuwse reisbeschrijvingen van Marco Polo.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kannibaal [menseneter] {1566} < spaans canibal, een misvorming, onder invloed van can [hond], van de naam Caribal [Caribische indiaan], welke Columbus noteerde. Het caribisch zelf heeft galibi met de betekenis ‘sterke mannen’. De praktijk van het mensen eten maakte dat de naam van de Caraïben het woord voor menseneter werd.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kannibaal znw. m. ‘menseneter’ (sedert 1566), evenals nhd. kannibale (1508), ne. cannibal, nfra. cannibale (1553) < spa. cannibales, een woord, dat Columbus in 1492 vormde naar aanleiding van het mensenetende volk der Caniba, die hij op zijn eerste reis in Cuba ontdekte (vgl. R. Loewe, Zfvgl. Sprachf. 61, 1933, 38 vlgg.).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kannibaal znw. Internationaal woord, teruggaande op spa. canibal uit caribal. Oorspr. de naam van menschenetende bewoners van de Caraïbische eilanden.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kannibaal. Bijzonderheden over de geschiedenis van spa. canibal, het eerst door Columbus gebruikt, bij Loewe KZ. 61, 38 vlgg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kannibaal m., over Sp. canibal, dissim. van caribal = Karaïbe.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

kannibaal: bloeddorstig, wreedaardig persoon. Het woord is eigenlijk afkomstig van het Spaanse Caribal (de benaming van Colombus voor de Caribische indianen), dat onder invloed van ‘can’ (hond) werd vervormd tot Canibal. De praktijk van het mensen-eten maakte dat de naam van de Caraïben het woord voor ‘menseneter’ werd, aldus Van Dale. Als scheldwoord is het erg geliefd bij kapitein Haddock. Eddy Merckx had destijds als bijnaam de kannibaal omdat hij zijn tegenstanders geen enkele overwinning gunde. Hij vrat als het ware de concurrentie met huid en haar op. In de wielerterminologie is het woord synoniem voor een eerzuchtig kampioen. Fransen gebruiken cannibale ook als een smalende benaming voor een landbouwer.

Beschaafde kannibalen, die elkaâr iederen dag met heele kleine stukjes verscheuren en opeten, in hun familie-kritiek. (Louis Couperus, De Kleine Zielen, 1901)

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kannibaal (Spaans canibal)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kannibaal ‘menseneter’ -> Indonesisch kanibal ‘menseneter’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kannibaal menseneter 1566 [WNT] <Spaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal