Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kamille - (plantengeslacht uit de Composietenfamilie (Matricaria))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kamille zn. ‘plantengeslacht uit de Composietenfamilie (Matricaria)’
Mnl. comomille ‘kamille’ [1305; MNHWS], salven (dat hovet) mit olie van camillen ‘het hoofd insmeren met kamille-olie’ [ca. 1460; MNW]; nnl. kamille [1724; WNT].
In de oudste vorm, evenals bijv. Frans camomille en Engels camomile, ontleend aan middeleeuws Latijn camomilla [9e-10e eeuw; Rey], een vormvariant uit klassiek Latijn chamaemelon, ontleend aan Grieks khamaímēlon ‘kamille’. Het Griekse woord betekent letterlijk ‘grondappel’ en is gevormd uit khamaí ‘op de grond’, zie → kameleon, en mẽlon ‘appel’, zie → meloen, omdat de geur van de bloem aan appels deed denken, volgens de Griekse arts Dioskorides en de Romeinse schrijver en naturalist Plinius de Oudere (beiden 1e eeuw na Chr.). Mogelijk is het ook een pre-Grieks substraatwoord, dat volksetymologisch is aangepast aan deze twee woorden. De jongere, kortere vorm camille, kamille is identiek aan Duits Kamille (al mhd.) en kan daar dus aan ontleend zijn, maar kan ook onafhankelijk zijn ontstaan door haplologie. In het middeleeuws Latijn is overigens ook al een korte vorm camillae [9e eeuw; Prinz] geattesteerd.
De kamille is inheems in heel Europa en staat bekend om zijn geneeskrachtige werking. Het Latijnse woord komt in de wetenschappelijke taxonomie alleen terug in de soortnaam Matricaria chamomilla ‘echte kamille’, waarin het eerste woord is gevormd uit mater ‘moeder’ en carus ‘dierbaar’ en dus letterlijk ‘moederlievend’ betekent, verwijzend naar de vrouwenkwalen die kamille kon genezen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kamille [plantengeslacht] {camilleblome [kamillebloem] 1351, naast kamamille, camomille 1305} < frans camomille < laat-latijn camomilla < latijn chamaemelon < grieks chamaimèlon [idem; lett.: grondappel], van chamai [op de grond] (vgl. kameleon) + mèlon [appel, vrucht], zo genoemd naar de appelgeur van de bloemen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kamille znw. v., dial. ook kamelle, kemille, kermille ‘matricaria chamomilla’, mnl. camille naast camomille, ws. over fra. camomille < lat. camomilla < gr. chamaimēlon.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kamille znw., reeds mnl. camille naast camomille v. Een internationaal woord, teruggaande op mlat. camomilla, gr. khamaímēlon. Wsch. ’t eerst als geneeskundige term in West-Europa verbreid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kamille v., gelijk Hgd. id., uit Mlat. camamillam (-a), van Gr. khamaímēlon, d.i. aardappel, naar den appelgeur der bloem: gev. met khamaí = ter aarde(z. bruidegom) en mẽlon = appel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

kermil, zn.: kamille. Met verdofte voortonige klinker en epenthetische r < kamil ‘kamille’.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

kamil, karmil, kermil, kramil, kremil, zn.: huttentut, vlasdodder, Camelina sativa, Myagrum sativum. Fr. caméline. Uit het Latijn. Karmil met r-epenthesis, kramil door metathesis. Samenst.: k(r)amilbessem ‘bezem van kamilstro’, kamilsmout ‘olie uit kamilzaad’, kamilstro, kamilzaad. Soms is karmil/kermil/kremil ook een vorm van kamille, zie kamilbloem.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

krullemul(le) zn. : grote margriet, Chrysanthemum leucanthemum; kamille, Matricaria chamomilla. Verhaspeling van kamille, door volksetymologische associatie met krul en kurremul. Waaslands kamul = kurremul ‘kamille’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kamilde (R), zn. v.: kamille. Met Ovl. ld < Fr. l mouillé in Fr. camomille < Mlat. camomilla < chamaemelon. Teirlinck (ZO) noch LC (G) geven evenwel kamilde. De ld-var. wordt ook niet vermeld bij Tavernier 1970.

kamul (B, W), kurremul (W), zn. m.: Chrysanthemum parthenium, Pyrethrum parthenium, Matricaria parthenium, moederkruid, of wellicht Matricaria chamomilla. Kamul door klinkerronding i/u na m; kurremul met r-epenthesis. Niet te verwarren met kurremul 'gruis'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

kamermille (DB), zn. v.: Anthémis arvensis, wilde kamille, valse kamille. Met r-epenthesis < kamille, Mlat. camomilla.

Thematische woordenboeken

W. Deconinck (2019), Plantennamen nader toegelicht, Kortrijk.

kamille
Schijfkamille | Matricaria discoidea DC.
Echte kamille | Matricaria recutita L.
Reukeloze kamille | Matricaria maritima L.
Valse kamille | Anthemis arvensis L.

De bloemen van de meeste Kamille-soorten hebben een aangename geur die aan appels doet denken. Daarmee wordt verklaard dat de naam Kamille komt van Chamaimelon, de Griekse naam voor de plant, die bestaat uit chamai en melon, die respectievelijk op de grond of op de bodem en appel betekenen, zodat gedacht kan worden aan een op de grond groeiende appel. Maar het is ook mogelijk dat gezinspeeld wordt op een plant die voor de bloei mooi ronde bloemhoofdjes draagt die lijken op appeltjes.

In België verplichtte de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog de inwoners om in grote hoeveelheden kamillebloemen in te zamelen. Die werden dan gebruikt om kamillethee van te maken, goed voor maag- en darmaandoeningen en andere ziekten waarmee de Duitse soldaten te kampen hadden. De Echte kamille werd in Duitsland als geneeskrachtige plant van het jaar 1987 uitgeroepen.

F. Kok (2007), Waarom brandnetel?, Nieuwegein

Kamille (echte), Matricaria recutita
Matricaria: deze naam is afgeleid van het Latijnse woord ‘mater’, dat ‘moeder’ betekent. Recutita: de plant of een onderdeel van de plant lijkt besneden. In de praktijk is hiervan geen sprake.
Echte kamille: de naam Kamille is een verbastering van het Latijnse chamomilla. De naam is ontstaan omdat echte kamille naar appelen ruikt en laag bij de grond groeit, chamai = op de grond, en melon = appel.

H. Kleijn (1970), Planten en hun naam: Een botanisch lexicon voor de Lage Landen, Amsterdam

Matricária | Matricária chamomílla: Echte kamille
De wetenschappelijke geslachtsnaam is afkomstig van matrix: baarmoeder, dat zelf weer afgeleid is van mater: moeder; en luidt vertaald: Moederkruid. Dit omdat de plant aangewend werd bij baringen en ziekten van het kraambed.
De Latijnse soortnaam is afkomstig van het Griekse woord chamaimelon. Dit woord bestaat uit chamai: klein, nederig, op de bodem, en melon is appel of kwee; dus op de bodem groeiende kleine appel. Waarschijnlijk sloeg dit op de geur als die van een appel en de min of meer ronde vorm van het hartje van de bloem. Vlaamse volksnamen die hierop duiden zijn: Apel, Appellijn en Ep(p)ellijn. Uit dit chamaimelon ontstond de Middellatijnse naam chamomilla, waaruit tenslotte kamille als volksnaam resulteerde. Dit was eveneens in andere landen het geval en zo ontstonden volksnamen als Camomille (Frankrijk), Kamille (Duitsland) en in Engeland Camomile.
Men zou verwacht hebben dat een dergelijk bekend en gewaardeerd plantje vele volksnamen zou hebben, maar dit is allerminst het geval. Wel zijn er vele dialectische en gewestelijke vormen als men het zo wil noemen. We zullen enkele de revue laten passeren: Kamelle in Salland en in het graafschap Zutphen, Karmillen op Overflakkee, Kemillen op verscheidene plaatsen, Kommille in Waterland, Wilde karmel op Texel, en in Friesland is de volksnaam Kremelleblom. Waarschijnlijk niet meer voorkomend zijn Kamillemoederkruid en Moederkruid. Namen die geen nadere toelichting behoeven, gezien het voorgaande.
In oude handschriften uit de vroege middeleeuwen komt men namen tegen als Camilla of Camomilla. Een Oudmiddelnederlandse naam uit de dertiende eeuw was Meghedeblomen, ook Megdeblommen (Maagdebloemen). Deze namen zullen hun oorsprong wel hebben bij Dioscorides, want deze schreef de plant onder meer voor bij menstruatiemoeilijkheden. Vanwege de sterke geur kreeg op Walcheren de plant namen als Stinkende kamille en Stinkers. Waarschijnlijk zijn deze namen ontstaan onder invloed van het nabije België, want daar heet ze Stinkwied (wied: onkruid). De namen Zere-ogenbloem in Waterland, en Kwade-ogenbloem in het Land van Hulst, duiden op het gebruik om oogziekten te genezen. Men kookte de Kamille in melk en legde het papje op de ogen. Men beweerde dat het zeker hielp.
Weinig inheemse geneeskruiden genieten zulk een goed onthaal als de kamille. De geneeskrachtige werking is bij de massa vooral bekend als middel bij ontstoken tandvlees, tand- en kiespijn. We zullen ons onthouden de ziekten en kwalen te vermelden die met dit kruid te genezen zijn. Alleen dit: vóór de tijd dat de kinine in gebruik kwam om koorts te verdrijven, werd de kamille hiervoor veelvuldig aangewend.
De geur van de plant is goed waar te nemen wanneer men haar - vooral de bloemen - tussen de vingers wrijft. Deze geur wordt veroorzaakt door een etherische olie die zij bevat. Voor geneeskundige doeleinden wordt zij ook gekweekt. De eigen kweek is niet zo groot dat aan alle vraag voldaan kan worden en zodoende is men genoodzaakt onder meer uit Hongarije en Joegoslavië het kruid te importeren. In de Nederlandse Farmacopee treft men de plant aan onder het hoofd Flores chamomillae vulgaris of Gewone Kamillen. In het volksgeloof beweerde men dat men de bloemhoofdjes voor 24 juni, Sint Jan, moest plukken, anders gingen de heksen op de plant wateren; elders geloofde men dat na die dag, de plant in de Valse kamille (Ánthemis arvénsis) veranderde. Om het huis vrij van heksen te houden, moest men de plant boven de ingang van het huis of aan de zoldering hangen. Zodra nu een heks binnentrad begonnen de opgehangen planten te bewegen.

Anthemis | Anthemis arvénsis: Valse Kamille
Anthemis komt van het Griekse anthemon: bloem, bloemig, omdat de soorten van dit geslacht in de regel veel bloemen bezitten, die lang bloeien. Het kan ook zijn afgeleid van het verkleinwoord van anthos: bloem, omdat het geslacht in vergelijking met andere samengesteldbloemigen kleine bloemhoofdjes heeft. Bij ons komen van de anthemissoorten slechts twee soorten algemeen voor, het zijn de bovenvermelde en de Stinkende Kamille (A. cotula). Voor een leek zijn de anthemissoorten moeilijk van de Echte Kamille (Matricária chamomílla) en andere soorten van het geslacht Matricaria te onderscheiden.
Wil men ter bepaling van de soorten niet op de wetenschappelijke namen afgaan, maar op de volksnamen, dan is dit ook niet goed mogelijk, want dan stoot men veelal op een naam verbonden met Kamille. Om de twee geslachten op een gemakkelijker manier van elkaar te leren onderscheiden, zij gezegd dat de Anthemissoorten een gevulde bloembodem bezitten en de Matricariasoorten een holle. Door het overlangs doorsnijden van het bloemhoofdje kan men dit gemakkelijk konstateren. Bij de Matricariasoorten ontbreken de vliezige stroschubben tussen het gele hartje, bij de Anthemissoorten zijn die wel aanwezig.
De naam Kamille is een verbastering van het Latijnse chamomilla in het Middellatijns camomilla. Plinius deelt mee dat de naam ontstaan is omdat de echte Kamille naar appelen ruikt en laag bij de grond groeit, want chamai beduidt op de grond, en melon: appel.
De Valse Kamille heeft al naar de streek vaak een dialektische naam, zoals in het Fries Kamelle, Kamelleblom of Kremelleblom, Kamillen in de Achterhoek en Kamellen in Twente. Naar het gele hartje van de bloem heeft men vergelijkingen gemaakt met de ogen van een koe of os. Zo komen we namen tegen als Koeieoog en Osseoog, die waarschijnlijk niet meer onder de bevolking leven. De twee soorten arvensis en cotula werden vaak met elkaar verwisseld, hetgeen vanwege de sterke gelijkenis van bloem en blad te begrijpen is. In oude kruidboeken vindt men bijvoorbeeld bij Fuchs en Dodonaeus slechts de Stinkende kamille met Coeooghe aangeduid. Daarentegen is de Franse volksnaam voor arvensis in overeenstemming met die van ons en wel Oeillet-de-vache, dit is eveneens het geval met de Duitse volksbenaming Rindsauge of Kuhaug(e).
De naam Zere-ogenbloem in Waterland is te verklaren, indien men ervan uitgaat dat de bevolking de verschillende op elkaar gelijkende planten dooreen heeft gehaald en de Valse kamille voor een Echte kamille heeft aangezien of geheel geen onderscheid maakte. Slaat men Matricaria chamomilla bij Heukels op, dan komt ook onder dit hoofd, voor Waterland de naam Zere-ogenbloem voor. Ten overvloede nog dit: Dodonaeus geeft op dat de Valse kamille niet als geneeskruid wordt aangewend. Op bladzijde 438 van zijn Cruydt-Boeck schrijft hij over de Camille ondermeer ‘Sy suyvert ende heylt oock alle oude wonden ende sweeringhen, ende Sonderlingen die aan de hoecken van de ooghen komen, gestooten ende daer op gheleydt, oft alsmen de selve wast met het water daer Camille inghesoden is.’
De naam Poddeblom of Paddebloem duidt erop dat de plant groeit op plaatsen waar ook padden voorkomen. Op de groeiplaatsen, zandig bouwland en andere zandige plaatsen, zijn zeker padden aan te treffen en waarom dan niet een en ander met elkaar in verband gebracht! Maar ook de Stinkende kamille heeft volksnamen als Paddebloem en Poddekrûd, dus ook hier in deze benamingen geen verschil tussen de twee anthemissoorten. De Stinkende kamille (A. cotula) heeft haar naam te danken aan de onaangename geur van de plant. Zo vinden we de volgende namen vermeld die voor zich zelf spreken: Aasbloem, Aaskruid, Stinkbloem in Zuid Holland en Walcheren, en in Groningen Stinkbloum. De Latijnse naam die Fuchs aan de plant gaf, namelijk Cotula fetida, duidt eveneens op de niet erg gewaardeerde geur, want deze naam wil eveneens zeggen Stinkende cotula. Fuchs schrijft de plant nog wel enige geneeskracht toe, want het fijn gewreven, gedroogde kruid met honing ingenomen lost de zwarte gal en de fluimen op. Het is eveneens goed voor die lui, die een korte adem hebben of aan zwaarmoedigheid lijden. Het gedroogde kruid is eveneens goed voor diegene die last heeft van stenen in de blaas. Tegen draaierigheid in het hoofd wordt het eveneens aangeprezen, maar dan ook weer vermengd met honing of azijn. De soortnaam cotula is afkomstig van het Griekse woord kotule: beker, drinknap en zinspeelt op de vorm van het omwindsel.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kamille ‘plantengeslacht’ -> Japans kamitsure ‘plantengeslacht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kamille plantengeslacht 1351 [HWS] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal