Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kachel - (veulen)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kachel3 [veulen] {cachtel 1351-1400} naast catel, catteel, cateil(e), evenals frans chaptel en engels cattle < middeleeuws latijn capitale [vee] (vgl. kapitaal).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kachel 2 znw. o. m. (zuidholl. en zeeuwse eilanden, naast kachtel) ‘veulen’, mnl. cachtel, westvla. kachtel < kaftel < ofra. pikard. captel (anders chaptel) ‘kapitaal, bezit’ (nfra. cheptel ‘veepachtcontract’) < lat. capitale (H. Kern Ts. 20, 1901, 43-45). — Zie: veulen.

Voor de verspreiding van dit ook in Frans-Vlaanderen algemeen bekende woord zie Fryske Studzjes (feestb. J. H. Brouwer) 1960, 43.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kachel 2 m. (veulen), Vla. ook kachtel, gelijk Fr. cheptel en Eng. cattle = vee, uit Lat. capitale: z. kateel.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

kachel, zn. o.: veulen. Ovl. ook kachtel. Mnl. cachtel ‘veulen’ < *kaftel < Pic. captel < Mlat. capitale ‘vee, stuk vee’, waaruit ook Mnl. cateil ‘stuk vee, jong veulen’, E. cattle. Afl. kachelen ‘veulenen’; samenst.: kachelmerrie ‘drachtige merrie’, kachelpaard ‘id.’.

kafje zn. o.: veulentje (kindertaal). Dim. van kachel door wisseling van ch/f.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

kachtel, kachel, zn.: veulen. Mnl. cachtel 'veulen' < *kaftel < Pic. captel < Mlat. capitale 'vee, stuk vee', waaruit ook Mnl. cateil 'stuk vee, jong veulen', E. cattle.

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

kachtel, kachel, kachsel, kassel veulen (West-Vlaanderen, Zeeland, Frans-Vlaanderen). Evenals eng. cattle « oudpic. ca(p)tel « mlat. capitale ‘bezit’ (afl. van caput ‘hoofd’). Dat de betekenis ‘veulen’ is en niet ‘paard’, is misschien toe te schrijven aan het einde -el, dat als verkleiningssuffix geïnterpreteerd zou zijn.
TNZN I 5, WNT VII 837, NEW 294, TNTL XX 43-45.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

kachel (van kacheloven)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kachel ‘(gewestelijk) veulen’ -> Negerhollands kachel, kaggel ‘veulen’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal