Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kachel - (verwarming)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kachel 1 zn. ‘verwarmingstoestel’
Vnnl. met spijse ende dranck nv sitten wy by den cacgel oven ‘tegelkachel’ [1544; WNT], kakelstove, kacheloven [1573; Thes.], cacheloven [1591; WNT], kaeckel-oven [1599; Kil.], in de verkorte vorm cacchel ‘tegelkachel’ [1591; WNT], cachelsteenen, tot een cachel in de Latynsche schole ‘tegelstenen t.b.v. een kachel in de Latijnse school’ [1642; WNT]; nnl. ijzere kachgels [1770; WNT], gaskachels [1885; WNT vullen I].
Verkorting van kacheloven ‘tegelkachel’, ontleend aan Duits Kachelofen ‘id.’, met daarin een eerste lid Kachel ‘aardewerken tegel’, ontwikkeld uit Oudhoogduits kahhala ‘aardewerken pot’. Dit moet een leenwoord zijn geweest uit vulgair Latijn *cac(c)alus of *cac(c)ulus, klassiek Latijn cac(c)abus ‘kookpot’ of het verkleinwoord cac(c)abulus daarvan; cac(c)abus is ontleend aan Grieks kák(k)abos ‘id.’, van onzekere verdere herkomst maar misschien afkomstig uit een pre-Indo-Europese substraattaal of een Semitisch leenwoord.
Het Nederduitse equivalent van Hoogduits Kachel is kakel, een vorm die sporadisch ook in het Vroegnieuwnederlands voorkomt. Uit het Nederduits ook nzw. kakelugn (ugn = ‘oven’) ‘tegelkachel’ [1562; SAOB].
De Oudhoogduitse betekenis ‘aardewerken pot’ leeft nog min of meer voort in Zwitsers-Duits kachel(i) ‘aardewerken schotel(tje)’, maar verouderde in het Middelhoogduits; in die periode ontstond de samenstelling kacheloven [13e eeuw; Pfeifer] voor een kachel waarvan de wanden bestonden uit holle aardewerken platen. Later waren dit ook wel vlakke platen, waardoor de betekenis van kachel verschoof naar ‘vlakke aardewerken plaat, tegel’. In het Nederlands werd de hele samenstelling kacheloven ontleend, maar trad al snel verkorting op tot het eerste lid kachel ‘kacheloven’. Met de voortschrijdende verwarmingstechniek breidde de betekenis van kachel zich uit tot ‘zelfstandig verwarmingstoestel van welk materiaal of volgens welke werking dan ook’. Zelfs de centrale verwarming wordt in het spraakgebruik nog wel als kachel aangeduid. De oorspronkelijke kacheloven heet nu tegelkachel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kachel1 [verwarming] {1591} verkort uit kacheloven {1573} < hoogduits Kachelofen, waarin het eerste lid betekent ‘tegel’, vgl. middelnederlands (nederrijns) cakele [kachel] {1477} oudhoogduits chachala [aarden pot], teruggaand op latijn caccabus [aarden pot, kookpot], vgl. middelnederlands cacabo [ketel waarin misdadigers werden gekookt] < grieks kakkabè, kakkabos [pot, pan].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

kachel

Ons woord kachel is van Duitse oorsprong. Daar luidde het vroeger: Kachelofen. Nu zeggen de Duitsers: Ofen. Zij hebben het tweede deel der samenstelling behouden, wij het eerste. De eigenlijke betekenis van het woord kachel is: voorwerp van gebakken klei. Het gaat terug op het Latijnse caccabus: tegel en het Griekse kakkabos: ketel, pot. Een Kachelofen is dus een verwarmingstoestel waarvan de wanden oorspronkelijk van klei, later van ijzer werden vervaardigd.

Eigenaardig is dat in oude woordenboeken ook de vorm kakeloven voorkomt. Onder een kakel verstond men een kookpot. In het buitenland vindt men nog zulke potten, waaromheen de wanden van tegels zijn opgebouwd.

Kachel wordt ook als bijvoeglijk naamwoord gebruikt in de betekenis: dronken. Dan is men namelijk ‘verhit’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kachel 1 znw. v., verkort uit kacheloven (voor het eerst 1591 vermeld) < nhd. kachelofen. Hierin is het woord kachel eig. ‘gebakken steen, tegel’, vgl. Kiliaen kachel ‘aarden pot, kacheltegel’, mnd. kachel ‘kacheltegel’ < mhd. kachel, kachele ‘aarden vat, pot, kacheltegel’ < ohd. chachala ‘aarden pot’. Dit woord is overgenomen < *caccalus < *caccabellus, afgeleid van caccabus, dat in ital. dial. ‘kleine tegel’ betekent (Frings Germ. Rom. 1932, 127). — Daarnaast staan mnl. cākele en cākelōven, en Kiliaen kaeckel, die volgens Frings niet de rechtstreekse voortzetting van het grondwoord caccalus zijn, maar vernederduitste vormen van hd. kachel (Frings ibid. 82 noot).

Dat het nl. woord kachel aanmerkelijk ouder zijn moet dan de 16de eeuw, mag men afleiden uit het daaruit ontleende kachel in de Brandenburgse Mark, dat zeker in de 12de eeuw overgenomen werd, vgl. Teuchert Sprachreste 258-261 met kaart.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kachel znw. Uit kacheloven, dat evenals mnd. kachelōven m. uit laat-mhd. kacheloven m. (nhd. kachelofen) “kachel (van gebakken steen)” ontleend is. Evenzoo is Kil. kachel “aarden pot, kacheltegel”, mnd. kachel “kacheltegel” ’t ontleende mhd. kachel(e) v. “aarden vat, pot, kacheltegel” (nhd. kachel) > ohd. chachala v. “aarden pot”; dit uit vulgairlat. *cac(c)alus, -a, waarnaast lat. cac(c)abus “kookpot, pan”, mlat. cachus “vat, schaal”. Dit *cac(c)alus, -a is ook direct in ’t Ndl. ontleend: Kil. kaeckel in bet. = kachel, Teuth. kaeckel “kookpot”. Kil. kent ook kaeckel-oven “fornax figulina”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kachel 1 v., uit Hgd. kachel (Mhd. kachele, Ohd. kahhala = aarden kookpot), dat zelf uit Lat. cac(c)alus = kookpot. De zuiver Ndl. vorm heeft men in Mnl. kakele.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

kaggel s.nw.
1. Verwarmingstoestel met geslote vuur. 2. Oop vuurherd vir verwarming in 'n kamer.
In bet. 1 uit Ndl. kachel (1591). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekeninge in Afr. in bet. 2 by Mansvelt (1884) in die vorm kachel en in bet. 1 in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm kaggel.
Ndl. kachel is 'n verkorting van kacheloven (1573), met lg. uit D. Kachelofen 'kaggeloond', 'n samestelling van Kachel 'kleiteël' en ofen 'oond', m.a.w. 'oond waarvan die wande uit kleiteëls bestaan'. Later is die benaming ook vir verwarmingstoestelle van yster gebruik.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kachel ‘verwarming’ ->? Engels cockle ‘stookplaats’; Duits dialect Kachel ‘verwarming’; Deens kakkel ‘tegel’ (uit Nederlands of Nederduits); Litouws kakalys ‘stookplaats, verwarming’ (uit Nederlands of Nederduits); Japans † kapperu ‘verwarming’; Negerhollands kaggel ‘verwarming’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kachel verwarming 1591 [Toll.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal