Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

kabbelen - (zacht golven)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

kabbelen ww. ‘zachtjes golven’
Vnnl. eerst een geïsoleerde vindplaats van de variant (af)kibbelen in alsoe tvoorlandt jegens den noortwestdijck afghekibbelt es [1582; WNT Supp. afkibbelen], en van de variant kappelen in jachten die door het hart aen schieten en cappelen van het water haer schut niet en conde gebruijken ‘jachten (kleine oorlogsschepen) die door het snel onstuimig worden van het water hun geschut niet konden gebruiken’ [1634; WNT]; dan de vorm kabbelen in zekeren bergh, van de zee gekabbelt ‘een berg die door de kabbeling van de zee was afgekalfd’ [1642; WNT], overmits ... de stroomen nogh seer vehement uyt 't zuydelijcke oort van den oceaen ons tegen cabbelden ‘omdat de stromen ons nog zeer hevig uit het zuiden van de oceaan tegemoet golfden’ [1659; WNT tegen].
De etymologie is onduidelijk, aanknopingspunten buiten het Nederlands zijn er nauwelijks. Al in de oudste attestaties komt het betekeniselement ‘afknagen van land (door de golven)’ voor, maar dat hoeft niet oorspronkelijk te zijn. Wrsch. is kabbelen hetzelfde woord als mnl. cabbelen ‘kijven, twisten’ zoals in de bastarden cabbelden ende keven daghelijcx jeghen de ghetraude kindere ‘de onechte kinderen ruzieden elke dag met de wettige kinderen’ [ca. 1470; MNW]. Het slaan der golven werd dan met gekijf vergeleken. De variant (af)kibbelen is mogelijk affectief, maar kan ook beïnvloed zijn door → kibbelen ‘kijven’ [15e eeuw]. Naast kabbelen en afkibbelen bestaan rijmende woorden met kn-: → knabbelen [16e eeuw] en → knibbelen [15e eeuw], die beide zowel ‘kijven’ als ‘knagen’ beteken(d)en, zie ook → beknibbelen. In hoeverre en in welke richting al deze woorden elkaar in vorm en betekenis beïnvloed hebben is vooralsnog onduidelijk. Ook het rijmende → babbelen, dat immers in de oudste attestatie [16e eeuw] eveneens een betekenis ‘knabbelen’ heeft, is het vermelden waard. Het woord → afkalven [16e eeuw] sluit meer aan bij afkabbelen; als afkalven inderdaad met l-metathese van → kavel is afgeleid, kan afkabbelen een affectieve klankvariant zijn. Ten slotte moeten hier nog enkele andere homoniemen vermeld worden: vnnl. cabbelen ‘jongen werpen’ [1573; Thes.] en ‘braken’ [1599; Kil.], die weliswaar overdrachtelijk bij elkaar kunnen horen, maar waarvan de betekenisrelatie met ‘golven’ niet duidelijk is; en cappelen, cabbelen ‘schiften (van een vloeistof)’ [1623 resp. 1807; WNT], waarvoor dat laatste ook geldt.
Alleen mnd. kabbelen ‘kijven’.
Lit.: J. van Lessen (1930), ‘Over de etymologie van afkalven’, in: TNTL 49, 263-272

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

kabbelen1* [zacht golven] {1631-1634} klanknabootsend gevormd, vgl. middelnederlands cabbelen [kibbelen] {1470}.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

kabbelen 1 ww. ‘zacht golven’, vgl. mnl. cabbelen, mnd. kabbelen ‘kibbelen’; het speelse slaan der golven werd dus met gekibbel vergeleken. De vormen kabbelen en kibbelen zijn affectieve klinkervarianten, waarvan de laatste als de oorspr. te gelden heeft, zie: kibbelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

kabbelen ww. Onomatopoëtisch. Evenzoo mnl. cabbelen “kibbelen”, mnd. kabbelen “id.”. Oostfri. kabbeln beteekent dat nog, maar ook “kabbelen, afbrokkelen”. Vgl. ook fri. kabbel “kartel”. Kil. kent kabbelen met de bett. “jongen werpen, braken”, Antw. kabbelen = “schiften (van melk)”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

kabbelen. Het is niet zeker, of dit woord in al de bett. een en het zelfde is. Voor de bett. ‘schiften’ en ’afbrokkelen’ en ‘knagen’ kan men uitgaan van een grondbet.’splijten, snijden’ en denken aan verwantschap met kavelen (zie kavelen Suppl.): v.Lessen Tschr. 49, 265 vlgg. De formele verhouding van beide zou dan ongeveer met die van bibberen en beven te vergelijken zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

kabbelen ono.w., onomat.; vergel. Fr. clapoter.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

kabbelen ‘zacht golven’ -> Zweeds † kabbelsjö ‘golven die tegen elkaar bewegen’ (uit Nederlands of Duits); Zweeds † kabbla ‘zacht golven’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

kabbelen* zacht golven 1631-1634 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal