Meehelpen? Ga naar etymologieWiki
|
juffrouw - (onderwijzeres; ongehuwde vrouw)Etymologische (standaard)werken
M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdamjuffrouw zn. ‘onderwijzeres; ongehuwde vrouw’ P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpenjuffrouw* [(ongehuwde) vrouw] {joncfrouwe [ongehuwde jonge vrouw, meisje of getrouwde vrouw van stand, kamermeisje] 1201-1250, juffrou(we) 1451-1500} van jong + vrouw. mejuffrouw* [titel voor meisje of ongehuwde vrouw] {1621} van me [mijn] + juffrouw. J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leidenjuffer 1, joffer (ouder) znw. v., (verkort tot mnl. mnd. mhd. ver) is sedert ouder-nnl. ontstaan uit juffrouw, mnl. joffrou(we), juffrou(we), dat zelf weer uit jonkvrouw geassimileerd is. In de 19de eeuw ontstond in de taal der lagere-schoolkinderen de verdere verkorting tot juf. juffer 2 znw. v. ‘lange dennestam als steigerpaal’, is hetzelfde maar in overdrachtelijke zin als juffer 1, ook voor andere voorwerpen als ‘opzetstuk van een heipaal; blok met inkeping waardoor de talrepen lopen’, in Vlaanderen ook voor een ‘zolderrib’. — Als lange dennepaal reeds 1579 bekend en overgenomen > nhd. jüffer en ne. ufer (sedert 1754; Bense 517), vgl. nog nde. jomfru en nfra. demoiselle. N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haagjuffrouw znw., mni. joffrou(we), juffrou(we) v. Uit joncfrouwe (zie jonkvrouw). De verkorte vorm juffer, verouderd joffer (vgl. mni. mhd. mnd. ver “vrouw”) eerst sedert het oudere Nnl.: wel reeds nederrijnsch in de 14. eeuw junffer (nhd. jungfer v.) — Verkorting: juf. C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haagjuffrouw. Voor de u (ö) < o zie bij juk Suppl. Tot het uitsterven van de o-vorm kan mede bijgedragen hebben, dat de u-vorm als “deftiger” werd gewaardeerd: Kloeke Deftige en Gemeenz. taal 12 vlg. J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gentjuffer v., Mnl. joffer, joncfer, verdoffing van jonc vrouwe, met uitstooting der nasaal vóór f + Hgd. jungfer: vergel. jonker. De ju is in de Vla. dial. ie, ui en u geworden. Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands
F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolleuffra, zn.: juffrouw. Uit juffra, door assimilatie van de j aan de u, vgl. uken. F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdameefvrouwe (G), iffrauwe (ZO), iefrouw (W), zn. v.: juffrouw. Wvl. iefrouwe. Mnl. joncvrouwe. heffer (G), zn. m.: juffer, zolderrib, lichte balk van de roosteringe. 1712 2 heffers, 9 jefferbalcken, Gent (LC). Hypercorrecte (en ook wel volksetymologische) vorm voor eeffer (zie i.v.). De Bo noemt een ieferbalk ook bagijnebalk, want een begijn werd ook eeffer, eefvrouwe 'juffrouw' genoemd. Vgl. Ndd. jüffer, De. jomfru, Fr. demoiselle 'stam van een den' (WNT). joefer(e) (B, W, ZO), zn. m.: juffer, zolderrib. Ook eefferbalke (ZO), zie i.v. eeffer. eeffer (G, ZO), iffer(e) (ZO), zn. v.: juffrouw. Wvl. iefer; 1584 jiffre Martyne vande Putte beghyne te Curtrycke (WVEW). Var. van vero. juffer, joffer door procope van de j (vgl. Eustachius > Justaes < Istaes). Joffer < jonfer < joncfer, joncver. Mnl. joncfer(e), jonfer 'jonkvrouw', Vnnl. ionckfere 'virgo' (Kiliaan). Mnd. juffer, junfer. Het tweede lid is Mnl. ver 'vrouw', vgl. FN Vergriete, Verachten 'vrouw Margareta, Agatha'. Samenst. eefferbalke (ZO) 'juffer, zolderrib, lichte balk van de roostering'. Wvl. iefer. De Bo noemt de ieferbalk ook bagijnebalk, aangezien een begijn ook iefer, iefrouwe genoemd werd. Vgl. Ndd. jüffer, De. jomfru, Fr. demoiselle 'stam van een den'. F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdamiefer 1, zn. v.: juffrouw, begijn. 1584 jiffre Martyne vande Putte beghyne te Curtrycke, Kortrijk (OWW). Door vocalisering van de j< juffer; vgl. Mvl. Istaes = Justaes = Eustachius. Juffer/Joffer < Mnl. jonfer, joncfer ‘jonkvrouw’ <jonc ‘jong’ + Mnl. ver ‘vrouw’; vgl. FN Vergriete ‘vrouw Margareta’. iefer 2, zn. m.: juffer, zolderrib, lichte balk van de roostering. Zelfde woord als iefer 1. De Bo geeft als synoniem voor ieferbalk ook bagijnebalk, want een begijn werd ook iefer, iefrouwe genoemd. Vgl. Ndd. jüffer, De. jomfru, Fr. demoiselle ‘stam van een den’ (WNT). iefrouwe, zn. v.: juffrouw. Uit Mnl. joncvrouwe. Voor de ie, vgl. iefer. S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kunsjuffrou: – (verk.) juf/(dim.) juffie naas juffer/juffertjie – , “dame; meisiekind; onderwyseres”, ens. (WAT); Ndl. juf/juffer/(veroud.) joffer naas juffrouw uit jonkvrouw (Mnl. jof-/jujfrou(we), reeds Mnl. en Mhd. ver as verk. v. vrou, vgl. Hd. jungfer), v. jong I en vrou. Met verloop v. tyd het die “status” v. juffrou van “aansienlike dame” (bv. nog by Trig – lRo T DLT, 241) tot dié v. ’n gew. juffie gedaal; vgl. mevrou. Thematische woordenboeken
K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, AmsterdamJuffer (1) Lokale benaming voor de Kerkuil in Dwingelo (Dr). Smit 1996 p.190: “In de kaarke zit witte juffers (= kaarkoelen).” – ‘witte’ slaat hier op de kleur van de vogel, maar waarom vergeleken wordt met ‘juffrouw’ is niet helemaal zeker. Als het een ongunstig zaak is, kan aan de vergelijking met ‘witte wieven’ gedacht worden, waarmee bijv. Sp Bruja ‘Kerkuil’, letterlijk ‘heks’ correspondeert. Is het een gunstige zaak, dan speelt misschien de vooral bij vrouwen aanwezige vroomheid (vgl. D volksnaam Nonne en tsjechisch Jeptiška [Desfayes 1999]), die men dan zogenaamd ook aan de Kerkuil toeschrijft (zit immers veel in de kerk) [G&G 1989 p.335]. Uitleenwoordenboeken
N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015juffrouw, juffer ‘(ongehuwde) vrouw’ -> Fries juffer ‘(ongehuwde) vrouw’; Engels yuffrouw ‘jongedame’; Duits dialect † Juffrau, Jüffrau, Iffrau, Jüffrou ‘(ongehuwde) vrouw, vrouw van een gegoede burger’; Zuid-Afrikaans-Engels juffrou ‘(aanspreektitel voor een) jonge vrouw’ <via Afrikaans>; Indonesisch † jipro ‘aanspreektitel voor schooljuffrouw’; Chinees-Maleis yefrow ‘(aanspreektitel voor) ongehuwde vrouw’; Javaans jipro ‘onderwijzeres, gouvernante, juffrouw’; Madoerees cippro, jippro ‘aanspreektitel voor Europese of daarmee gelijkgestelde meisjes, ook voor Chinese’; Soendanees jipro ‘Europese gouvernante, vrouwelijke bediende’; Creools-Portugees (Ceylon) giffrau, jufrau ‘vrouw’; Negerhollands frau ‘(ongehuwde) vrouw’; Skepi-Nederlands jufrau ‘(ongehuwde) vrouw’; Papiaments yefrou, yùfrou ‘ongehuwde vrouw; schoolonderwijzeres; als aanspreking van deze personen’; Sranantongo ifrow ‘(ongehuwde) vrouw’; Surinaams-Javaans yefro ‘(school)juffrouw’. Dateringen of neologismen
N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdamjuffrouw* (ongehuwde) vrouw 1451-1500 [MNW] mejuffrouw* titel voor meisje of ongehuwde vrouw 1621 [WNT verschieten] Overige werken
Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW. |