Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

juffrouw - (onderwijzeres; ongehuwde vrouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

juffrouw zn. ‘onderwijzeres; ongehuwde vrouw’
Mnl. joncfrouwe [1293; Stall.], jonfrouwe [eind 13e eeuw; MNW], jouffrouwen (mv.) [1304; MNW voeder], joffrouwe [1340-60; MNW-R], juffrou [1470-90; MNW-R], alle in de betekenis ‘jonkvrouw’.
Juffrouw is oorspr. hetzelfde woord als jonkvrouw ‘ongetrouwde adellijke vrouw’, waarvoor zie → jonkheer. Van joncvrouwe bestonden in het Middelnederlands vele spelling- en vormvarianten, soms in dezelfde tekst, die deels terug te voeren zijn op varianten van beide woorddelen afzonderlijk. Typisch voor de samenstelling joncvrouwe is echter de medeklinkercluster ncvr, die gemakkelijk tot vereenvoudiging doet neigen. In eerste instantie is dat v > f onder invloed van de c. Dat jonc vervolgens is verzwakt tot ju- wijst erop dat de klemtoon van dit woord oorspr. op de tweede lettergreep lag. Later verschuift de klemtoon naar de beginlettergreep, wat vervolgens weer leidt tot verkortingen als juffer en juf. Het woord juffer kan overigens ook een verkorting zijn van mnl. joncfer ‘jonge vrouw’, een samenstelling van → jong en fer, ver, een verkorte vorm van → vrouw, die gebruikt werd als er een eigennaam of titel volgde, bijv. ... moeder hiet ver anne ‘(Maria's) moeder heet vrouwe Anna’ [1290; CG II, En.Cod.], ver coninginne [14e eeuw; MNW].
In het Middelnederlands kan men alle bovengenoemde vormen nog als synoniem beschouwen van joncvrouwe. Later groeiden de variant met etymologische spelling jonkvrouw en de vereenvoudigde variant in betekenis uit elkaar: jonkvrouw bewaarde in het algemeen het aspect ‘ongehuwdheid’, terwijl juffrouw dat juist deels verloor. In het Vroegnieuwnederlands raakten diverse betekenissen van juffrouw in gebruik, zoals ‘al dan niet gehuwde vrouw uit de fatsoenlijke stand’, ‘gehuwde vrouw uit de fatsoenlijke stand (maar niet van adel)’. Juist deze juffrouwen waren vanwege hun afkomst en veelal ook opleiding geliefd voor bepaalde functies in de huishouding van de hogere stand of als winkelpersoneel. Zo was een Fransche Juffrouw een ‘gouvernante, huisonderwijzeres’ [1717; Marin NF]. Deze betekenis van juffrouw (buiten de context van onderwijs meestal schooljuffrouw) heeft zich ontwikkeld tot de ‘onderwijzeres in het basisonderwijs’, die nu nog de enige gangbare is. Een tweede betekenis die in de 20e eeuw nog bestond, maar in het laatste kwart daarvan verouderde, is de (winkel)juffrouw ‘winkelverkoopster’. Daarnaast is juffrouw buiten de context van het onderwijs in de 20e eeuw, ongeveer vanaf de jaren 1930, opnieuw ‘ongehuwde vrouw’ gaan betekenen: oudere, ongehuwde vrouwen die carrière hadden gemaakt gebruikten deze aanspreekvorm met trots. Ook in deze toepassing is juffrouw in het laatste kwart van de 20e eeuw verdrongen door het algemene → mevrouw, zij het dat de aanspreekvorm voor een onmiskenbaar zeer jonge vrouw en ook voor een jeugdige verkoopster soms nog juffrouw is.
juf zn. ‘onderwijzeres in het basisonderwijs’. Nnl. juf [1866; WNT]. Verkorting van het hierboven genoemde juffrouw. Eerst alleen in de kindertaal en als aanspreekvorm, maar tegenwoordig in alle taalregisters de gewone vorm. ♦ mejuffrouw zn. ‘juffrouw’. Vnnl. mejoffrouwe [1627; WNT]. Gevormd met de verkorte vorm me van het bezittelijk voornaamwoord → mijn 1. Tegenwoordig verouderd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

juffrouw* [(ongehuwde) vrouw] {joncfrouwe [ongehuwde jonge vrouw, meisje of getrouwde vrouw van stand, kamermeisje] 1201-1250, juffrou(we) 1451-1500} van jong + vrouw.

mejuffrouw* [titel voor meisje of ongehuwde vrouw] {1621} van me [mijn] + juffrouw.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

juffer 1, joffer (ouder) znw. v., (verkort tot mnl. mnd. mhd. ver) is sedert ouder-nnl. ontstaan uit juffrouw, mnl. joffrou(we), juffrou(we), dat zelf weer uit jonkvrouw geassimileerd is. In de 19de eeuw ontstond in de taal der lagere-schoolkinderen de verdere verkorting tot juf.

juffer 2 znw. v. ‘lange dennestam als steigerpaal’, is hetzelfde maar in overdrachtelijke zin als juffer 1, ook voor andere voorwerpen als ‘opzetstuk van een heipaal; blok met inkeping waardoor de talrepen lopen’, in Vlaanderen ook voor een ‘zolderrib’. — Als lange dennepaal reeds 1579 bekend en overgenomen > nhd. jüffer en ne. ufer (sedert 1754; Bense 517), vgl. nog nde. jomfru en nfra. demoiselle.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

juffrouw znw., mni. joffrou(we), juffrou(we) v. Uit joncfrouwe (zie jonkvrouw). De verkorte vorm juffer, verouderd joffer (vgl. mni. mhd. mnd. ver “vrouw”) eerst sedert het oudere Nnl.: wel reeds nederrijnsch in de 14. eeuw junffer (nhd. jungfer v.) — Verkorting: juf.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

juffrouw. Voor de u (ö) < o zie bij juk Suppl. Tot het uitsterven van de o-vorm kan mede bijgedragen hebben, dat de u-vorm als “deftiger” werd gewaardeerd: Kloeke Deftige en Gemeenz. taal 12 vlg.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

juffer v., Mnl. joffer, joncfer, verdoffing van jonc vrouwe, met uitstooting der nasaal vóór f + Hgd. jungfer: vergel. jonker. De ju is in de Vla. dial. ie, ui en u geworden.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

uffra, zn.: juffrouw. Uit juffra, door assimilatie van de j aan de u, vgl. uken.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

eefvrouwe (G), iffrauwe (ZO), iefrouw (W), zn. v.: juffrouw. Wvl. iefrouwe. Mnl. joncvrouwe.

heffer (G), zn. m.: juffer, zolderrib, lichte balk van de roosteringe. 1712 2 heffers, 9 jefferbalcken, Gent (LC). Hypercorrecte (en ook wel volksetymologische) vorm voor eeffer (zie i.v.). De Bo noemt een ieferbalk ook bagijnebalk, want een begijn werd ook eeffer, eefvrouwe 'juffrouw' genoemd. Vgl. Ndd. jüffer, De. jomfru, Fr. demoiselle 'stam van een den' (WNT).

joefer(e) (B, W, ZO), zn. m.: juffer, zolderrib. Ook eefferbalke (ZO), zie i.v. eeffer.

eeffer (G, ZO), iffer(e) (ZO), zn. v.: juffrouw. Wvl. iefer; 1584 jiffre Martyne vande Putte beghyne te Curtrycke (WVEW). Var. van vero. juffer, joffer door procope van de j (vgl. Eustachius > Justaes < Istaes). Joffer < jonfer < joncfer, joncver. Mnl. joncfer(e), jonfer 'jonkvrouw', Vnnl. ionckfere 'virgo' (Kiliaan). Mnd. juffer, junfer. Het tweede lid is Mnl. ver 'vrouw', vgl. FN Vergriete, Verachten 'vrouw Margareta, Agatha'. Samenst. eefferbalke (ZO) 'juffer, zolderrib, lichte balk van de roostering'. Wvl. iefer. De Bo noemt de ieferbalk ook bagijnebalk, aangezien een begijn ook iefer, iefrouwe genoemd werd. Vgl. Ndd. jüffer, De. jomfru, Fr. demoiselle 'stam van een den'.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

iefer 1, zn. v.: juffrouw, begijn. 1584 jiffre Martyne vande Putte beghyne te Curtrycke, Kortrijk (OWW). Door vocalisering van de j< juffer; vgl. Mvl. Istaes = Justaes = Eustachius. Juffer/Joffer < Mnl. jonfer, joncfer ‘jonkvrouw’ <jonc ‘jong’ + Mnl. ver ‘vrouw’; vgl. FN Vergriete ‘vrouw Margareta’.

iefer 2, zn. m.: juffer, zolderrib, lichte balk van de roostering. Zelfde woord als iefer 1. De Bo geeft als synoniem voor ieferbalk ook bagijnebalk, want een begijn werd ook iefer, iefrouwe genoemd. Vgl. Ndd. jüffer, De. jomfru, Fr. demoiselle ‘stam van een den’ (WNT).

iefrouwe, zn. v.: juffrouw. Uit Mnl. joncvrouwe. Voor de ie, vgl. iefer.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

juffrou: – (verk.) juf/(dim.) juffie naas juffer/juffertjie – , “dame; meisiekind; onderwyseres”, ens. (WAT); Ndl. juf/juffer/(veroud.) joffer naas juffrouw uit jonkvrouw (Mnl. jof-/jujfrou(we), reeds Mnl. en Mhd. ver as verk. v. vrou, vgl. Hd. jungfer), v. jong I en vrou. Met verloop v. tyd het die “status” v. juffrou van “aansienlike dame” (bv. nog by Trig – lRo T DLT, 241) tot dié v. ’n gew. juffie gedaal; vgl. mevrou.

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Juffer (1) Lokale benaming voor de Kerkuil in Dwingelo (Dr). Smit 1996 p.190: “In de kaarke zit witte juffers (= kaarkoelen).” – ‘witte’ slaat hier op de kleur van de vogel, maar waarom vergeleken wordt met ‘juffrouw’ is niet helemaal zeker. Als het een ongunstig zaak is, kan aan de vergelijking met ‘witte wieven’ gedacht worden, waarmee bijv. Sp Bruja ‘Kerkuil’, letterlijk ‘heks’ correspondeert. Is het een gunstige zaak, dan speelt misschien de vooral bij vrouwen aanwezige vroomheid (vgl. D volksnaam Nonne en tsjechisch Jeptiška [Desfayes 1999]), die men dan zogenaamd ook aan de Kerkuil toeschrijft (zit immers veel in de kerk) [G&G 1989 p.335].
In veel volksnamen voor de Kerkuil in zuidelijke landen wordt ook naar vrouwen/dames verwezen, bijv. in provençaals Damo-de-niue béulòli (letterlijk ‘dame-van-de-nacht oliedrinker’). In beide gevallen (hekserij of vroomheid) speelt waarschijnlijk de dood een rol op de achtergrond.
Ter Laan 1929 noemt gronings “widde juvvers = spookgestalten in de vorm van vrouwen in witte gewaden, die zich bij nacht en ontijd vertoonden op wierden en eenzame wegen.” [Wilms 001226,7]
(2) Naam voor de Kuifleeuwerik op Schiermonnikoog (Fr), vanwege zijn/haar parmantige manier van lopen [B&TS 1995 p.164]. Rynja 1983 geeft dezelfde naam voor dezelfde soort op, maar dan voor Zandvoort en omgeving.
ETYMOLOGIE N juffer, joffer, juffrouw <mnl juffrou(we), joffrou(we), jonfer, joncfer(e) en nog meer varianten <mnl joncfrouwe (‘jonge vrouw’). Vgl. -jonker en jong sub Jonge Papegaaiduiker.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

juffrouw, juffer ‘(ongehuwde) vrouw’ -> Fries juffer ‘(ongehuwde) vrouw’; Engels yuffrouw ‘jongedame’; Duits dialect † Juffrau, Jüffrau, Iffrau, Jüffrou ‘(ongehuwde) vrouw, vrouw van een gegoede burger’; Zuid-Afrikaans-Engels juffrou ‘(aanspreektitel voor een) jonge vrouw’ <via Afrikaans>; Indonesisch † jipro ‘aanspreektitel voor schooljuffrouw’; Chinees-Maleis yefrow ‘(aanspreektitel voor) ongehuwde vrouw’; Javaans jipro ‘onderwijzeres, gouvernante, juffrouw’; Madoerees cippro, jippro ‘aanspreektitel voor Europese of daarmee gelijkgestelde meisjes, ook voor Chinese’; Soendanees jipro ‘Europese gouvernante, vrouwelijke bediende’; Creools-Portugees (Ceylon) giffrau, jufrau ‘vrouw’; Negerhollands frau ‘(ongehuwde) vrouw’; Skepi-Nederlands jufrau ‘(ongehuwde) vrouw’; Papiaments yefrou, yùfrou ‘ongehuwde vrouw; schoolonderwijzeres; als aanspreking van deze personen’; Sranantongo ifrow ‘(ongehuwde) vrouw’; Surinaams-Javaans yefro ‘(school)juffrouw’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

juffrouw* (ongehuwde) vrouw 1451-1500 [MNW]

mejuffrouw* titel voor meisje of ongehuwde vrouw 1621 [WNT verschieten]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal