Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jonkheer - (edelman zonder verdere titel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jonkheer zn. ‘edelman zonder verdere titel’
Mnl. íunchere ‘jonge edelman’ [1201-25; CG II, Floyr.], jonchere [1271-72; CG I, 209]; vnnl. jonghheer, jonck-her [1599; Kil.]. Daarnaast mnl. junker [1296; CG I, 2310], joncker [1449; Debrabandere 2003, 659].
Gevormd uit → jong (mnl. junc, jonc) en → heer. Mnl. /ŋk/ bleef bewaard in vele samenstellingen, zie bijv. ook → lankmoedig, → sprinkhaan. Door verzwakking van de tweede lettergreep ontstond de nevenvorm jonker; het ontstaan hiervan kan ook beïnvloed zijn door de Duitse gewone vorm Junker ‘jonkheer’, die ook is ontstaan uit Middelhoogduits junc hērre, junchērre, juncherre.
In de Middeleeuwen duidde het woord in het algemeen de zoon van een edelman (de heer) aan en meer in het bijzonder een edelman die niet tot ridder was geslagen. Na de riddertijd kon elke edelman jonkheer zijn. Volgens de officiële adellijke titulatuur (vastgelegd in 1815) is jonkheer het predicaat dat gevoerd wordt door ongetitelde leden van adellijke families. De titel jonker had deze status tijdens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden (1648-1795), maar dient nu alleen als nevenvorm en synoniem van jonkheer. Jonkheer wordt daarnaast soms nog gebruikt in de betekenis ‘ongetrouwde edelman’.
jonkvrouw zn. ‘edelvrouw zonder verdere titel’. Mnl. iuncurówe ‘ongehuwde jonge vrouw’ [1201-25; CG II, Floyr.], joncvrouwe [1268; CG I, 128]. De vrouwelijke tegenhanger van jonkheer, gevormd met → vrouw. In het mnl. meestal ‘dochter van een heer’, maar bij uitbreiding ook voor ‘getrouwde vrouw van adellijke stand’, zie voor deze betekenis verder bij → juffrouw, dat als nevenvorm is ontwikkeld uit joncvrouwe. De hoofdbetekenis bleef ‘ongetrouwde adellijke vrouw’, en onder invloed van Duits Jungfrau ook algemener ‘ongetrouwde vrouw, maagd’. Ook de betekenis ‘dienstmeid’ komt voor. Net als jonkheer is ook jonkvrouw sinds 1815 het officiële predicaat voor ongetitelde leden van adellijke families. Ook jonkman betekende ‘ongetrouwde man, vrijgezel’: mnl. als eigennaam in een Latijnse oorkonde uit Gent: hereditatem hugonis ioncmans ‘het erfgoed van Hugo Jonkman’ [1210; CG I, 3], joncman [1300-25; MNW-R].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jonkheer znw. m., mnl. jonchêre, mnd. junkher (> on. junkherra, junkeri), mhd. juncherre. — Zie ook: jonker.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jonker znw., laat-mnl. jonker m. = nhd. (Keulsch reeds laat-mhd.) mnd. junker, owfri. jonker m. “jonker, jong edelman”, uit mnl. jonchêre (nnl. jonkheer), mhd. junchē̆rre,? mnd. junkher m. “id.”. Uit het Mnd. on. junkherra, jungherra, junkeri m. “id.”. Jonk- is de onveranderde mnl. sterke vorm van jong. Hierbij ’t v. mnl. joncfrouwe (nnl. jonkvrouw), ohd. juncfrouwa (nhd. jungfrau), mnd. junkvrowe, ofri. juncfrou, joncfrouwe v. “jonkvrouw”. Naar ’t mnd. woord is laat-on. jungfrû v. “id.” gevormd. Beide woorden hebben zich ook op wgerm. gebied door ontleening verbreid. Vgl. juffer.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jonkheer ‘adellijk predikaat, aanvankelijk: jong edelman’ -> Frans jonkheer ‘Hollandse edelman’.

N. van der Sijs (2009), Yankees, cookies en dollars, Amsterdam

Amerikaans-Engels yonkers, van de stad Yonkers in New York (Craigie, Webster).
- Van Nederlands jonker, jonkheer ‘adellijke man’, samenstelling van jong en heer; overgenomen in de zeventiende eeuw en nog in gebruik.
* De Nederlandse adellijke titel jonkheer, ook verkort tot jonker, is in de zestiende eeuw in het Brits-Engels overgenomen. Hij was ook bekend in het Amerikaans-Engels, en dat was te danken aan de Nederlandse landeigenaar Adriaen Cornelissen van der Donck. Van der Donck, die al ter sprake kwam bij groundhog (in 2.2) begon als scout bij patroon Kiliaen van Rensselaer. Dit duurde van 1641 tot 1644, maar was geen succes vanwege de eigengereidheid van Van der Donck. In 1645 kreeg Van der Donck voor bewezen diensten aan gouverneur Willem Kieft een stuk land, dat hij Colen Donck ‘kolonie Donck’ noemde. Het gebied was zo groot dat vanaf dat moment Van der Donck in de Nederlandse archieven ‘de Jonker’ wordt genoemd - hoewel hij nooit een adellijke titel heeft gehad. Men zei dat men naar de Jonker of naar het Jonkers Land ging. In de Engelse tijd paste men de spelling van het woord aan de uitspraak aan en liet men het lidwoord weg. Het gebied behield de naam Yonkers ook na Van der Doncks dood, zelfs tot op heden.
1666 Mary [Oneale] ... laid clayme to a certaine parcell of Land ... Commonly called ye Younckers Land ... [and] brought seuerall Indians before ye Governor to acknowledg the purchase of ye said Lands by Vander Dunck commonly called ye Younker.
1668 The Def[endan]t ... hath purchased Land near adjoyning that was the Youncker Van der Duncks.
1754 Even if the real line of Jersey is to run from the Forks of Delaware ... to the Station on Hudson’s River opposite to the lower Yonkers.
Toch is er wellicht nog een tweede reden waarom Yonkers Yonkers heet. Enkele jaren na de dood van de oorspronkelijke ‘jonkheer’ kwam het landgoed met de omringende terreinen namelijk in handen van een zekere Frederick Philipse (eigenlijk Flypse), afkomstig uit Friesland. Hij begon als eenvoudige timmerman, maar werkte zich op tot grootgrondbezitter, mede dankzij huwelijken met rijke dames. Hij werd wel ‘the Dutch millionaire’ genoemd. In 1693 kreeg hij het recht om zich ‘lord of the Manor of Philipsburgh’ te noemen. Hij bezat ook nog een ander stuk land dat Fredericks-borough heette, en waar Washington Irving alias Diedrich Knickerbocker - Irving ligt hier begraven - The Legend of Sleepy Hollow liet afspelen. Het plaatsje Sleepy Hollow werd in deze legende opgeschrikt door een ruiter zonder hoofd. Het verhaal is vele malen verfilmd; de bekendste versie is waarschijnlijk uit 1999 met Johny Depp. Het plaatsje heet trouwens pas sinds 1977 officieel Sleepy Hollow, om toeristen te lokken; voordien heette het North Tarrytown.
De achterkleinzoon van deze Frederick Philipse, die de titel had geërfd van zijn overgrootvader, was de laatste lord of the manor. Hij werd namelijk verdacht van sympathie met de Engelsen en daarom werd hij tijdens de revolutie verbannen; zijn landgoed werd geconfisqueerd en in 1783 moest hij naar Groot-Brittannië vluchten. Volgens Schele de Vere is de naam Yonkers aan deze Philipse te danken:
1872 The Dutch word Yonker in the sense of the French Cadet and the German Junker, survives in the name of the town of Yonkers. The Right Reverend Bishop Kip states, in his charming sketches of former times, that he remembers visiting, in his early days, the old manor-house of the Phillipse family, still standing in Westchester on the Hudson. “When, before the Revolution, Mr. Phillipse lived there - lord of all he surveyed - he was always spoken of by his tenantry as the Yonker, the gentleman by excellence. In fact, he was the only person of social rank in that part of the country. In this way the town, which subsequently grew up around the old manor-house, took the name of Yonkers.
Hiermee krijgt Philipse ongetwijfeld te veel eer, maar het voortleven van de naam Yonker zal zeker geholpen zijn door de grandeur waarmee Philipse zich omringde. Inmiddels is Yonkers de vierde stad in de staat New York. Yonkers, meestal met een hoofdletter gespeld, wordt gebruikt om iets of iemand van de stad Yonkers mee aan te duiden, bijvoorbeeld: a Yonkers resident; een Yonkersite is ‘iemand die woonachtig is in of afkomstig uit Yonkers’.
Daarnaast zijn in Webster 1961 ook de ingangen yonker en younker opgenomen, met als betekenissen ‘jongeman’ en archaïsch ‘jongste matroos’. Deze woorden gaan terug op hetzelfde Nederlandse jonker en jonkheer, maar het zijn latere ontleningen die wel via het Brits-Engels zullen zijn gegaan, want in die taal zijn ze al sinds de zestiende eeuw bekend.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jonkheer* adellijk predikaat, aanvankelijk: jong edelman 1240 [Bern.]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

k̑ei-2 in Farbbezeichnungen, meist für dunkle Farben, (s. auch k̑ē-ro-), k̑ei-ro-, k̑oi-ro- ‘dunkel, grau, braun’; k̑i-u̯o- ‘Farbe’.

Ai. śi-ti- ‘weiß’, śitiŋ-g-a- ‘weißlich’;
gr. κίραφος, κίρα ‘Fuchs’ Hes., κιρρός ‘orangegelb’ (das -rr- wohl expressiv);
mir. cíar ‘dunkelbraun’ (*k̑ei-ro-), cíarann m. ‘Käfer’; cir (*k̑iru-), Gen. cera ‘Pechkohle’; céo (*k̑i-u̯o-k-s) ‘Nebel’, Gen. cīach (: got. hiwi);
aisl. hārr ‘grau, alt’, ags. hār, engl. hoar, asächs. ahd. hēr (*haira-) ‘würdig, erhaben’; Komparativ *hēriro, hēr(r)o ‘Heer’; ags. hǣwen ‘blau’ (*haiwina-); got. hiwi n. ‘Schein, Aussehen’, aisl. hȳ n. ‘feines Haar, Flaum’, schwed. hy ‘Haut, Hautfarbe’, ags. hiew, hi(o)w n. ‘Erscheinung, Farbe, Schönheit’, engl. hue ‘Farbe’ (idg. *k̑i-u̯o-);
aksl. sěrъ, russ. sěryj, sloven. sę̑r ‘grau’ (*k̑oi-ro-), mit -d-Suffix (?) aksl. sědъ, skr. sȉjed, russ. sědój ‘grau’ (falls nicht nach smědъ ‘blaß’, blědъ ‘χλωρός’ umgebildet); ačech. šěrý, poln. szary ‘grau’, ačech. šědivý ds. weisen jedoch auf ein urslav. anlaut.ch-, das von Pedersen (KZ. 40, 176 f.) aus idg. k̑h- erklärt wird (wohl expressiv); hingegen nimmt Persson Beitr. 304 Anm. 1 für urslav. *chěrъ Entlehnung aus germ. *haira- an, das sich mit echt slav. sěrъ gemischt habe.
Daneben eine erweiterte Wurzelform gleicher Bedeutung:
k̑i̯ē-, k̑ī-; k̑i̯ē-mo- ‘dunkelgrau’.
Ai. śyā-vá- ‘schwarzbraun, dunkel’, av. syāva- ‘schwarz’, npers. siyāh ‘schwarz’;
arm. (wohl iran. Lw.) seav ‘dunkel, schwarz’;
reduktionsstufig lit. šývas ‘weißlich, schimmelig (von Pferden)’, apr. sijwan ‘grau’, aksl. sivъ ‘dunkelgrau’, russ. sívyj, serb. sȉv ds.;
ai. śyā-má- ‘schwarzgrau, schwarzgrün, schwarz’, śyāmaka- ‘dunkelfarbig’ = av. syāmaka- m. ‘Name eines Berges’ (auch sāma- ‘schwarz’ mit s- aus sy-, Bartholomae Airan. Wb. 1571);
lit. šė́mas, šė̃mas ‘blaugrau, blau’;
reduktionsstufig *k̑ī-mo- wahrscheinlich in lat. cīmex ‘Wanze’ (‘dunkelfarbig’; Formans -ko-, als Subst. nach der kons. Dekl. wie sene-x zu idg. *seno-s); vielleicht im gr. EN Κίμων;
mit anderem Suffix: aksl. sinь, russ. sínij ‘dunkelblau’;
auf einer Wurzelf. k̑i̯ei- scheinen ai. śyḗnī f. (wozu m. śyētá- wohl erst nach ḗnī́ : ḗta-, háriṇī : hárita- usw. und śvētá- neugeschaffen) Farbbezeichnung ‘hell, weiß, rötlich’, unddie nach der Farbe benannten ai. śyená- m. ‘Adler, Falke’, av. saēna- ‘ein großer Raubvogel, wohl Adler’ zu beruhen

WP. I 360 f., WH. I 216, Trautmann 306, Specht Idg. Dekl. 121, 179.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal