Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jassen - (vlug afwerken; kaartspel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jassen ww. ‘vlug afwerken’
Nnl. mijn vader [wist] hem wel weg te jassen ‘... snel weg te krijgen’ [1853; WNT weg II], aardappels jassen ‘aardappels schillen’ [1867; WNT], ijverig jassen ‘vlijtig arbeiden’ [1872; van Dale], jassen ‘zich inspannen, zwoegen; (aardappels) schillen’ [1896; Wolters NE], jassen ‘snel, haastig, vluchtig te werk gaan’, bijv. in ik heb mij er gauw doorheen gejast [1913; WNT].
Herkomst onduidelijk. Misschien een affectieve bijvorm bij de woordgroep van → jakkeren en jachten ‘haasten’ (NEW). In de betekenis ‘aardappels schillen’ kan het woord een overdrachtelijke afleiding zijn van → jas 1, dus eigenlijk ‘van de jas (= schil) ontdoen’. Wellicht is het gewoon hetzelfde woord als ouder jassen ‘jas spelen’ [18e eeuw] bij jas ‘troefboer’, zie → klaverjassen; dit wordt door Van Dale (1872) al gesuggereerd door ijverig jassen te plaatsen als figuurlijke betekenis onder jassen ‘zeker kaartspel spelen’.
Nfri. jaskje ‘haastig lopen; schillen (van aardappels)’ en jasse ‘schillen’. Niet verwant met nde. jaske ‘knoeien, slordig met iets omgaan’ (uit ouder hjaske).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jassen [kaartspel] {1738} van jas2 [troefboer].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jassen ww. ‘snel en haastig werken’ (vgl. in soldatentaal ‘aardappelen jassen’), vgl. fri. jaskje. Misschien een affectieve bijvorm bij de groep van jachten en jakkeren.

De woorden nde. jaske ‘slordig zijn, knoeien’ (ouder de. hjaske ‘er van door gaan’), nzw. dial. jaska ‘haastig doen, knoeien’ kunnen bezwaarlijk hierbij behoren, daar zij met een affectieve j uit ouder nnoorw. dial. haska ‘samengrissen’, nzw. dial. haska ‘knoeien, smeren’ ontstaan zullen zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jassen ww. Afl. van jas II. Ook fri. en ndd. Zie smousjassen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

jassen, ww.: wegjagen. Zoals Br. sjassen < Fr. chasser ‘jagen’.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

jassen (L, W, ZO), ww.: (ver)drijven, (ver)jagen, slaan (W, ZO), hard regenen (W), neuken, coïre (L). Hypercorrect voor sassen < Fr. chasse 'het jagen'.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jassen ‘kaartspel’ -> Duits dialect jassen ‘kaarten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jassen kaartspel 1738 [WNT]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

jassen, slang voor ‘copuleren’, dit met de implicatie van ‘vluchtig, gauw-gauw’.

In het BIM-huis lopen weddenschappen wie haar (= Candy Dulfer — MDC) het eerst weet te jassen. (Nieuwe Revu, 29/09/93
in de wielrensport: keihard fietsen, zeer snel (weg)fietsen. Vooral in de verbinding doorjassen.
Onze ellebogen zaten toch zeker allemaal vol littekens. Maar ja, je hoofd... Niet kijken, doorjassen! (Course, oktober 1989)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal