Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jas - (kledingstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jas 1 zn. ‘bovenkledingstuk’
Nnl. jas ‘bovenkledingstuk met mouwen, ter bescherming tegen regen en koude’ [1733; WNT], bij uitbreiding ook voor andere bovenkledingstukken die over de gewone kleding worden gedragen [1844; WNT], ook in vele samenstellingen.
Herkomst onbekend. Gezien de relatief jonge leeftijd van het woord en het bestaan van Nederduits jas zou er sprake kunnen zijn van ontlening van dat woord. In het Middelnederduits bestaat ook het verkleinwoord jesse (met umlaut). Of dat gelijkgesteld kan worden met vnnl. jesken [1568; WNT] en jes [1616; WNT], benamingen voor een bovenkledingstuk, is onzeker. Buiten het Nederlands, het Nederduits en Fries jas zijn geen verwante woorden gevonden. Gissingen naar de etymologie zijn o.a. verkorting uit → paljas, verkorting uit de persoonsnaam Jasper of Jesse, en verkorting uit jakske (verkleinwoord van → jak).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jas1 [kledingstuk] {1733} mogelijk verkort uit paljas.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jas 1 znw. m. v. naam van kledingstuk, eerst 16de eeuw., vgl. oostfri. fri. jas, daarnaast ook ouder-nnl. jes, jeske, mnd. jesse. — De herkomst van de naam is onbekend.

W. de Vries Ts. 34, 1915-6, 219 bespreekt de vraag, van welke vorm men moet uitgaan. Uit jas kan door invloed van de j een e ontstaan zijn. Hij acht echter jes oorspronkelijker, dat dan onder invloed van jak tot jas zou zijn geworden. — Opmerkelijk is dan weer de rijmwoordbinding van jes en hes. — Holthausen IF 48, 1930, 261 acht herkomst uit de PN Jasper niet onwaarschijnlijk o.a. met het oog op westfaals. josep ‘kinderjurk’ en woorden als havelock, pompadour. Maar de mnd. vorm jesse?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jas I (kleedingstuk), nog niet bij Kil. Ook oostfri. fri. jas; mnd. jesse. Oorsprong onbekend (vgl. das II); evenals jas II te verklaren?

[Aanvullingen en Verbeteringen] jas I. Adde: achterh. jesse.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

jas I (kledingstuk). J.W.Muller Album-Vercoullie 204 vlgg. gist, dat het woord zou verkort zijn uit paljas (voor het verdwijnen der eerste syllabe vgl. muts, pon). Een ernstig bezwaar hiertegen is, dat ouder-nnl. jes(ke), mnd. jesse en oostndl. dial. e-vormen (W.de Vries Tschr. 34, 219) op chronologische gronden van jas zouden moeten worden gescheiden.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jas 1 v. (kleed), + Ndd. id.: is de eigennaam Jasper in de bet. van poesjenel; cf. jak.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

jasje (het, -s), colbertjasje. - Etym.: Het bet. nooit ’overjas’. - Zie ook: mantel*.
— : jas en das, staande uitdrukking voor herenkleding bestaande uit kostuum, overhemd en das, ’wandelkostuum’. - Syn. ’gejast* en gedast’.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jas I: bep. kledingstuk; Ndl. jas, “baadjie” (blb. reeds l6e eeu, maar nie by Kil nie) v. onseker herk. (vgl. verder WAT s.v. jas1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jas ‘kledingstuk’ -> Fries jas ‘kledingstuk’; Noord-Sotho jase ‘kledingstuk’ <via Afrikaans>; Tswana jase ‘kledingstuk’ <via Afrikaans>; Zuid-Sotho jase ‘kledingstuk’ <via Afrikaans>; Indonesisch jas ‘kledingstuk’; Ambons-Maleis yas ‘kledingstuk’; Atjehnees jaih ‘kledingstuk’; Boeginees jâsé ‘kledingstuk’; Jakartaans-Maleis jas ‘kledingstuk’; Javaans jas ‘(heren)jasje van Europees-Indische snit, colbertje’; Keiëes yas ‘kledingstuk’; Kupang-Maleis yas ‘kledingstuk’; Madoerees ējjas, jas ‘kledingstuk’; Makassaars jâsá ‘kledingstuk’; Menadonees yas ‘kledingstuk’; Minangkabaus jas ‘kledingstuk’; Muna dhasi ‘kledingstuk’; Sasaks jas ‘Europese jas’; Soendanees jas ‘kledingstuk’; Ternataans-Maleis yas ‘kledingstuk’; Petjoh djas ‘kledingstuk’ <via Indonesisch/Maleis>; Papiaments yas (ouder: jas) ‘kledingstuk’; Sranantongo jas, yas ‘kledingstuk’; Surinaams-Javaans jas, yas ‘colbert’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jas kledingstuk 1733 [Toll.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

jas: de — aankrijgen, slang voor ‘een nederlaag lijden; totaal verslagen worden’. Gezegd m.b.t. sportlieden. Een variant van de veel oudere uitdrukking een jas krijgen ‘een teleurstelling of tegenvaller ondergaan’. In De boeventaal van Köster Henke (1906) betekende het al ‘slecht wegkomen; in ’t ootje genomen worden’. Iemand een jas geven (al opgenomen door Bos, 1955) is ‘beetnemen; in het ootje nemen’. Volgens Endt en Frerichs (1974) betekende jas oorspronkelijk: ‘geseling, gezien als een rugbedekkend kledingstuk’. In deze nieuwe uitdrukking zien we dus een verruiming van de betekenis.

Nee, we mogen blij zijn als we een puntje halen, voor hetzelfde geld krijgen we zwaar de jas aan. (Haagse Post, 23/09/89)
een — uittrekken, sportslang voor ‘een extra inspanning leveren’.
‘Ik denk niet dat hij als Tourrenner moet wanhopen,’ vond Kuiper, ‘net als in de eerste Alpenrit had hij vandaag de pech alléén te komen zitten, en dan doe je een jasje extra uit.’ (NRC Handelsblad, 16/07/93)
zijn —je keren, plotseling van mening, houding veranderen; een (politieke) ommezwaai maken.
Brouwer is echt van een grote leegte. Naar aanleiding van mijn boekje moesten we samen in een radioprogramma optreden en toen bestond ze het om te zeggen dat ze eigenlijk ook nooit communiste was geweest. Echt, mijn bek viel open. Ze heeft zo waanzinnig snel haar jasje gekeerd dat het hoogst pijnlijk wordt om ernaar te moeten kijken. (HP/De Tijd, 15/10/93)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1024. Een jas,

d.w.z. eene teleurstelling, een strop, misrekening; zie Woordenschat, 510: iemand een jas geven of een jas krijgen, teleurstellen of teleurgesteld worden; Köster Hencke, 27: een jas krijgen, slecht wegkomen, in 't ootje genomen worden; iemand een jas geven, hem voor 't lapje houden of hem erin laten vliegen, syn. iemand een vrijzetter geven; vgl. verder Jord. 228: Kris het 'n jes! Het Volk, 20 Dec. 1913, p. 1 k. 4: De heer Duymaer vroeg stemming over den post, doch bleef met vier geestverwanten alleen staan. Hij kreeg een jas! 3 Febr. 1913, 2 blad: Als Ter Laan mocht rekenen op mijn steun in zake de vereenvoudiging der spelling, heeft hij een jas; 29 Mei 1913, 2 bl. k. 4: Hartelijk werd er gelachen om de enorme jas die de diender gehaald had; Nkr. VII, 26 Juli, p. 5: Die verkiezing is me ook een jas voor burgemeester Elias. Syn. is een bijt hebben; zie Köster Henke, 12: bijt, teleurstelling; Ghetto2, 18: Die bochel dacht dat ie een fooi zou krijge, maar ie had een ‘bijt’ (zie ook bl. 40). Teirlinck, Wdb. v.h. Bargoensch, bl. 28 vermeldt jas in de beteekenis geeseling, en wijst op de Vlaamsche uitdr. ze hebben hem daar een kazakke gepast, d.w.z. berispt, bekeven, syn. van iemand een kleeken passen, iemand onder handen nemen; iemand in de kleeren steken, hem bedriegen, beetnemen; iemand palullen (eig. in de kleeren stukken; daarna beetnemen, foppenNdl. Wdb. XII, 254.; iemand in 't pak steken, hem beetnemen; fr. une culotte, ongeluk vooral in 't dominospel; empoigner une culotte, pech hebben. Het is mogelijk dat dezelfde overdracht moet worden aangenomen bij iemand een jas geven, waaraan het znw. jas dan de beteekenis strop, kan hebben ontleend. Ook is mogelijk verband te zoeken met den term jas uit het kaartspel. Vgl. jassen, slaan, er op slaan, en iemand aftroeven, troef geven.(Aanv.) Als jas samenhangt met jassen (slaan), kan vergeleken worden een blauwtje loopen en botvangen.

2585. Zooals de wind waait, waait zijn jasje (of zijn rokje),

d.w.z. hij schikt zich naar de omstandigheden, regelt zijn politiek inzicht naar zijn belang, waait met alle winden. Vgl. Harreb. I. 357: Zoo de wind is, waait het jasje; De Arbeid, 6 Juni 1914 p. 1 k. 2: Zooals de wind waait, waait ook mijn jasje, dat is het parool van de leiders der moderne arbeidersbeweging; Het Volk, 4 Maart 1914 p. 2 k. 2: Het blijkt dus, dat deze liberale propagandist zijn publiek eerst ter dege aankijkt, voordat hij spreken gaat. Zooals de wind in de vergadering waait, schijnt zijn rokje te waaien; Ppl. 70: Zoo as de wind waait, waait d'r hoedje; Nederland, Aug. 1914, bl. 414: ‘Da's gekheid! We meenen 't allemaal goed met mefrou, maar ze het geen stuur over d'r eigen. Zooals de wind waait, waait d'r muts, zeit m'n moeder altijd; Nkr. VI, 1 Juni p. 1: Ik zeg driemaal: Zoo-de-wind-waait-waait-mijn-rokje en ziedaar, geacht publiek, mijn stem is voor; Onze Volkstaal II, 114: Zooas te wijnd waoit, waoit zijne jaas, hij hangt de huik naar den wind; Nieuwe Tijd, 4 Aug. 1917 p. 3 k. 2: Dat is nou eens echt: ‘zooals de wind waait, zoo waait mijn jasje’. Den eenen dag krijt men ons uit voor beginsellooze opportunisten en den anderen dag zijn we weer Marxisten, pur sangDe zegswijze wordt ook verlengd: Zooals de wind waait, waait mijn jasje, til je mijn hemd op, dan zie je mijn kwas(t)je.; zie no. 981.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal