Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

janken - (jammerend huilen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

janken ww. ‘jammerend huilen’
Mnl. janken ‘huilen, overdrachtelijk van muziekinstrumenten’, in dar mochtmen horen briescen ianken meneghen horen meneghe busine ‘daar kon men vele hoorns en bazuinen horen schallen en jammeren’ [1285; CG II, Rijmb.], meestal van mensen, in hi weende hi suchte ende jancte [1290; CG II, En.Cod.], of van dieren, in die hont ... belde ende jancte ‘de hond blafte en jankte’ [1315-35; MNW-R].
Herkomst onduidelijk. Wrsch. een klanknabootsend woord. Zie ook → jengelen.
Alleen mnd. janken ‘id.’ (ook nu nog Nederduits janken) en nfri. jank(j)e.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

janken* [huilen] {1285} klanknabootsende vorming, vgl. engels to jangle, latijn gannire [keffen, blaffen, janken, grommen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

janken ww., mnl. mnd. janken, een klanknabootsend woord, waarnaast jenken (Maastr.) en tjanken ‘Kampen’. — Zie ook: jengelen.

tjanken ww. ‘schreeuwen, huilen’ is een expressieve bijvorm van janken.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

janken ww. Reeds mnl. mnd. (vandaar nhd.) janken “janken”. Onomatopoëtisch, evenals dial. vormen als jenken (Maastr.), tjanken (Kampen).

tjanken ww. Nnl. onomatop. bijvorm van janken; nauwelijks alg.-ndl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

janken ono.w., Mnl. id. + Ndd. en Hgd. id.: onomat. Vergel. Eng. to jangle en Lat. gannire.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jenke (ww.) jammerend huilen; Vreugmiddelnederlands janken <1285> < Rienlands janken. Ook: joonke (ww.) janken; < Aokens junke.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

tjank ww.
1. (t.o.v. honde) Huil, skree. 2. (t.o.v. mense; plat) Jammerlik huil.
Uit Ndl. tjanken (1678 in bet. 1, 1710 in bet. 2).

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

tjank: huil (veral v. honde gesê); Ndl. janken/tjanken (Mnl. janken), Hd. janken, wsk. kn., vgl. Eng. yelp (17e eeu jalp).

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

janken. Het bepalen van de ouderdom van een vloek is moeilijk, want hij heeft geen jaarringen of oorsteentjes. Toch moet de verwensing ga toch janken bij je moeder! in de betekenis ‘ik veracht je, hoepel op’ relatief oud zijn. De oorspronkelijke betekenis van janken ‘jammerend huilen, vooral van dieren’ is geheel naar de achtergrond verdrongen. Zij tendeert meer in de richting van ‘ga iets nutteloos doen, niet hier maar elders, bijvoorbeeld bij je moeder’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

janken* huilen 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal