Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jakkeren - (driftig voortjagen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jakkeren ww. ‘driftig voortjagen’
Nnl. eerst in samenstellingen, bijv. afjakkeren ‘afbeulen, uitputten’, in dan spijt het my, dat ik den armen Joan zoo heb afgejakkerd [1833; WNT Supp. afjakkeren], doorjakkeren ‘doorrijden’, in Fiks doorjakkeren, Gerrit! [1841; WNT doorjakkeren], voortjakkeren ‘driftig verder jagen’ [1863; WNT voort], dan ook het simplex jakkeren ‘driftig voortjagen’ in en de woagen jakkert over den hoogen grientdiek da'j de volgeloajen appelboom' oan weerskant, van 't stof dat opvliegt, hoast heel niet zien kunt [1863; WNT], jakkeren [1872; van Dale].
Frequentatief van jakken ‘zich snel voortbewegen’, bijv. in loopen, troten, rotsen ende jacken [1605; WNT], zelf een intensiefvorming bij de stam van het werkwoord → jagen, zoals bijv. ook → bukken bij → buigen en → wikken bij → wegen. Bij Kiliaan verschijnt ook een overgankelijk werkwoord jacken ‘met een zweep voortdrijven’, naast jacke ‘zweep’ en jackerer ‘wagenmenner’ [1599].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jakkeren* [voortjagen] {1850} iteratief van jakken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jakkeren ww., iteratief van jakken, vgl. Kiliaen jacken, dat hij als Vlaams opgeeft. Rijnlands jackern is een intensief -kk- formatie bij jagen. In nhd. dial. (Hessen) jackern is de bet. ‘ravotten’, zo ook in Sliedrechts jakken, jakkeren. — Daarnaast staan vormen als mnd. jachtern, nhd. jachern ‘wild uitgelaten rondlopen, schreeuwen’; met affectieve klankwisseling nl. dial. oostel. joechteren, juchteren ‘wild rondlopen, jakkeren, luidruchtig stoeien’. Het sterk affectieve karakter van deze woordgroep blijkt nog uit nhd. woorden (15de eeuw) als jächen, jechen, en mhd. jöuchen, jouchen, jochen, jöchen ‘jagen, drijven’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jakkeren ww. Frequentativum van ’t nu nog dial. ww. jakken, Kil. “jacken. Fland. Flagellare scutica”; vgl. ook Kil. jackener “auriga”. Nhd. jachern “wild, uitgelaten rondloopen, schreeuwen” sluit direct veeleer bij mnd. jachtern aan: zie jachten; hess. komt echter jackern voor. Met de du. bet. vgl. Sliedrechtsch jâkk(er)en “ravotten”. Jacken zou een oud woord kunnen zijn, met formans idg. -nâ- van den wortel van jagen gevormd, ’t zij deze op een , q, ĝh of gh uitging. Veeleer echter is ’t woord jonger: vgl. de talrijke du. vormen: oostmd. jächen “rondjakkeren”, Luther jechen, 15.-eeuwsch hd. jächen, jechen, mhd. jöuchen, jouchen, jochen, jöchen “jagen, drijven”; deze zijn geen van alle van jagen te scheiden; evenmin jakkeren.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

jakkeren. Ook rijnl. jackern. — Dial. jakken is een typische intensiefformatie bij jagen. Over de geminaat, resp. verscherpte consonant zie bij drop I, drup Suppl., over de hypothese van een idg. -nâ-verbum vgl. bakken Suppl. 1e alin. Bij nhd. jachern ‘wild rondlopen, schreeuwen’, mnd. jachtern (zie jachten) sluiten zich aan oostndl. dialectwoorden als joechteren, juchteren ‘wild rondlopen, jakkeren, luidruchtig stoeien’. Voor het grillig vocalisme van deze jonge, onomatopoëtisch gevoelde woorden vgl. de aan het slot van het art. genoemde mhd. vroeg-nhd. woorden voor ‘jagen, drijven’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jakkeren ono.w., intensief van jagen: vergel. bukken, buigen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jakkere (ww.) jakkeren, voortjagen; Nuinederlands jakkeren <1850>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

tjekkeren, ww.: klepperen, lawaaierig lopen. Intensiefvorm van jakkeren ‘hard rijden’, freq. en intensivum van jagen.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

jakkeren ww.: zich haasten. Freq. van jakken.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

kejakker: – kerjakker – , “baljaar, ravot, speels stoei”; sluit in bet. nouliks aan by Ndl. jakkeren, “voortjagen, onbehoorlijk hard rijden”, maar beter by frekw./intens. dial. Ndl. jakk(er)en (by jagen) in bet. “ravotten”, Hd. jacheren; vir Afr. anl. ke-/ker- min vglb. in Ndl., tensy Ndl. karnoffelen, wat tewens enigsins in bet. aansl., iets bied.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jakkeren ‘voortjagen’ -> Petjoh afjakkeren, afjakker'n ‘afbeulen, uitputten’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jakkeren* voortjagen 1850 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal