Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jak - (kiel, kort jasje)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jak zn. ‘korte jas’
Mnl. eerst alleen een kort kledingstuk dat boven wapenrusting of kleding wordt gedragen: jacke ‘kledingstuk voor boven het maliënpantser, wambuis’ [1350-1400; MNW-R]; in het vnnl. dan ook een kledingstuk voor vrouwen: jacxkens (mv.) ‘lijfjes, borstrokken, voor vrouwen’ [1636; WNT], jack en een schort ‘een kort bovenkleed en een schort (kleding voor dienstboden)’ [1682; WNT tabbaard]; nnl. jak en rok ‘bovenkleding van vrouwen die bestaat uit twee delen (i.t.t. een japon)’ [1792; WNT], tot in het nnl. ook nog een kiel of kort jasje voor mannen: even als de Boerenlieden, en meestal de Schippersgasten en Smids, nog zulke Jakken of halve Kielen draagen [1773; WNT]. Nu synoniem met → jack.
Ontleend aan Oudfrans jaque ‘middeleeuws wambuis, kiel met gewatteerde mouwen’ [1374; Rey jaquette]. Wrsch. is dit kledingstuk genoemd naar de Jacques, de spotnaam die gegeven werd aan de boeren tijdens de korte, maar bloedige Franse boerenopstand van 1358 (de jacquerie) in het noorden van Frankrijk. De persoonsnaam Jacques komt van Laatlatijn Jacobus < Grieks Iakõbos < Hebreeuws Jaʿaqōv. Een andere verklaring voert jaque via Spaans en Portugees jaco terug op Arabisch šakk ‘pantserhemd, wambuis’. Zie ook → jack, → jacquet en → jekker.
De naam Jacques gaat terug op Jacobus, Engelse en Zuidnederlandse namen als Jack, Jake zijn verkleinvormen van Johannes, zie → jackpot.
Lit.: Philippa 1991

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jak1 [kiel, kort jasje] {jacke, jac [wambuis] 1350} < oudfrans jaque, genaamd naar Jacques (Bonhomme), een benaming voor een boer, vgl. middelnederlands jakeboenhomme [een soort rechte tuniek] {1361-1362} → jacquet.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jak 1 znw. o., later-mnl. jacke ‘wambuis van linnen of leer’, evenals laat-mhd jacke, meng. jakke < ofra. jaque sedert de 14de eeuw) ‘kort mannenkleed’. Men meent dat omstreeks 1360 een korte wapenrok deze naam kreeg naar Jacques de Beauvais (Lokotsch Nr. 929). Daarentegen Vercoullie, Volkskunde 25, 1914, 12-3 uit Jacques Bonhomme, een algemene naam voor ‘boer’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jak znw. o., later-mnl. jacke v. “wambuis van linnen of leer”. Evenals laat-mhd. (nhd.) mnd. Teuth. jacke “id.”, meng. jakke “id.” uit ofr. jacque (fr. jaque), volgens een overlevering genoemd naar Jacques de Beauvais (± 1358).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jak o., gelijk Hgd. jacke en Eng. jack, uit Fr. jaque + It. giaco, Sp. jaco: is de eigennaam Jacques, niet als naam van een individu, maar van den boerenstand: Jacques Bonhomme; dus = boerenkleedingstuk.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

zjak, zn.: jak, wijde bloes. Zelfde herkomst als Ndl. jak, jack, E. jack, Duits Jacke, die alle terugaan op Oudfrans jaque ‘wambuis’, waarvan jaquette een verkleinvorm is. Het moet een boerenkleding zijn geweest, want het woord wordt meestal verklaard als de kleding van de jacques of boeren in de Franse boerenopstand van 1358, die daarom de jacquerie wordt genoemd. Zowel Pfeifer als het EWN verklaren Jacques als een vorm van Jacobus. Vandaag is Jacques inderdaad de Franse vorm van Jakob. Maar dat was niet altijd zo, het was ook een vorm van Johannes, Jean, Jan. De Engelse Jack is nog altijd Jan, terwijl Jakob er James (uit Jacomus, vgl. Giacomo, Jaime) heet. In onze Brabantse dialecten heet Jan ook Jakke. Als naam van die boeren waren les jacques zonder de minste twijfel Jantjes.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

jak zn. o.: kort bovenkleed voor vrouwen, nauwsluitend lijf, vrouwenkledingstuk dat het bovenlijf bedekt. Mnl. jacke, Mhd. jacke, Me. jakke < Ofr. jaque ‘kort mannenkleed’. Dit oorspronkelijke boerenkledingstuk kreeg zijn naam van de voornaam Jacque(s), een naam waarmee boeren aangeduid werden. De naam Jacques gaat nl. oorspronkelijk terug op Jan, de populairste voornaam in de middeleeuwen. Ook in het Engels was jack ‘John’ de gewone man, boer. Vgl. E. jockey < jackey ‘Jantje’, jack ‘boer (in het kaartspel)’. De Noord-Franse boerenopstand (1358) heette trouwens de Jacquerie, d.i. de opstand van de jantjes of boeren. De etymologische woordenboeken – ook het EWN ondanks mijn advies – verklaren bovenstaand Jacque(s) ten onrechte uit Jacobus.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

jak zn. o.: kort bovenkleed voor vrouwen, nauwsluitend lijf, vrouwenkledingstuk dat het bovenlijf bedekt. Mnl. jacke, Mhd. jacke, Me. jakke < Ofr. jaque ‘kort mannenkleed’. Dit oorspronkelijke boerenkledingstuk kreeg zijn naam van de voornaam Jacque(s), een naam waarmee boeren aangeduid werden. De naam Jacques gaat nl. oorspronkelijk terug op Jan, de populairste voornaam in de middeleeuwen. Ook in het Engels was jack ‘John’ de gewone man, boer. Vgl. E. jockey < jackey ‘Jantje’, jack ‘boer (in het kaartspel)’. De Noord-Franse boerenopstand (1358) heette trouwens de Jacquerie, d.i. de opstand van de jantjes of boeren. De etymologische woordenboeken – ook het EWN ondanks mijn advies – verklaren bovenstaand Jacque(s) ten onrechte uit Jacobus.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

jakke (ZO), jak (ZV), zn. v.: kort bovenkleed voor vrouwen. Zie jacht.

jacht (G), zn. m., meestal dim. jachtje: jak, lijfje, vrouwenkledingstuk dat het bovenlijf bedekt. 1728 gecleet met een jachtjen van geblomt catoen, Gent (LC). Volksetymologische vervorming van Ndl. jak 'lijfje, kledingstuk tot bedekking van het bovenlijf (vrouwen)'. Mnl. jacke, Mhd. jacke, Me. jakke < Ofr. jaque 'kort mannenkleed'. Dit oorspronkelijke boerenkledingstuk kreeg zijn naam van de voornaam Jacque(s), een naam waarmee boeren aangeduid werden. De naam Jacques gaat nl. oorspronkelijk terug op Jan, de populairste voornaam in de Middeleeuwen. Ook in het Engels was jack 'John' de gewone man, boer. Vgl. E. jockey < jackey 'Jantje', jack 'boer (in het kaartspel)'. De Noord-Franse boerenopstand (1358) heette trouwens de Jacquerie, d.i. de opstand van de jantjes of boeren.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

jakkie s.nw.
Kort, los vrouebaadjie vir dag- of aanddrag.
Uit Ndl. jakkie, die verkleinw. van jak (Mnl. jacke, jac).
Fr. jacque, jaque.

F. Debrabandere (2002), West-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de West-Vlaamse woorden, Amsterdam

jacht (K, DB), zn. m., meestal dim. jachtje: jak, lijfje, vrouwenkledingstuk dat het bovenlijf bedekt. Volksetymologische vervorming van Ndl. jak ‘lijfje, kledingstuk tot bedekking van het bovenlijf (vrouwen). Mnl. jacke, Mhd. jacke, Me.jakke < Ofr. jaque ‘kort mannenkleed’. Dit oorspronkelijke boerenkledingstuk kreeg zijn naam van de voornaam Jacque(s), een naam waarmee boeren aangeduid werden. De naam Jacques gaat nl. oorspronkelijk terug op Jan, de populairste voornaam in de middeleeuwen. Ook in het Engels was jack ‘John’ de gewone man, boer. Vgl. E.jockey < jackey ‘Jantje’ Jack ‘boer (in het kaartspel). De Noord-Franse boerenopstand heette trouwens de Jacquerie, d.i. de opstand van de jantjes of boeren.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jakkie: bep. soort kort vrouebaadjie (WAT); in Eng. bek. as coatee; dim. v. Ndl. jak (Lmnl. jacke) uit Ofr. jacque (Fr. jaque) en verb. m. jakket (q.v.).

Thematische woordenboeken

E. Sanders (1993), Eponiemenwoordenboek: Woorden die teruggaan op historische personen, Amsterdam

het jak, ooit een korte wapenrok, is volgens sommigen omstreeks 1360 zo genoemd naar een zekere Jacques de Beauvais. Anderen houden het op Jacques Bonhomme, een algemene naam voor ‘boer’. De wapenrok zou zijn gedragen tijdens de boerenopstanden, de jacqueries;
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jak ‘kiel, kort jasje’ -> Deens jakke ‘jas’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors jakke ‘jas’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds jacka ‘jas’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins jakku ‘kiel, kort jasje voor vrouwen’ <via Zweeds>; Ests jak ‘kiel, kort jasje’ (uit Nederlands of Nederduits);? Japans chokki ‘vest’; Negerhollands jakje ‘wambuis, vroeger jasje voor mannen dat het bovenlijf van de hals tot aan het middel bedekte’; Sranantongo jaki ‘kiel, kort jasje’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jak kiel, kort jasje 1350 [MNW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal