Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jacquet - (korte jas met panden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jacquet zn. ‘korte jas met panden’
Nnl. in een loshangende korte jas (jaquette) van donker blaauw laken [1882; WNT knevel I], het nauwsluitende jacquet van blauw fluweel met wit bont omboord [1888; weekblad De Leeskring, 301], amazonenkostuum van Engelsche stof met lang jaquet en wit piqué vest [1908; WNT Supp. amazone], jaquette “jakje, kinderrokje [= kinderjakje]; overbovenjak der vrouwen” [1912; Kramers], jacquet ‘damestaillemanteltje’ [1912; Koenen]; in de beperktere betekenis ‘geklede herenjas met panden’: grijze jaquets [1899; WNT transpireeren], jaquette “pandjesjas in penvorm” [1912; Kramers], jacquet “manskledingstuk: pandjasje met weggesneden schooten” [1914; van Dale].
Ontleend aan Frans jaquette ‘pandjas voor heren’ [1832; Rey] en ‘kort damesjak’ [1783; Rey] < Engels jacket ‘jasje, damesjak’ [1462; OED], zelf weer ontleend aan Oudfrans jaquette ‘klein jasje, jongetjeskieltje’ [1446; Rey], eerder gespeld jaquete [1374; Rey], verkleinwoord van jaque ‘kiel met gewatteerde mouwen, wambuis’ [1374; Rey], zie verder → jak.
Zoals vaker bij kledingstukken gebeurt, is de betekenis langzamerhand verschoven en beperkt, in dit geval van een korte jas voor beide geslachten en voor kinderen, tot een geklede jas met panden, voor heren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jacquet [pandjas] {1897} < frans jaquette, verkleiningsvorm van jaque, de persoonsnaam Jacques, in de Middeleeuwen gebruikt als aanduiding voor boer, in de 16e eeuw ook lakei, dus lakeienjas, vgl. Jantje voor matroos → hannekemaaier, jacquerie, jak1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jacquet znw. o. v., nnl. < fra. jaquette (sedert de 15de eeuw als ‘boerenkiel’, verkleinwoord van jaque (sedert de 14de eeuw) ‘kort manskleed’. — Zie: jak.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jacquet o. Nnl. afl. van fr. jaquette. Nhd. jackett m., eng. jacket.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

seket, siket, zn.: jacquet. Met dial. s < z < zj en doffe e in voortonige lettergreep uit jacquet. Siket met voortonige versterking.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

jakket: bep. soort baadjie, ook bek. as swaelstert; Ndl. jacquet/jaquet, soos Hd. jackett en Eng. jacket uit Fr. jaquette, dim. v. Fr. jaque, vlgs. oorlewering na Jacques de Beauvais ( ± 1358) – nie in WAT nie.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jacquet (Frans jaquette)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jacquet pandjas 1897 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal