Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

jaar - (tijd van 12 maanden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

jaar zn. ‘de periode waarna een kalender zich herhaalt’
Onl. jār ‘jaar’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. iar [1200; CG II, Servas], meestal jaer; nnl. jaar.
Os. jār (mnd. jār); ohd. jār (nhd. Jahr); ofri. gēr (nfri. jier); oe. gēar (ne. year); on. ár (nzw. år); got. jēr; < pgm. *jēr-.
Verwant met: Latijn hōrnus (< *hō-iōr-inos) ‘van dit jaar’ (geen verband met annus ‘jaar’); Grieks hōros ‘jaar’, hṓrā ‘seizoen, tijdstip, uur’ (zie → uur); Avestisch yār- ‘jaar’; Litouws eras ‘lam’, letterlijk ‘jaarling’, Lets jērs ‘lam’; Kerkslavisch jara ‘lente’ (Oekraïens jar, Tsjechisch jaro, Servisch/Kroatisch jār ‘id.’); uit pie. *ieh1-r- (IEW 296). Men legt wel verband tussen deze woorden en de wortel *h1ei- ‘gaan’ (zie → circuit), maar dat lijkt niet erg wrsch.: de nultrap *h1i- hiervan komt alleen voor in de combinatie *h1i-eh2- (Latijn iānua ‘ingang’; Litouws jóti ‘gaan’).
Het woord jaar behoort tot de categorie van eenlettergrepige onzijdige woorden met lange lettergreep die in het vroegste Middelnederlands in het meervoud geen uitgang kreeg, zoals bijv. ook → been en → haar 2 (Mulder 1989). De uitwerking hiervan is nog steeds merkbaar achter telwoorden: een paar jaar, vijf jaar (maar wel vijf lange jaren, vele jaren).
jaarlijks bn. ‘ieder jaar voorkomend’. Mnl. jaerlijcs ‘id.’, bijv. in iaerlijcs chens ‘jaarlijkse cijns’ [1266; CG I, 89], daarnaast zonder -s jaerlijc; daarnaast jaerlikes en jaerlike als aparte vormen voor de bijwoorden: mnl. iarlec [1240; Bern.], iarleke [1240; Bern.], jaerlix [1253; CG I, 46]. Afleiding met het achtervoegsel → -lijk en het achtervoegsel → -s waarmee bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden worden gemaakt. ♦ jaargang zn. ‘alle afleveringen van een periodiek drukwerk die in één jaar verschijnen’. Mnl. jaerganc ‘het tijdsverloop van een jaar’, bijv. jn somech lant siet mense comen bi jar ganghe ‘in sommige landen ziet men ze komen met een tussenpoos van een jaar’ [1287; CG II, Nat.Bl.D]; bij overdracht ook ‘de opbrengst in een bepaald jaar (in land- of wijnbouw)’; nnl. jaargang ‘alle afleveringen van een drukwerk van een jaar’ [1835; Ned. Mag., jan., 1]. Oorspr. een inheemse vorming uit jaar en het zn.gang ‘het gaan’, afleiding van → gaan, dus ‘het verloop van een jaar’, maar in die betekenis zowel in het Middel- als Nieuwnederlands weinig frequent. In de huidige betekenis is het woord ontleend aan de Duitse parallel Jahrgang, in deze betekenis 18e-eeuws (Pfeifer). ♦ jaargetijde zn. (NN) ‘seizoen’, (BN) ‘jaarlijkse sterfdagherdenking’. Mnl. jaerghetide slechts in de betekenis ‘jaarlijks terugkerende herdenkingsdag’ [iargetide 1240; Bern.], het es heden jaergetide ‘vandaag is het herdenkingsdag (van een overledene)’ [1248-71; VMNW], een betekenis die nu alleen nog leeft bij katholieken in België; pas vnnl. getijden des jaars ‘seizoenen’ [1567; Nomenclator], ook nog iaergetijt ‘jaarlijke herdenkingsdag’ [1573; Thes.], dan ook iaerghetijden, iaertijden ‘jaarlijks terugkerende periode, seizoen’ [1599; Kil.]. Samenstelling met het zn.getij(de) in de betekenissen ‘telkens terugkerend tijdstip’ en ‘telkens terugkerende periode’. In de betekenis ‘seizoen’ is het woord in het BN weinig gebruikelijk.
Lit.: M. Mulder (1989), ‘Het uitgangsloze meervoud in het 13de en 14de-eeuwse Middelnederlands’, in: ABäG 28, 93-100

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

jaar1* [tijd van 12 maanden] {jaer 1236} oudsaksisch, oudhoogduits jār, oudfries iēr, oudengels gear, oudnoors ār, gotisch jēr; buiten het germ. grieks hōros [jaargetijde, jaar], hōra [tijdstip, tijd], avestisch yār- [jaar], kerkslavisch jara [voorjaar]. De uitdrukking sinds jaar en dag [lange tijd] is een oude rechtsterm, d.w.z. één jaar en één dag, na ommekomst waarvan diverse rechten niet langer van kracht waren, vgl. middelnederlands hondert jaer ende enen dach [levenslang]. De uitdrukking vette en magere jaren is een zinspeling op de droom van farao in Genesis 41:18 en volgende.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

jaar znw. o., mnl. jaer, onfrank. iār, os. jār, gēr, ohd. jār, ofri. iēr, oe. gēar (ne. year), on. ār, got. jēr < germ. *jēra. — lat. hōrnus (< *hōi̭ōrinus) ‘van dit jaar’, gr. hō̃ros ‘jaar’, hṓra ‘tijd, jaargetijde, voorjaar’, av. yārǝ ‘jaar’, osl. jara ‘voorjaar’; misschien afgeleid van de idg. wt. *i̭ē ‘gaan’ (IEW 296-7).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

jaar znw. o., mnl. jaer o. = onfr. iâr, ohd. jâr (nhd. jahr), os. jâr (gêr), ofri. iêr, ags. gêar (eng. year), on. âr, got. jer o. “jaar”. Buiten het Germ. vgl. gr. hōros “jaar”, hōrā “jaargetijde, tijd”, ksl. jara “lente” av. yâr- “jaar”. Vgl. nog ohd. hiuro (< hiu jâru; nhd. heuer) “in dit jaar” en lat. *hô jôrô “id.”, waarvan *hôjôrino-s > hornus “van dit jaar”. Jaar enz. geldt voor een afl. van idg. jê-, jô- (naast jâ-, zie gaan) “gaan”: onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

jaar. In pl.v. “lat. hornus” lees: “lat. hôrnus”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

jaar o., Mnl. jaer, Onfra. iâr, Os. jâr + Ohd. id. (Mhd. id., Nhd. jahr), Ags. géar (Eng. year), Ofri. jér, On. ár (Zw. år, De. aar), Go. jer + Zend yâr = jaar, Gr. hṓrā = jaargetijde, Osl. jara = voorjaar.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

jaor (zn.) jaar; Aajdnederlands jar <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

jaar: ... jaar hebben (had, heeft gehad), ... jaren oud zijn. Vijfenvijftig jaar heb ik! ik ben nie na’ school geweest ma’ ik weet precies hoeveel jaar ik meer heb dan jij! (Cairo 1976: 10). - Etym.: Het is lett. vertaald S: me ab’ moro jari lek’ joe = (lett.) ik heb meer jaren dan jij.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

jaar (de dertiger/twintiger/veertiger/zeventiger jaren) (vert. van Duits die dreißiger/zwanziger/vierziger/siebziger Jahre); (vorig --) (vert. van Duits voriges Jahr)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Zeven jaar, genoemd als volledige, afgeronde periode.

Zeven is een van de getallen die in de bijbel dikwijls, naast de gewone waarde, een symbolische lading hebben (zie ook Zeven). Zo wordt zeven dikwijls genoemd in verband met een tijdvak dat als voldoende lange, afgeronde periode geldt. Denk aan de zevende dag die de scheppingsperiode vol maakt en aan het sabbatsjaar en jubeljaar (zie die artikelen). Zeven jaar duurt de tijd die Jakob Laban moet dienen om zijn vrouw te verwerven: 'Jakob was verliefd op Rachel, daarom zei hij tegen Laban: 'Ik zal zeven jaar voor u werken om Rachel, uw jongste dochter' (Genesis 29:18, NBV). Hij krijgt dan van Laban echter diens oudste dochter Lea als huwelijkspartner en werkt nog eens zeven jaar voor zijn grote liefde. Een enkele keer wordt tegenwoordig nog wel eens aan deze zeven jaren of in het algemeen aan een dergelijke periode gerefereerd.

Rijmbijbel (1271), v. 2486-88. Vorworde maecten si na desen. / Dat hem [Laban] iacob soude dienen wel. / .[v]ij. iaer omme rachel. (Zij kwamen hierna overeen, dat Jakob hem [Laban] zeven jaar zou dienen om Rachel.)
'Je moet jezelf niet zomaar weggeven. Hij moet er eerst iets voor doen!' 'Maar wat? Afdrogen heeft'ie een vreselijke hekel aan.' 'Niks afdrogen. Zeven jaar geiten hoeden! De kroonjuwelen stelen!' (J. Kruis, Jan Jans en de kinderen, nr. 25, 1998, p. 44)
En toen duurde het nog zeven jaar, om maar eens een bijbels getal te noemen, voordat je dan eindelijk de ruimte krijgt om het anders te gaan doen. (NRC, 10-10-1998, p. 33)

Zeven vette en zeven magere jaren, afwisselende perioden van voorspoed en tegenspoed. De twee elementen komen ook afzonderlijk als uitdrukking voor en het getal zeven kan ontbreken.

De zeven vette en zeven magere jaren is een frequent voorkomende uitdrukking voor 'goede tijden en slechte tijden'. Zij gaat terug op het verhaal van de droom van de Egyptische farao en de uitleg door Jozef. In de droom ziet de farao achtereenvolgens zeven mooie, vette koeien en zeven lelijke, magere koeien uit de Nijl komen. De magere koeien eten de vette op. Jozefs uitleg luidt als volgt: 'Er komen zeven jaren waarin er in heel Egypte grote overvloed zal zijn. Daarna volgen zeven jaren van hongersnood. Dan zal niemand zich nog iets herinneren van de overvloed die er in Egypte was. De hongersnood zal het land te gronde richten' (Genesis 41:29-30, NBV). De uitdrukking in de ons bekende vorm is in feite een contaminatie van droom en uitleg. Een enkele keer verwijst het gebruik naar de letterlijke betekenis van vet en mager: 'Sinds die tijd [een culinaire vakantie] ga ik als een jojo op en neer: ik heb lange vette jaren gekend en korte magere [perioden van dik-zijn en mager-zijn]' (NRC, 30-7-1999, p. 20).

Liesveldtbijbel (1526), Genesis 41:29-30. Siet, seuen iaren sullen comen met groter oueruloedicheit in alle Egipten lant, ende na dese selue sullen comen seuen iaren diers tijts ende der vngeren sal worden alle sulcke oueruloedicheit in Egipten lant, ende die diere tijt sal verteren dat lant, dat men niet weten en sal vander oueruloedicheit des lants.
Het onderbuikgevoel van onze maatschappij is op dit moment: de zeven vette jaren hebben we gehad, nu komen de zeven magere. (De Volkskrant, 17-10-1998, p. 17)
Vette jaren hebben plaats gemaakt voor magere [in een computerbedrijf]. (Journaal, 2-3-1999)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

jaar. In de Middeleeuwen kende men de eedformule bi den goeden jaren. Dit zou een analogievorming kunnen zijn naar bi den go(e)den daghe, waarin sommigen een verbastering zien van bider liever gods ghenaden ‘bij de hoge eer van Gods genade, bij al wat heilig is’. Deze eed kan zich reeds in de genoemde periode tot uitroep ontwikkeld hebben. In alle eeuwen kon en kan men over zichzelf en over zijn vijanden allerlei onheil afbidden. In de Middeleeuwen werd bij ons daarvoor o.a. de verwensing een quaet, droevich, droeve jaer gebruikt. Dirck Volckertszoon Coornhert schrijft in een vertaling van Boccaccio [1564] nog: “Dat Godt U ende hem een quaet jaer moet gheven.”

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Jaar (Ned. term voor Lat. → annus en Gr. ἐνιαυτός (eniautos)). Zie verder: anomalistisch, draconitisch, siderisch en tropisch.

A. Moortgat (1925), Germanismen in het Nederlandsch, Gent

Samenstellingen met JAAR-.
Keurige schrijvers achten samenstellingen als jaarduizend, jaarhonderd, jaartien, jaarvijf al te lomp. Het zijn kennelijke navolgingen van D. Jahrtausend, Jahrhundert, Jahrzehnt, Jahrfünft. Samengestelde substantieven, met een zelfstandig naamwoord als eerste en een telwoord als tweede lid, kunnen in het Duitsch gangbaar zijn, bij ons hebben zij geen wettig bestaan: Jahrtausend = duizendjarig tijdvak, tijdperk van duizend jaren; Jahrhundert = eeuw, honderd jaren; Jahrzehnt = tijdruimte van tien jaren, decennium; Jahrfünft = vijfjarig tijdvak, tijdperk van vijf jaren, lustrum. Op de volgende plaats behoort eenvoudig duizenden jaren te staan.
|| Nauwkeurig herkende ik de kronkels der zilveren rivieren, het tweetal, dat sinds jaarduizenden zijn spiegelende meerbochten uitspreidt onder den eindeloozen aether, J. B. Ubink in Els. Maandschr., 5, 415.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Jaar, mogelijk van den Idg. wt. ye, Skr. ya = gaan, zoodat het dan zou kunnen beteekenen: een gang of loop om de zon.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

jaar ‘tijd van twaalf maanden’ -> Negerhollands jaer, jaar, jār, jā, yer ‘tijd van twaalf maanden’; Berbice-Nederlands jari ‘tijd van twaalf maanden’; Sranantongo yari ‘tijd van twaalf maanden’; Aucaans jali ‘tijd van twaalf maanden’; Saramakkaans jáa ‘tijd van twaalf maanden’ <via Sranantongo>; Surinaams-Javaans yari ‘tijd van twaalf maanden’ <via Sranantongo>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

jaar* tijd van 12 maanden 1236 [CG I1, 24]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

480. Alle dagen een draadje is een hemdsmouw in het jaar,

d.w.z. door gestadigen arbeid kan men ten slotte veel verrichten. In de middeleeuwen: een draeyken sdaechs is een hemdemauken sjaersMnl. Wdb. II, 374.; zie verder Bank. I, 152; Tuinman I, 126. Vgl. ook Wander I, 913: alle Tage ein Faden macht des Jahrs ein Hemde; Harrebomée I, 112 a; De Cock1, 223; Ndl. Wdb. VI, 542 en Antw. Idiot. 372: Alle dagen 'en draadje gesponnen is alle jaren 'en hemdsmouw gewonnen. De Engelschman zegt: a pin a day is a groat a year.

1006. Jaar en dag,

d.i. langen tijd; ook na jaar en dag, na langen tijd; hd. seit Jahr und Tag; eng. in a year and a day (Prick2, 52). De bet. is ontleend aan het vroegere middeleeuwsche rechtswezen, waarbij allerlei rechtstoestanden konden beklijven en allerlei rechten hunne kracht verloren door verloop van jaar en dag, d.i. éen jaar en éen dag, een vrij jaar (waarbij de dag van aanvang niet meetelt). In later tijd (bij ons sedert het laatst van de twaalfde eeuw) verstaat men er onder een jaar, zes weken en soms nog drie dagen; vgl. Kiliaen: Jaer ende dach, annus et sex septimanae: et (veteri Saxonum more) tres insuper dies. Zie Mededeelingen v.d. Maatschappij v. Nederl. Ltk. 1897-98, bl. 114-115; Ndl. Wdb. VII, 39 en het Mnl. Wdb. II, 11; III, 985.

1654. Van het jaar nul,

d.w.z. van geen waarde, zonder beteekenis; eig. thuis behoorend in een tijd toen er nog geen tijdrekenig was, in een ‘onmogelijk ver’ verleden. De zegsw. dateert uit de 19de eeuw; zie Harreb. I, 171: Het is er één van het jaar nul; V. Deyssel, Verz. Opst. IV, 306: Dichters en prozaïsten, koud en akelig van het jaar nul; Nest. 32: Al was het me dan ook een klant van het jaar nul; Falkl. IV, 113: Moppen van 't jaar nul; Nw. School, II, 180: Hij maakt door z'n streven om volledig te zijn ‘opmerkingen’ van 't jaar nul; Afrik. in die jaar nul, nooit; Ndl. Wdb. VII, 22; IX, 2209; eng. of the year one.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

ei- ‘gehen’, erweitert ei-dh-, ei-gh-, i-tā- und i̯-ā-, i̯-ē- : i̯ō- : i̯ǝ-, Nominalbildungen i-to-, oi-u̯o-, oi-to- und i-ter, Gen. i-ten-os ‘Weg’

Ai. ḗmi, ḗti, imáḥ, yánti ‘gehen’, av. aēiti, yeinti, apers. aitiy ‘geht’, themat. Med. ai. áya-tē usw. (das scheinbar dehnstufige ai. ā́iti, av. āiti ‘adit’ ist *ā-aiti, mit Präf. ā);
gr. hom. εἶμι ‘werde gehen’, εἶ (*eisi), εἰ̃σι (dor. εἶτι), Pl. ἴμεν, ἴτε, ἴᾱσι (Neubildung für *ἴε̄σι statt hε̃σι, *hεντι, idg. *i̯-enti, ai. yánti); Impf. att. ἦια (Neubildung für *ἦα = ai. ā́yam); Konj. ἴω (statt *ἔω, idg. *ei̯ō, ai. 3. Sg. áyat); Opt. εἴη (statt *ἴη, idg. *ii̯ēt, ai. iyā́t), Imper. ἔξ-ει (lat. ī, lit. eĩ-k), ἴθι (ai. ihí, hitt. i-i-t);
lat. ‘gehe’ (*ei-ō für athemat. *ei-mi), īs, it, Pl. īmus, ītis (Neubildung wie lit. ei-mè), eunt (*ei̯-onti für altes *i̯-enti), Imper. ī (*ei), Part. Präs. iēns statt *i̯ēns = ai. yán, Gen. yat-áḥ (*i̯-n̥t-es, vgl. gr. ᾽Επίασσα), alit. ent- (statt *jent-); Perf. ĭī (*ii̯-ai: ai. iy-āy-a), sekundär īvī;
päl. eite = īte, umbr. etu = ītō (ampr-ehtu, apretu ‘amb-ītō’, en-etu = in-ītō), etu-tu ‘euntō’, eest, est ‘ibit’ (*ei-seti), ier ‘itum sit’ (weist auf ein Perf. *ied), usw.; osk. eítuns (set) ‘itūrī sunt’ (*ei-tōn-es);
cymr. wyf ‘bin’, eigentlich ‘ich gehe’ 2. Sg. wyt (anders über wyt Stern ZfceltPh. 3, 394 Anm.);
got. iddja ‘ich ging’ wohl = lat. ĭī, ai. iy-ā́y-a; s. die Lit. bei Feist 288; ags. ēode ‘ging’ ist unerklärt;
apr. ēit ‘geht’, ēisei ‘du gehst’, perēimai ‘wir kommen’, Inf. perēit;
alit. eĩmi, eĩsi, eĩti, Pl. eimè, eitè, und eimì, eisì, eĩt(i), Pl. eĩme, eĩte; Dual eivà, eità, Prät. ėjaũ, Inf. eĩti; Supin. eĩtų (= ai. étum Inf.); lett. eĩmu (älter *eĩmi), iêmu (sekundär eju, *ietu, lit. dial. eitù usw.); Inf. iêt, iẽt; Supin. iêtu;
aksl. Inf. iti (= lit. eĩti), Präs. idǫ, Aor. idъ, neugebildet zum Imper. *i-dhi > *idь > idi, wie auch lit. eidu ‘ich gehe’ zum Imper. *eidi;
toch. A ymäs ‘wir gehen’, В yam ‘er geht’, gewöhnlich no-Präs. yanem ‘sie gehen’, usw.;
hitt. Ipv. i-it (it) ‘geh!’ (= gr. ἴ-θι), medial e-ḫu ‘komm!’; pa-a-i-mi (paimi, mit Präverb *pe-) ‘ich gehe weg’, 3. Pl. pa-an-zi (*-i̯-enti, ai. yánti), usw.; s. Pedersen Hitt. 129 f.;
unklar ist die idg. Grundform des medialen i-ja-at-ta-ri (ijattari) ‘geht, marschiert’; vgl. Couvreur H̯ 101;
-i̯-o- ‘gehend’ als 2. Kompositionsglied in gr. πεζός u. a., s. W. Schulze LEN. 4353.
t-Bildungen: ai. ití- f. ‘Gang, Wandel’, ityā́ ‘Gang’, dur-itá- (av. duž-ita-) ‘schwer zugänglich’, prātar-ítvan- ‘früh ausgehend oder -kommend’, itvará- ‘gehend’, vītá- (*vi-ita-) s. unten; ḗta- ‘eilend’; Infin. étum;
gr. ἁμαξ-ιτός ‘für Wagen fahrbar’, ἰταμός, ἴτης ‘(draufgängerisch =) keck, verwegen’, εἰσ-ιτήρια ‘Antrittsopfer’; o-stufig οἶτος ‘Menschengeschick, Schicksal’? (vgl. ‘Gang der Welt’, s. anders oben S. 11);
lat. exitium, initium (: fem. ai. ityā́); itiō ‘das Gehen’ (: ai. ití-); iter, itineris n. ‘Weg’ (vgl. toch. A ytār f., В ytārye f. ‘Weg’, hitt. i-tar, Gen. innas ‘Gehen’, air. ethar m. ‘Fährboot’), ursprüngl. r/n-St.; com-es, -itis ‘Begleiter’; itus, -ūs m. ‘Gang’, woneben hochstufiges *ei-tu-s wohl als Grundlage von osk. eituam, eítiuvam ‘pecuniam’ (vgl. zur Bed. ‘Eingang, Einkünfte, reditus, εἴσοδος’ oder ‘fahrende Habe’);
air. Pass. ethae ‘itum est’, ethaid ‘geht’, ad-etha (*-it-āt) ‘ergreift’; vielleicht air. ōeth ‘Eid’, acymr. an-utonou, mcymr. an-udon ‘Meineid’ = got. aiþs, anord. eiðr, ags. āþ, as. ēth, ahd. eid ‘Eid’ (formell = gr. οἶτος, Bedeutung etwa aus ‘Eidgang, Vortreten zur Eidesleistung’ entwickelt, vgl. schwed. ed-gång?, s. aber oben S. 11.);
asachs. frēthi ‘abtrünnig, flüchtig’, ahd. freidi ‘flüchtig, kühn, verwegen’ (aus *fra-iþya-, *pro-iti̯os ‘der Fortgegangene’, vgl. ai. prēti- f. ‘Weggehen, Flucht’, dazu prētya ‘nach dem Tode, jenseits’); wahrscheinlich anord. vīðr ‘geräumig, weit, ausgedehnt’, ags. as. wīd, ahd. wit, nhd. weit aus *u̯i-itos ‘auseinander gegangen’ (vgl. ai. vītá- ‘vergangen, geschwunden, fehlend, ohne’, vīta-bhaya- ‘furchtlos’, vīti- f. ‘weggehen, sich entfernen, sich absondern’ und lat. vītāre, s. unten).
Iterativ i-tā- in gr. ἰτητέον, ἰτητικός el. ἐπ-αν-ιτᾱκώρ, lat. itō, -āre, air. ethaid ‘geht’, umbr. (mit sekundärer Hochstufe wohl nach eitu, eite) etatu, etato ‘itate, itatote’; unklar gr. φοιτάω ‘gehe bin und her’ (ἰτάω mit Präfix *φοι, zu got. ahd. bi-??), lat. vītāre ‘meiden’ = ‘jemandem (bei Plaut. m. Dativ) aus dem Wege gehen’; unsicher, ob hierher lat. ūtor (alat. oetor, oitile) ‘gebrauchen’, päl. oisa aetate ‘nach genutztem, genossenem Leben’, osk. úíttiuf ‘Nutznießung’, mit Präf. o-, ursprünglich ‘sich heranmachen, sich womit befassen’ (úíttiuf noch deutlich mit lat. itiō sich deckend; noch klarzustellen bleibt, ob das Präs. aus *o-itārī in die Weise der Wurzelverba übergeführt sei);
ob οἴσω ‘werde tragen’ als ‘an etwas herangehen’ oder ‘mit etwas gehen’ wie ūtor auf *o- + *it- beruht? Nach Schwyzer Gr. Gr. I 7529 eher aus *oi-s-; vgl. unten οἴχομαι.
dh-Bildungen: gr. ἴθμα n. ‘Gang’, εἰσίθμη ‘Eingang’; zweifelhafter ἰσθμός, att. inschr. ̔Iσθμός ‘schmaler Zugang, Landzunge, Landenge; Hals’ (Grundf. *idh-dhmos? wenigstens wäre der Weg des Eindringens von σ in älteres *ἴθμος nicht klar); vgl. Schwyzer Gr. Gr. I 49212;
anord. eið ‘Landenge’;
lit. Instr. eĩdine ‘im Paßgang’ (von Pferden), aksl. idǫ ‘gehe’ (s. oben).
m-Bildung:
ai. ḗma- m. ‘Gang’ (aber gr. οἶμος, οἷμος ‘Gang’ zu ἐείσατο, s. u̯ei- ‘ἱεμαι’); lit. eismė̃ ‘Gang, Steige’ mit lit. -sm-Suffix.
-Bildung:
ai. ḗva- m. ‘Lauf, Gang, Gewohnheit, Sitte’; ai. dur-ḗva- ‘von schlechter Art, böse’; ahd. ēwa (*oiu̯ā) f ‘Gesetz, Norm, Bündnis, Ehe’, as. ēu, ēo m., ags. ǣw, ǣ f. ‘Gesetz, heiliger Brauch, Ehe’ (für Gleichheit mit ēua ‘Ewigkeit’ plädiert Weigand-Hirt s. v.); vgl. auch got. ƕaiwa ‘wie’ (wenn aus *qōiu̯os aus *qo-oiu̯os; so auch gr. ποῖος u. dgl.?, s. unter qo);
e-stufig lit. péreiva, péreivis ‘Landstreicher’, nach Specht KZ. 65, 48 aus einem Adj. *ejùs, zu ved. upāyú- ‘herankommend’.
l-Bildung wahrscheinlich im Intensivum as. īlian, ahd. īllan ‘eilen, sich beeifern’ (aus *ijilian; *ei̯eli̯ō, Bildung wie lat. sepeliō); allenfalls, doch sehr unsicher, norw. dial. eil f. ‘rinnenförmige Vertiefung’, schwed. dial. ela ds., lit. eilė̃ ‘Reihe, Furche’, lett. ailis ‘Fach, Reihe’.
gh-Erweiterung in:
arm. ēǰ ‘Abstieg’, iǰanem (Aor. ēǰ) ‘herabsteigen’, iǰavank’ Pl. ‘Gasthaus’, iǰavor ‘Gast’;
gr. εἴχεται· οἴχεται Hes., οἴχομαι ‘gehe (fort), bin fort’, οἰχνέω ‘gehe, komme’, vielleicht auch ἴχνος, ἴχνιον ‘Fußspur’ (als ‘Tritt’);
air. ōegi, Gen. -ed ‘Gast’;
lit. eigà f. .Gang’.
i̯ā- in:
ai. yā́ti ‘geht, fährt’, av. yāiti ds., ai. yā́na-ḥ m. ‘Bahn’, n. ‘Gang, Vehikel’, av. yāh- n. ‘Krise, Entscheidung’ (s-St.);
gr. ‘Επ-ίασσα ‘ἐπιοῦσα’ (mit -nt-Suffix), Beiname der Demeter (: ai. yatī́ ‘die gehende’);
lat. Jānus ‘altital. Gott der Türen und des Jahresanfangs’, jānua ‘Türe’;
air. ā ‘Achse, Wagen’ (idg. *i̯ā), āth ‘Furt’ (*i̯ā-tu-s; brit. Zubehör vermutet Pedersen KG. I 322 f.);
lit. jóju, jóti, lett. jâju, jât ‘reiten’, lit. jódyti ‘fortgesetzt reiten’;
aksl. jadǫ, jachati (s-Erw. *i̯ā-s-) ‘fahren, vehi’, Part. Pass. prě-javъ, jazda ‘das Fahren, Reiten’, jato ‘agmen’ (s. zu den slav. Formen Berneker 441 f., v. d. Osten-Sacken IF. 33, 205, Brückner KZ. 45, 52, Persson Beitr. 348 f.); dazu die slav. FlN Jana (Nowgorod), Janka (Wilna), Jana (Bulgarien), nhd. Jahna (Sachsen); s. Rozwadowski RSl. 6, 64.
Vielleicht auch hierher lett. Jānis (mit dem christl. Johannes zusammengeworfen) als Beherrscher der Himmelspforte; vgl. darüber E. Fraenkel Balt. Sprachwiss. 134;
toch. A ‘er ging’, В yatsi ‘gehen’, mit p-Erw. yopsa ‘er trat ein’, usw. (Pedersen Toch. 231); vgl. ai. yāpáyati ‘läßt gelangen zu’.
i̯ē- in i̯ēro-: i̯ōro-: i̯ǝro- ‘Jahr, Sommer’:
ai. paryāríṇī- (pari-yāríṇī-) ‘nach einem Jahr erst kalbend’ (?);
av. yārǝ n. ‘Jahr’;
gr. ὥρα ‘Jahreszeit, Tageszeit, Stunde, rechte Zeit’, ὧρος ‘Zeit, Jahr’;
vielleicht lat. hōrnus ‘heurig’, wenn auf *hōi̯ōrō ‘in diesem Jahre’ beruhend, vgl. ahd. hiuru ‘heuer’ aus *hiu jāru;
urkelt. *i̯arā (*i̯ǝrā), cymr. bret. iar ‘Henne’, gall. PN Iarilla, mir. eir-īn ‘Huhn’ (air. *air-īn); falsch O’Rahilly Eriu 13, 148 f.;
got. jēr, anord. ār, ags. geār, as. ahd. jār n. ‘Jahr’;
russ.-ksl. jara ‘Frühling’, russ. jarь ‘Sommerkorn’ (usw., s. Berneker 446, davon Ableitungen für einjährige Tiere, z. B. russ. járec ‘einjähriger Biber’, járka ‘Schaflamm’, bulg. járka ‘junges Huhn’);
dagegen gewiß hierher mhd. jān ‘Reihe, Gang’, nhd. Jahn ‘Gang, Reihe gemähten Getreides’, schwed. mundartl. ån ds.

WP. I 102 ff., WH. I 406 ff., 658 f., 668 f., 723, Schwyzer Gr. Gr. I 674.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal