Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

insect - (ongewerveld, zespotig, uit drie delen bestaand type dier)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

insect zn. ‘ongewerveld, zespotig, uit drie delen bestaand type dier’
Nnl. insect in de boektitel Metamorphosis insectorum Surinamensium, ofte verandering der Surinaamsche insecten [1705; Picarta].
Ontleend, al dan niet via Frans insecte ‘id.’, aan Latijn īnsectus, verl.deelw. van īnsecāre ‘insnijden’, gevormd uit → in- 3 ‘in-’ en secāre ‘snijden’, zie → sectie. Latijn īnsecta (onzijdig mv.) werd door Plinius gebruikt als leenvertaling van Grieks éntoma ‘insecten’, de onzijdige meervoudsvorm van het bn. éntomos, bij entémnein ‘insnijden’, dat gevormd is uit en- ‘in’ en témnein ‘snijden’, zie → tonsuur.
In het Grieks (Aristoteles), en in navolging daarvan in het Latijn, noemde men deze dieren zo vanwege de karakteristieke vorm van de meeste insecten. Plinius schrijft in zijn Naturalis Historia (boek XI): ‘(deze dieren) worden terecht allemaal insecten (insecta) genoemd, vanwege de insnijdingen, soms op de plaats van de nek, soms bij de taille, die het lichaam verdelen in afzonderlijke delen, die slechts door een buisje bijeen worden gehouden’. In het Nederlands hebben voor insecten ook namen bestaan die zijn afgeleid van kerf ‘insnijding, inkeping’ en kerven ‘insnijden’, zoals vnnl. korve, ghe-korve [1599; Kil.] en nnl. kerfdieren [1891; WNT kerfdier]. In het Duits bestaat naast het gebruikelijke Insekten nog steeds de alternatieve benaming Kerbtiere, bij Kerbe ‘kerf’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

insect [klasse van gelede dieren] {insecta ca. 1660} < frans (bête) insecte < latijn insectum (animal) [idem], verl. deelw. van insecare [insnijden], vertalende ontlening aan grieks entoma (vgl. entomografie).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

mijt

Het woord mijt komt voor in drie betekenissen, die op het oog niets met elkaar te maken hebben. Er is mijt: stapel hooi, mijt: klein muntje en mijt: insect. Het laatste woord is afgeleid van het Latijnse werkwoord insecare: een snee in iets maken en betekent: knager, boorder. Dit is een goede naam voor de parasiet die in kaas zulke verwoestingen kan aanrichten. Het woordje mijt voor: muntje is geheel verouderd. Een mijt had vroeger de waarde van 1/24 groot en een groot is een halve stuiver. Een mijt is dus een onaanzienlijk bedragje en daaruit is te verklaren, dat het de naam kreeg van het kleine insect. Geen mijt betekent dan: geen zier. Een zier nu is precies hetzelfde als een mijt. Ook dit woord beduidt namelijk: insect (Frans ciron).

Mijt voor stapel hooi of hout tenslotte is van een geheel andere familie. Het is een afleiding van het Latijnse woord meta dat: kegel, zuil betekent.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

insect znw. o., sedert c. 1660 bekend (maar nhd. insekt reeds sedert 1545) < lat. insectum (deelw. van insecāre), door Plinius gebruikt om gr. éntomon ‘ingesneden’ te vertalen, vgl. Zuidnl. kerfdiertje.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

insect znw. o., sedert ± 1660. Uit lat. insectum (deelw. van insecâre). Internationaal woord.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

insek s.nw.
1. Klein ongewerwelde diertjie waarvan die liggaam bestaan uit 'n kop, 'n borsstuk met drie segmente wat elk 'n paar gelede pote dra en 'n agterlyf met sewe tot tien segmente. 2. Enige klein kruipende of vlieënde, ongewerwelde diertjie.
Uit Ndl. insect (ongeveer 1660 in bet. 1, 1764 - 1775 in bet. 2). Eerste optekeninge in Afr. in bet. 1 by Pannevis (1880) in die vorm insekt en in Patriotwoordeboek (1902) in die vorm insek. By Afr. insek val die klem op die eerste lettergreep onder die invloed van Eng. insect.
Ndl. insect uit Fr. insecte uit Latyn insectum 'ingesny'.
D. Insekt, Eng. insect.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

insect (Frans insecte)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

insect ‘klasse van gelede dieren’ -> Indonesisch insék ‘klasse van gelede dieren’; Papiaments insèkt (ouder: insekt) ‘klasse van gelede dieren’; Surinaams-Javaans insèg ‘klasse van gelede dieren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

insect klasse van gelede dieren 1660 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal