Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

input - (binnenkomende informatie)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

input zn. ‘binnenkomende informatie’
Nnl. in de boektitel De Belgische input-outputrelaties in 1959 (een economisch-statistisch overzicht, z.a.) [1959; Picarta], de inputspanning ‘elektrische spanning van het inkomende signaal’ [1960; maandblad Radio Bulletin 29, 281], input ‘invoer (van gegevens) in een computer’ [1970; Broersma], ‘prikkels van buitenaf’ [1989; Smits/Koenen].
Ontleend aan Engels input ‘inbreng, toevoer, invoer’ [1753; OED], afleiding van een reeds lang verouderd werkwoord input ‘inzetten’, gevormd uit in- ‘in, naar binnen’, en put ‘zetten’, zie → poten, leenvertaling van Latijn impōnere ‘id.’, zie → imponeren.
Engels input is oorspr. vooral een vaktaalwoord; behalve in de computertechniek gebruikt men het ook bijv. in de elektrotechniek voor ‘toegevoerde energie’, in de boekhoudkunde voor ‘beschikbaar gesteld vermogen of bedrag’, in de economie etc.; de meeste betekenissen kwamen en komen ook in het Nederlands voor. De Nederlandse spreektaal ontwikkelde daarnaast de overdrachtelijke betekenis ‘prikkels van buitenaf’ en ‘gegevens die door anderen aangeleverd worden’.
In de 20e eeuw ontstond bij het Engelse zn. opnieuw een werkwoord input ‘inbrengen van gegevens in een computer’ [1946; OED], waarvoor het Nederlands het reeds bestaande woord invoeren heeft gekozen. Daarbij hoort ook het zn. invoer ‘in te brengen of ingebrachte informatie in een computer’, dat als synoniem van input fungeert.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

input [wat toegevoerd wordt] {1974} < engels input, van in [in] + to put [plaatsen].

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

input (Engels input)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

input [inpoet] {invoer} 1. alle gegevens die van buitenaf in een computer, ander apparaat of systeem worden ingevoerd; 2. vandaar, meer in het algemeen: prikkels van buitenaf.

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Input (Eng.; to put in = inzetten). 1. Ingang; 2. opgenomen vermogen, ingangsvermogen.

Dateringen of neologismen

F. Bakker, E. van Ruijsendaal, P. Uljé, D. van Zijderveld, Vindpunt.nl – elektronisch doorzoekbare Woordenlijst Overbodig Engels met Nederlandse tegenhangers, uitgebreide en verbeterde voortzetting van de boekuitgaven Funshoppen in het Nederlands (2009) en Op-en-Top Nederlands (2015)

input zn. Ontleend aan het Engels.
[alg] = invoer, inbreng, bijdrage, ideeën. Wij staan open voor uw inbreng (maar doen er lekker niks mee....).
= organisch, natuurlijk.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

input wat toegevoerd wordt 1970 [Recht voor raap] <Engels

J. Posthumus (1986), A Description of a Corpus of Anglicisms, Groningen

input, [ʹɪnput, ʹɪm-] Koenen 1974; Van Dale 1976. Compounds/derivations: computer input. Loanword from English input n.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal