Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ingewanden - (spijsverteringsorganen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ingewanden zn. mv. ‘spijsverteringsorganen’
Mnl. ingewanden ‘inwendige organen in de buik’ [1315-35; MNW-R], inghewant [1339; MNW-R], van den ingewande tesamen [1351; MNW-R], inghewant ‘organen (hart, longen, lever) in een dierenlichaam’ [ca. 1440; Harl.], in sijn buuc een wonde, dat daer sijn ingewant uutliep [1458; MNW-P].
Gevormd uit → in en Middelnederlands gewant ‘doek, gewaad, gerei; kleding, uitrusting’, een afleiding van → winden ‘draaien’. De betekenis is dus ‘dat wat zich binnen de bekleding bevindt’.
Mnd. ingewant, ingewāt. Mhd. (in)geweide (nhd. Eingeweide) is een afleiding van een wortel die verwant is met winden, waarbij ook Duits Weide ‘wilg’, Latijn vīscera ‘ingewanden’; bij de wortel pie. *wei- ‘winden, draaien’; en zie ook → gewei.
In het Middelnederlands bestonden diverse synoniemen van dit woord. Ouder dan ingewanden zijn onder meer ingewede, zoals in si at vorschen ocht padden darme ocht van serpenten dyngewede verslant ‘ze at kikker- of paddendarmen of verslond slangeningewanden’ [1276-1300; CG II, Kerst.] en (in)geweide [beide 1300-25; MNW-R], gheweyde [1390-1400; Rijmkroniek], die overeenkomen met de Hoogduitse vormen. Andere synoniemen zijn onder meer ghewade [1328-50; Rijmkroniek, ander handschrift] en ghewande [1380-1425; MNW-R], inghewade ‘gedarmte’ [ca. 1440; Harl.], een vorm die overeenkomt met Nederduits ingewant.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

ingewanden

Het Middelnederlandse woord ghewant betekende: stof, doek, gewaad, gerei, uitrusting enz. Ingewand is derhalve: het gewand dat van binnen zit, het binnenwerk, de inwendige toestel, zowel letterlijk als figuurlijk. Het is familie van want: scheepstuig. In Genesis 43:30 leest men: Ende Joseph haestede hem (zich), want zijn ingewant ontstack tegen synen broeder. Hier betekent ingewand dus: binnenste, gemoed. Thans gebruikt men het woord in het meervoud voor de gezamenlijke darmen in de buikholte. Het is wel duidelijk dat het werkwoord winden met ingewand samenhangt.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ingewanden znw. o. mv., mnl. inghewant o., mnd. mhd. ingewant. Daarnaast staat mnl. inghewâde, mnd. ingewāt, waarvan het 2de lid te vergelijken is met os. wād, ohd. wāt ‘kleding’ (zie: gewaad). Zo kan men ook in het 2de lid van ingewanden het woord mnl. ghewant ‘stof, doek, gewaad, gerei, uitrusting, lading’ aannemen, vgl. mhd. gewant ‘kleding, uitrusting’, mnd. gewant ‘kleding’ (zie: want 2). Dit woord is afgeleid van winden en het is dus mogelijk, dat ingewanden rechtstreeks op het begrip ‘winden’ teruggaat, als aanduiding van de dooreengewonden darmen. Zo kan ook het ohd. innubli, innuovili, oe. innelfe, innyfle, on. innyfli gevormd zijn van weven.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal