Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

in - (binnen een ruimte); (naar binnen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

in vz. ‘binnen een ruimte’; bw. ‘naar binnen’
Onl. in (vz.) ‘in, aan, op, naar, te’, zowel m.b.t. ruimte en tijd als abstract, in gelōbistu in got alamehtigen fadaer ‘geloof je in God de almachtige Vader?’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 26], in himelen ‘in de hemelen’, in wege sundigero ‘op de weg der zondaars’, in stunden sīnro ‘op zijn tijd’, vōr in gerēde ungenēthero ‘ging naar de raad(svergadering) der goddelozen’ [alle 10e eeuw; W.Ps.], in, inna, inne (bw.) ‘binnen’ in ingān sal ‘binnen zal gaan’, that ne ic inne stecke ‘opdat ik niet daarin blijf steken (in het slijk)’ [beide 10e eeuw; W.Ps.], indragon ‘naar binnen dragen’ [ca. 1100; Will.].
Os. in (mnd. in); ohd. in (nhd. in), bijwoordelijk īn (nhd. ein(-)); ofri. in (nfri. in); oe. in (ne. in); on. í (nzw. i); got. in; < pgm. *in-. Als bijwoord o.a.: os. inna; ohd. inne (nhd. inne); oe. inne; on. inni (nzw. inne); got. inna; < pgm. *inna.
Verwant met Latijn in (zie → in- 3); Grieks en, éni ‘in’, eis (< *ens) ‘naar’; Oudpruisisch en; Oudiers in-; Albanees inj ‘tot’; Tochaars B in-; < pie. *h1en ‘in’. Daarnaast misschien uit ablautend pie. *h1on, Proto-Slavisch *vŭn ‘in, naar’ (Oudkerkslavisch , Russisch v(o), Tsjechisch v(e)). Hiervan afgeleid is pie. *h1enter ‘tussen, binnen’, waaruit: Latijn inter; Sanskrit antár; Oudiers eter.
Pgm. *in in plaats van het verwachte *en uit pie. *h1en zal het gevolg zijn van een zwak beklemtoonde positie die dit woord binnen een zin inneemt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

in* [voorzetsel] {776-800} in alle germ. talen in, behalve oudnoors ī, (< in); buiten het germ. latijn in, grieks en, iers i(n), litouws dial. in, albaans in, oudpruisisch en, armeens i.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

in 1 voorz. mnl. in, onfrank. os. ohd. ofri. oe. got. in, on. ī. — lat. in, gr. ení, éne, lit. ĩ, pr. en, oiers in (naast ini-) < idg. grondvorm *en. — Zie verder: innen, innerlijk, innig, binnen en onder.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

in I voorz. bijw., mnl. in. = onfr. ohd. (nhd.), os. ofri. ags. (eng.) in, on. î, got. in “in”. Een zeer verbreid idg. bijw. voorz. (*en waarnaast *eni) met de bet. “in” en verwante bett.: ier. i, in-, lat. in, gr. en (ení, éni; met schwundstufe dor. ālíā “vergadering” < *a-Ϝal-(n)íā e.a.?), lit-ï̜ (schwundstufe?), opr. en, alb. , arm. i. Vgl. innen, innerlijk, innig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

in I. Hd. ein bijw. uit een (reeds ohd.) vorm met lange vocaal, die in emphatische positie uit de korte is ontstaan. Lange vocaal ook in gron. en fri. diall. Vgl. W. de Vries Tschr. 34, 218.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

in 1 voorz., Mnl. in, Os. in: voorts in alle Germ. talen in, doch On. í (Zw. en De. i) + Gr. ení, en, Lat. in, Ier. in, We.. yn, Lit. ĭ, verwant met aan en onder 1.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

in indien (ten zuiden van de Rijn). = mnl. in ‘indien’ = in (voorzetsel). Zie voor parallellen met naast de veronderstellende een andere functie: en II ↑, an. Mhgd. kent und in betekenis ‘indien’.
OT I 309 vlg., TT XLV 50-79.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

in: Bij de benaming van ziekenhuistarieven wordt ’in’ gebruikt voor ’inclusief’ en ’out’ voor ’exclusief’ (alle andere dan de ligkosten). Zie bijv. de cit. De minister ontkende dat bij het nemen van een beslissing voor een ’all-in-arts-in’ tarief voor de overheidsziekenhuizen wat betreft de derde klasse de medici geen inspraak hebben gehad (WS 6-3-1982). Voor de intensive-care afdeling betaalt men nu voor de derde klasse Sf* 150,- allout-arts in (WS 26-3-1983). - Etym.: Het is een uitbr. van de E uitdr. (ook in Sur. en Ned. gebr.) ’all-in’, d.i. ’alles inbegrepen’, toegepast op prijzen i.h.a. E in (bw.) = o.m. erbij in(gesloten); out (bw.) = o.m. erbuiten (gesloten).
— : zie kreek* (2), zie rivier*.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

in zijn (vert. van Engels to be in)
in zijn voor iets (vert. van Engels to be in for something)

L. Koenen, R. Smits (1992), Peptalk, De Engelse woordenschat van het Nederlands

in [in] in de mode.

Ch.F. Haje (1932), Taalschut, schrijf weer Nederlandsch, Leiden

1931 > in 1931
Een der nieuwste baldadigheden van de taalontwrichters is het schrappen van in vóór jaartallen. Puur Duitsch: 1843 werd Eca de Queiroz in een afgelegen dorp eener afgelegen Portugeesche provincie geboren - 1875 verschijnt dan zijn anti-klerikale roman (Nico Rost in Den Gulden Winckel van Juli 1931).

Leeraar in Fransch
Men was weleer leeraar in de Fransche taal, in het Fransch; men gaf les, onderwijs in het Fransch, in het Duitsch. Daarop zijn ze lidwoorden en voorzetsels gaan weg krabben en is leeraar Fransch, onderwijs Duitsch zeer naaktelijk overgebleven. Dat lijkt sommigen weer wat simpel en die gaan een beetje repareeren: leeraar in Fransch. En zoo vertellen onze docenten dan zelf dat ze zijn als kooplieden in vodden en beenen of als Droogstoppel, die in koffie deed .

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
In. – Een enkele maal leest men in Zuid-Nederland het bijvoeglijk naamwoord arm geconstrueerd met een bepaling met in. Dit is blijkbaar een gallicisme: men zegt in het Fransch riche, pauvre en livres, fertile en blé, stérile en orateurs, en aan den invloed dezer constructie is het gebruik van in bij arm zeker te wijten. In goed Nederlandsch zegt men arm aan iets. || Landen, die men doodarm achtte in lied en zang, bleken schatten van poëzie voortgebracht te hebben, ROOSES, Lett. Stud. 182.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
In.
α) In plaatsbepalingen. – 1o De grondbeteekenis van het voortzetsel in is: binnen de grenzen eener besloten ruimte; waar dit begrip eigenlijk noch figuurlijk aanwezig is, kan in derhalve niet gebruikt worden. Zoo kan men niet zeggen in een stoel, tenzij het een kinder- of armstoel zij; men zegt ook niet in -, maar op den predikstoel; maar in het Fransch zegt men en chaire, en dit gebruik is op de volgende plaats nagevolgd. || Is het waar, wat de priester in den stoel der waarheid verklaarde, dat gij enz., TEIRL.-STIJNS, Arm. Vl. 2, 321 (verg. ook in de eerste afdeeling, II, het art. Stoel).
2o Men zegt b.v. ik heb in een der werken van X. gelezen dat enz.; maar wanneer men, bij begripsverwisseling, den schrijver zelf noemt, terwijl men zijne werken bedoelt, zegt men niet in, maar bij: ik heb bij X. gelezen dat enz. In beide gevallen wordt in het Fransch dans gebruikt: j’ai trouvé dans ce livre un beau passage, en la phrase dont vous parlez n’est pas dans Bossuet (LITTRÉ op Dans). Onder den invloed van het Fransche taaleigen staat op de volgende plaats in, in een geval waar bij vereischt wordt. || Waar is het, dat men in Milton gedachten en ontwikkelingen ontmoet, die aan den Lucifer … ontleend schijnen, SLEECKX 12, 131.
3o Bij werkwoorden van beweging geeft de bepaling met in te kennen dat het eindpunt der beweging een punt binnen een besloten ruimte is: in huis gaan enz. Men kan dus ook zeggen iemand in huis volgen, maar dit is alleen mogelijk, wanneer men zich zeer dicht bij het bedoelde huis bevindt; is dit niet het geval, is men er ver van verwijderd, dan zegt men iemand naar huis volgen. Er is ook verschil tusschen iemand in Italië volgen en iemand naar Italië volgen, en zoo is op de volgende plaats het eerste gebruikt, terwijl het tweede vereischt wordt. Men zegt echter in het Fransch suivre quelqu’un en Italie, en Allemagne enz.; van daar de fout. || Lombard (hechtte) zich aan den Engelschen kardinaal Pole, welken hij in Italië volgde, SABBE, Vl. Schilderk. 116 (bij WAUTERS 151: et suivit celui-ci en Italie, wat veel beter vertaald wordt met en vergezelde hem naar Italië).

β) In bepalingen van middel. – In het Fransch zegt men en un mot, en deux mots, en d’autre termes enz. Dat zijn bepalingen van wijze, die in Zuid-Nederland gewoonlijk letterlijk vertaald worden: in een woord, in twee woorden, in andere woorden. Dit is in strijd met ons taaleigen, volgens hetwelk dergelijke begrippen niet door een bepaling van wijze, maar door een bepaling van middel uitgedrukt worden: wij zeggen met een woord, met andere woorden. Evenmin echter als in twee woorden is met twee woorden aan te bevelen; men zegt dat nu eenmaal niet, maar daarentegen wel met korte woorden, kortom. || In een woord, SLEECKX 1, 294; 2, 138; 2, 241; 5, 243. In twee woorden, … gij hebt mij uwe dochter tot vrouw beloofd, 5, 211. In andere woorden, hij was aan zijne Vlaamschen leeftrant … de voorkeur blijven geven op eenen Franschen, 12, 261. In andere woorden, hij beminde, aanbad, vergoodde zijne nicht, 14, 176 (zie ook 14, 82). In één woord, zij strekte hem … tot moeder, 14, 188. In twee woorden had Frans aan Clara de geschiedenis van het fluitkastje … ontdekt, 14, 252. In andere woorden, hij (zeker schrijver) durft jong zijn en lijdt niet aan de ziekelijke stemming onzer dagen, SLEECKX in Ned. Dicht- en Kunsth. 9, 51. Het overgangstijdvak met zijne overdrijvingen, zijne slaafsche navolging, zijne uitstalling van geleerdheid, in één woord, met al zijne buitensporigheden, GEIREGAT, Holl. Schildersk. 52 (bij Havard 67: en un mot). Indien men nagaat dat de voedingsmiddelen, de huishuur, de kleeding, de prachtvoorwerpen, in één woord, alles wat aangekocht wordt, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 103 (bij RICHET in Revue Scientifique 49, 139a: en un mot). In één woord, het gouvernement zal weinig geacht en overigens weinig machtig zijn, 108 (als boven). In één woord, de afsluitingen, die de natuur tusschen de volkeren gesteld heeft, zullen, dank aan de zegevierende macht der nijverheid, meer en meer verdwijnen, 120 (als boven). In één woord, de gezondheidsleer zal in de toekomende maatschappelijke inrichting eene overwegende plaats innemen, 138 (als boven). In één woord, daargelaten eenige schikkingen, werden zij (nl. de protestanten) in de staatsverordening des lands, op denzelfden voet gesteld als de katholieke bevolking, MATHOT, Jozef II 33. Middelen, in een woord, om de misbruiken in het vak zooveel mogelijk af te weren, DAEMS, Kruiw. 193. Het verband tusschen aarde en hemel, het perspectief, in een woord, is nog niet gevat, ROOSES, Antw. Schildersch. 1, 23. Wat vond, wat schiep Massijs? In twee woorden gezegd: hij maakte den mensch als mensch en als groep tot hoofddoel van zijn werk, 1, 77. Men stelt zich in één woord niets onhandigers, onsierlijkers … voor dan dit stuk, 1, 104. Er is in één woord beweging, hervorming in den trant, 1, 109. Een onbeduidend doekje …, hard van kleur, onnatuurlijk van licht, ongenietbaar in een woord, 2, 199. In andere woorden is hij een waar dichter? ROOSES, Derde Schetsenb. 250. Om mijnen indruk in twee woorden weer te geven, zeg ik, dat enz. 297. Ik wil trachten in korte woorden het stuk en zijne waarde eenigszins te doen kennen, 298. In andere woorden en zonder eigennamen: de aanhangers der Fransche republiek waren schelmen, dieven moordenaars, 309. In een woord, het is gezonde poëzie door een dichter, met adem in de longen, voor gezonde menschen gezongen, 379. Men (bemerkt) … in andere woorden, dat de talen zoo oud zijn als het menschdom, F. WILLEMS in Versl. Vl. Ac. 1893, 78. In een woord, al wat den burger eenig aanzien geeft tegenover zijne medeburgers klinkt Fransch, TEMMERMAN in De Toekomst 34, 63. In een woord, Vondels taal is krachtig en tevens teeder, SEGERS, Vondel1 28. Gewetensvol stelde ik mij aan het werk om het (boek) te lezen en er in korte woorden mijne meening over neer te schrijven, SEGERS in De Toekomst 31, 469. In éen woord, die meesters vertoonen zich zoo ongewoon, zoo scheppend, dat wij hen wel als dichters bij uitnemendheid mogen aanschouwen, 33, 419. De gedrukte teksten werden aldus rijkelijk met toonteekens doorspikkeld … in een woord bijna zooveel als eene eeuw later bij de Vlamingen, onder den invloed van J. des Roches, maar op andere gronden, geschieden moest, DE FLOU in Ned. Dicht- en Kunsth. 9, 97. In éen woord, zij waren als twee jonge scheuten op twee zusterveilranken ontsproten, DE MONT in De Toekomst 35, 6.Mijne ouders, mijne bloedverwanten, in éen woord geheel mijne omgeving, … spraken slechts Platt, 35, 412. Het is nu eenmaal een uitgemaakte zaak, dat wij, Vlamingen, den toon niet geven, in andere woorden, dat ons dialekt niet tot algemeene schrijftaal strekt, GITTÉE in De Toekomst 30, 267. Wij hebben meestal de praxis alleen van ons dialect; in andere woorden, de schrijftaal is onder de betere standen, laat staan het volk, niet gebruikt, 30, 269. Men bedriegt zich, wanneer men gelooft dat de letterkunde … ons het eigenlijke volk schetst; op zijn hoogst genomen, geeft zij ons de gevoelens, de meeningen, het geloof, in één woord: den gedachtenschat weer van de schrijvers, van het meer verlichte gedeelte der natie, 31, 418. Hoofdzaak was hier, een juiste middelmaat te houden; een gewichtig begrip niet ter zijde te laten, al te gemakkelijk te vinden zaken niet in te lasschen, in éen woord, den beschaafden lezer bij wien reeds zekere kennissen mogen verondersteld worden, uit den nood te helpen, 35, 358.

γ) In bepalingen van wijze.1o Hier is te vermelden de in Zuidnederlandsche officieele stukken en nieuwsbladen vaak voorkomende uitdrukking in dubbel, letterlijk vertaald naar fr. en double. In goed Nederlandsch gebruikt men eenvoudig het bijwoord dubbel, b.v. iets dubbel vouwen, een stuk dubbel opmaken; zie echter ook de aanhalingen. || Nevens dit tafereel mogen wij zijnen Tocht van Bacchanten plaatsen, dien wij dubbel bezitten, ROOSES, Antw. Schildersch. 2, 211. Zooals wij het nog van andere stukken uit van Dijcks leerjaren zullen zien, bestaat dit werk in dubbel, 2, 220 (in een dergelijk verband zou men veeleer zeggen in twee exemplaren).
2o De Fransche uitdrukking en corps wordt in Zuid-Nederland, vooral in de nieuwsbladen, gewoonlijk letterlijk vertaald, met in korps; doch dit is in strijd met de beteekenis van het voorzetsel in. Men zegt als korps, gezamenlijk, en men kan zeggen korpsgewijze. || De Kamer zal in korps aan de lijkplechtigheden tegenwoordig zijn, Fondsenblad 1 Juli 1895, 2c.
3o Men zegt in het Fransch laisser en paix, en naar het voorbeeld daarvan leest men in Zuidnederlandsche geschriften niet zelden in vrede laten; er wordt vereischt met vrede, met rust laten. || Zijne erfgenamen laten hem in vrede, A. BERGMANN, Staas 61. Gij moet deze diertjes in vrede laten, MILLICAM, Finh. en Lieder. 1, 93.

δ) In bepalingen van omstandigheid.1o De omstandigheden, de bijkomende feiten, die met een handeling of een voorval gepaard gaan, en die beschouwd worden als iets dat invloed heeft op de gesteldheid van zaken, worden in onze taal aangewezen door een bepaling met onder; zoo zegt men: onder deze omstandigheden kon ik niet anders handelen; onder al die rampen is hij steeds kloekmoedig gebleven; de koning reed door de stad onder de luide toejuichingen der menigte; onder al deze betuigingen van vriendschap kon ik niet koel blijven enz. enz. In het Fransch wordt deze betrekking door verschillende voorzetsels uitgedrukt, b.v. door à: au bruit du canon = onder het gebulder van het kanon; au son de la musique = onder het spelen der muziek; aux acclamations de la foule = onder het gejuich der menigte; maar zeer vaak door dans: dans ces circumstances = onder die omstandigheden enz. Onder den invloed van dit Fransche taalgebruik leest men op de onderstaande plaatsen ten onrechte een bepaling van omstandigheid ingeleid door in, in plaats van onder. || Toen zij, in het gedruisch van den rollenden trein, den langen, scherpen gil van de stoomfluit der locomotief hoorde, BUYSSE in Nederland 1894, III, 3. In het geknars der pramen op de raderen vertraagde de trein plotseling zijne vaart, III, 4. In het geluid der toejuichingen en der schaterende klanken der muziek, Ald. Zijne zenuwen waren, in het aanhoudend gedaver van den wagen, gespannen om er van te huilen, BUYSSE, Mea Culpa 158. Op het punt in het gebulder van den trein aan dien vreemdeling, aan dien onbekende … zijn misdaad in het aangezicht te schreeuwen, 159. In zijn lijdende prostratie verloor hij eindelijk ’t begrip van tijd en afstand, 160. Hij … stapte werktuiglijk uit den wagen, in het gewoel der overige reizigers op het perron, 161. Toen de trein … in het geknars der remmen … stilhield, BUYSSE, Op ’t Blauwh. 1.
2o Men zegt in het Fransch, aan den eenen kant: partir pour Paris, s’embarquer pour New-York enz.; aan den anderen kant, dat iets verzonden wordt en destination de -. Waarschijnlijk door bijgedachte aan beide constructies, wordt in Zuid-Nederland niet zelden de hybridische uitdrukking in bestemming voor - gebruikt, welke vooral in officieele stukken en vandaar ook in de nieuwsbladen voorkomt. Men zegt in goed Nederlandsch met bestemming naar -; wanneer een persoon het onderwerp is, volstaat echter naar alleen. || Vertrek uit Milaan ’s morgens vroeg in bestemming voor Lucern, LOVELING, Wint. in h. Zuid. 312.

ε) In bepalingen van verhouding. – De Fransche bepaling van verhouding en proportion de - wordt door Zuidnederlandsche schrijvers meestal letterlijk vertaald met in evenredigheid, in verhouding (van iets). In goed Nederlandsch zegt men echter naar evenredigheid, naar verhouding. || De werkman doet maar alles wat hij doen kan, wanneer de vergelding in evenredigheid van het verrichte werk is, GEIREGAT, Maatschapp. Vraagst. 67 (bij DE LAVELEYE in Revue de Belgique 65, 22: en proportion de la besogne faite). Het aandeel dat er aan eenieder van toekomt (t.w. van de welvaart), is in evenredigheid met het volbrachte werk, 75 (bij DE LAVELEYE, t. a. p. 65, 28 als boven). Het is overigens niet noodig dat de landbouwersbevolking als die der steden in evenredigheid vermeerdert, 105 (bij RICHET in Revue Scientifique 23, 140a: Que l’on ne croie pas … que l’augmentation de la population terreste nécessite un accroissement égal de la population agricole). In de Waalsche gewesten was het getal van kiezers eenigszins grooter, doch nergens aanzienlijk in verhouding der bevolking, MATHOT, Troebele Tijd 93. Wij hadden … in het Oostenrijkse tijdvak, in evenredigheid der bevolking en der legers in naburige landen, eene sterke krijgsmacht … van ongeveer vijf en twintig duizend man, 119 (hetzelfde 156). In evenredigheid der ongeveer acht duizend priesters ter wegvoering gedoemd, was het getal der aangehoudenen … toch weinig aanzienlijk, 151. Sommige rollen zijn te groot in evenredigheid van hun belang, ROOSES, Derde Schetsenb. 305. Alles is zoo gelijkmatig, zoo meetkundig in evenredigheid gebouwd, dat het veel kleiner schijnt in zijn geheel en in zijne onderdeelen dan het wezenlijk is, ROOSES, Op Reis 31.

[verkeerd gebruik van een voorzetsel o.i.v. het Frans]
In. – Aan het Fransche voorzetsel en beantwoordt het Nederlandsche in in de aequivalenten van uitdrukkingen als en habit d’amazone, en chemise, maar niet in die van en tablier blanc: wij zeggen immers met een witte schort aan. || René klopte met zijn gaanstok op de tafel en een dienstmeisje in wit voorschoot naderde, hun vragend wat zij bestelden, BUYSSE in De Gids 1895, II, 26. Zij ... (stond) schielijk vóór hem ..., door een meid in wit voorschoot, die een korfje droeg, gevolgd, II, 29. De jonge meid, ... in wit voorschoot, opende ... het hek, BUYSSE in Tweemaandel. Tijdschr. 2, 28.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

in ‘voorzetsel; in trek’ -> Negerhollands ini, in ‘voorzetsel’ (uit Nederlands of Engels); Papiaments in ‘in de mode, in trek’ (uit Nederlands of Engels); Sranantongo ini ‘voorzetsel, betekenis is iets anders dan de Nederlandse’ (uit Nederlands of Engels); Creools-Engels (Maagdeneilanden) † ini ‘voorzetsel’ <via Negerhollands>.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

in. Het Indonesisch heeft een aantal Nederlandse verbindingen met het voorzetsel in overgenomen. Zo is het Indonesische indehoj, ook gespeld als in de hooj, in de hoy, indehoy een grove uitdrukking voor '(verboden) geslachtsgemeenschap hebben'. Hiervan zijn afgeleid berindehoy en keindehoyan, met dezelfde betekenis. Aangezien er in Indonesië bijna geen hooi is, zal de uitdrukking overgenomen zijn uit het Nederlandse taalgebruik, vermoedelijk van soldaten. Dat ook in het Nederlands in het verleden al sprake was van 'met iemand het hooi in duiken', blijkt uit een aantal zeventiende-eeuwse citaten: zo vermeldt het WNT de uitdrukkingen in 't hooi met iemand willen, moeten als 'stoeien, ravotten in het hooi' met als toelichting: 't.w. uit dartelen lust', waaraan wordt toegevoegd: 'Bij Bredero leest men uit hooien varen met eene blijkbaar dartele beteekenis', met een citaat uit 1612: 'Ick moet nou wat uyt hoye varen. O bloet, hier omtrent wonen sulcke overdadige moye snaren!' Een snaar is een meisje, maar ook - en die betekenis bedoelt Bredero - een lichtekooi.

Opvallend is natuurlijk het lidwoord de in indehoj, waar in het Nederlands gesproken wordt van het hooi. Theoretisch zou hier sprake kunnen zijn van een verbogen naamval: in den hooi zoals in den beginne (naast het hooi, het begin). Dit lijkt echter erg onwaarschijnlijk, want zo'n naamvalsvorm is typische schrijftaal, terwijl het hier natuurlijk om een spreektaaluitdrukking gaat. Verder komt het lidwoord de volgens het WNT in het Nederlands alleen voor in de specifieke uitdrukking 'de(n) hooi hebben van iets, hetzelfde als den brui, waarvan het een willekeurige (verzachtende) variant is, hetgeen ook het veranderde geslacht verklaart'. Gezien de betekenis heeft dit niets te maken met het Indonesische indehoj. De verklaring voor de in indehoj zal gezocht moeten worden in de overname door Indonesiërs: uit onderzoek is namelijk gebleken dat mensen die Nederlands als tweede taal leren - en dat gold immers voor de Indonesiërs - geneigd zijn om het verschil tussen de- en het-woorden te verwaarlozen en slechts één woordgeslacht te gebruiken, zeker wanneer de moedertaal geen lidwoorden kent, zoals het Indonesisch. Als bepaald lidwoord gebruikt men dan steeds het lidwoord de, vaak met nadruk uitgesproken als die (het Afrikaans kent zelfs uitsluitend die als bepaald lidwoord). Dat kunnen we nog horen als Indische Nederlanders het zogenoemde Indisch-Nederlands spreken, dat iedereen wel kent van Wieteke van Dort in haar creatie van Tante Lien: in dit Indisch-Nederlands zegt men bijvoorbeeld de varken en de kantor. Op dezelfde manier zal in het hooi in Nederlands-Indië zijn omgevormd tot indehoj.

In het Indonesisch betekent indekos 'een kostganger zijn' of 'een kostganger hebben'; dit gaat uiteraard terug op het Nederlandse in de kost (zijn, hebben). Indekos wordt tegenwoordig ook gebruikt voor 'het verhuren van kantoorruimte door een groot bedrijf aan een kleiner bedrijf'. Een kostganger heet een indekosan. Overigens is ook het Nederlandse kost zonder het voorzetsel in geleend als kos(t), met als betekenissen 'in de kost hebben, kostganger, pension'. In advertenties staat terima kos voor 'wij nemen kostgangers aan'. Een bu kos(t) is een pensionhoudster, hospita (bu betekent 'mevrouw'), en een pak kos(t) is de mannelijke tegenhanger (pak betekent 'meneer'), die ook met een Nederlands leenwoord kosbas wordt genoemd.

In het Papiaments is in in de betekenis 'in de mode, in trek' geleend uit het Nederlands of uit het Engels. Ook hoi 'hooi' is uit het Nederlands geleend, maar de frivole combinatie in het hooi voor 'vrijen' komt in het Papiaments voor zover mij bekend niet voor.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

in* voorzetsel 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

en1 ‘in’, (: *n̥; slav. auch *on?); eni, n(e)i; vielleicht auch n̥dhi (Ausgang wie epi, obhi usw. vielleicht mit dem Lok. auf -i verwandt, wenn nicht gar nach ihm geschaffen).

Ai. in ánīka- n. ‘Angesicht’ (= av. ainika- ds.) aus *eni-oq-;
*ni- in ai. ni-já- ‘eingeboren, innewohnend, beständig, eigen’, av. ni-zǝnta- ‘eingeboren, ingenuus’, ai. ní-tya- ‘beständig, eigen’ = gall. Nitio-broges, VN (Gegensatz zu Allo-broges) = got. niþjis ‘Verwandter’, anord. niðr ‘Verwandter’, ags. niððas Pl. ‘Männer, Menschen’, auch im Verbalpräf. ar. ni- ‘hinein’, z. B. ai. nígam-, av. nigam- ‘in einen Zustand gelangen’;
arm. i (vor Vokal y und n-) aus *in, älter *en ‘in’, adnominal m. Lok. und Akk.;
gr. ἐν, dial. ἰν und (poet.) ἔνι, ἐνί (so hom. stets als Postposition; att. nur mehr ἔνι als Prädikat = ἔνεστι) ‘in’, adnominal mit Dat. (= Lok.), Gen. und in einem Teil des Gebietes auch noch mit Akk. (‘wohin’), in letzterer Geltung anderwärts nach ἐξ zu ἐνς (att. εἰς; danach εἴσω wie ἔξω erweitert, antekons. daraus ἐς); tiefstufig ἀ- () z. B. in ἀ-λέγω usw.;
über das strittige ἔστε, ἔντε ‘bis’ s. Schwyzer Gr. Gr. I 629 f.;
maked. ἰν;
messap. in;
alb. inj ‘bis’ (*eni̯);
lat. in, ältest en; osk. en, umbr. en- (en-dendu ‘intendito’), Postposition osk. -en, umbr.-em, -e, adnom. mit Dat. (= Lok.), Akk. und Gen. (des Bereiches);
air. in- ‘in’ adnominal m. Dat. und Akk.; nasalierend), in- (‘lenierend’ aus *eni, vgl. ingen aus urir. ini-gena ‘Tochter’; vermengt mit ind- = gall. ande-, s. Thurneysen Grammar 531 f., Pedersen KG. I 45), acymr. abret. en, in ‘in’, corn. bret. en, ncymr. yn-, gall. essedon (*en-sedon) ‘Streitwagen’, embrekton ‘eingetauchter Bissen’ (s. unter mereq-);
got. in ‘in’, adnom. m. Dat., Akk., Gen.; ahd. as. ags. in, anord. ī ‘in’, adnom. m. Dat. und Akk., aus *eni (über Ableitungen wie got. inn ‘hinein’, inna, innana, wohl aus *eni-n-, s. Brugmann IF. 33, 304 f.);
apr. en ‘in’, adnom. m. Dat. und Akk., lett. ie- (nur Präfix); tiefstufig * in lit. į̃ (älter und heute dial. in, int) ‘in’, adnom. m. Lok. und Akk.;
aksl. on- (on-ušta ‘Schuhwerk’, ǫ-dolь ‘Tal’), schwundstuf. vьn-, ‘in’, adnom. m. Lok. und Akk.;
toch. AB y-, yn-, В in- (nur Präfix).
n̥-dhi: ai. ádhi ‘über, auf’, apers. adiy ‘in’; gall. Intensivpräfix Ande- (PN Ande-roudus ‘der sehr rote’), cymr. an(ne)- in anne-l ‘Vorrichtung’ = air. inde-l (*n̥dhi-l-om), cymr. an-daw ‘lauschen’ (zu taw ‘schweigend’); air. ind- (teils aus *indi-, teils aus sekundärem *indo-) in ind-reth ‘Einfall’ (*indi-reto-), indnaide (s. weiter unten), usw. Pedersen (KG. I 45) will auch got. und ‘bis zu’ hierher stellen; s. über andere Möglichkeiten oben S. 50 und S. 181.
(e)nero- ‘innerlich’: arm. *nero- ‘das Innere’, vorausgesetzt von ner- ‘intra, hinein’, nerk’s ‘innen’, nerk’oy ‘drinnen’; vielleicht gr. ἔνεροι als ‘die drinnen’, nämlich in der Erde; oder besser Hypostase aus οἱ ἐν ἔρᾳ?
ni-, nei- ‘nieder’, Komparativ nitero- ‘nieder’ (im Gegensatz zu ‘oberer’):
ai. ní, av. ‘nieder(wärts)’, ai. nitarā́m ‘unterwärts’, av. nitǝma- ‘der unterste’;
arm. ni-, n- ‘nieder’;
kelt. * aus *nei in air. ar-nëut-sa, in-nëut-sa ‘ich erwarte’, (urir. *-nē-sedū), Verbaln. indn(a)ide (*indo-nē-sodi̯on) und in ar-neigdet ‘sie beten’ (*ari-nē-gedont); vgl. anders Bergin Ériu 10, 111;
ahd. nidar, as. nithar, ags. niþer, aisl. niðr ‘niederwärts’, ahd. nidana, as. nithana ‘unten’, ags. neoðan, niþan ‘herunter, unter’, aisl. neðana ‘von unten her’, Präp. mit Akk. ‘unterhalb’, as. nithe Adv. ‘unten’, ahd. nida Präp. mit Dat. und Akk. ‘unterhalb, unter’;
abg. nizъ ‘hinab, hinunter’ (Bildung wie prě-zъ usw.);
im Kompositum:
ai. nīpa- ‘tiefliegend’ (ni + ap- ‘Wasser’);
*ni-ok- als ‘die Augen niederhaltend’ in:
ai. nīcā́ ‘abwärts’ (vgl. nyañc- ‘nach unten gerichtet’);
abg. nicь ‘pronus’, poniknąti, ničati ‘pronum esse’; Wackernagel-Debrunner Ai. Gr. III 230 f., Trautmann 198 f.
mit Formans -u̯о-:
gr. νειός f. ‘Feld, Flur’ (*Niederung’), νείατος, νέατος ‘der unterste’, νειόθεν ‘von unten’, νείοθι ‘unterhalb’, νείαιρα γαστήρ ‘der untere Teil des Bauches’, νήιστα· ἔσχατα, κατώτατα Hes., theb. Νήιτται πύλαι (η scheint für ẹ̄ aus ei vor pal. Vokal zu stehen);
abg. n̂iva ‘Acker’ (‘*Niederung’), skr. njȉva (woher das j?), čech. russ. níva ds. (*nēiu̯ā f);
schwundstufig ags. neowol, nēol, nihol ‘pronus’ aus *niwol, mnd. nigel ‘niedrig’;
hierher wohl auch mit Vollstufe lit. néivoti ‘quälen’, lett. niẽvât ‘verächtlich behandeln, schmähen, niederdrücken’ (auch got. *naiw ‘ἐνεῖχεν’ Marc. VI 19?).
Vgl. idg. ni-zdos ‘Nest’ unter sed- ‘sitzen’. Als ‘heruntermachen’ (wie lett. niẽvât) beruhen wohl auch neid- ‘ὄνειδος’, neit- ‘befeinden’ neiq- (s. dort), auf unserem nei-, ni-.
enter, n̥ter ‘zwischen - hinein’, en-tero- ‘innerlich’:
ai. antár, av. antarǝ, apers. antar ‘zwischen’, adnom. mit Lok., Instr., Akk., Gen.; ai. ántara- ‘innerlich’, av. antara- ‘innerer’, Superl. ai. ántama- ‘der nächste’ (nicht zu ánti, ánta-), av. antǝma- ‘der innerste, vertrauteste, intimus’; ai. antrá-, auch mit Vr̥ddhi āntrá- n. ‘Eingeweide’;
arm. ǝnder-k’ Pl. ‘Eingeweide’ (gr. Lw. ? s. Hübschmann Arm. Gr. 1447 f.);
gr. ἔντερον, meist Pl. ‘Eingeweide’;
alb. nder ‘zwischen, in’, ferner ndjer, ngjer usw. ‘bis’ (*entero-);
lat. enter, inter ‘zwischen’, adnom. m. Akk. (erstarrt m. Gen. intervias, interdius), intrō, intrā, intrin-secus, interus ‘innerlich’, interior, intimus, intestīnus (s. unten), osk. Entraí ‘*Interae’, tiefstufig, osk. anter ‘inter’, umbr. anter, ander ‘während’, adnom. m. Lok. und Akk.;
air. eter, etir, etar ‘zwischen’, adnom. m. Akk., corn. ynter, yntre, bret. entre (der Endvokal nach tre-, dre = cymr. trwy), acymr. ithr ‘inter’; gall. inter ambes ‘inter rīvōs’;
ahd. untar usw. ‘unter = zwischen’ = osk. anter (verschieden von germ. *under, ahd. usw.untar ‘unterhalb’ aus *n̥dher, lat. infrā); vgl. got. undaúrni-mats ‘Zwischenmahl’ = ‘Frühstück’, anord. undorn n. ‘Vormittag (um 9 Uhr)’, as. undorn, ags. undern ‘Mittag’, ahd. untorn ‘Mittag, Mittagessen’ (n-Suffix wie in lat. internus); hochstufig wie gr. ἔντερα usw. anord. iðrar Pl. ‘Eingeweide’ (aus *innrar, *inþerōz), innre, iðre ‘der innere’ (wenn diese nicht spez. nord.-ro-Ableitungen von inn = got. inn ‘hinein’, s. oben, sind);
slav. *ętro in aksl. jątro ‘Leber’, ablaut. ǫtroba ‘κοιλία’, ǫtrь ‘εἴσω’.
über hitt. antūrii̯as ‘interior’, andurza ‘drinnen’ s. Lohmann I. F. 51, 320 f.
entós ‘(von) innen’ (vgl. ai. i-táḥ ‘von hier’, lat. caelitus usw.):
gr. ἐντός ‘innen’, wovon ἔντοσ-θεν, -θι und weiter ἐντόσθια, ἐντοσθίδια ‘Eingeweide’ (oder letztere mit aus ἔντοσθε verschlepptem θ für *ἐντοστια, vgl. ai. antastya- n. ‘Eingeweide’, Fick I4 363, Vendryès Rev. ét. gr. 23, 1910, 74);
lat. intus ‘von drinnen; innen’, davon mit analoger Umgestaltung intestīnus;
mnd. nhd. dial. inser ‘eßbare innere Teile von Tieren’, anord. īstr n., īstra f., ‘das die Eingeweide umgebende Fett’ (*en-s-tro-);
apr. instran ‘Fett’, lett. îstri Pl. ‘Nieren’ (*en-s-tro-); lett. ìekša ‘Inneres’, Pl. ‘Eingeweide’ (*en-t-i̯ā), alit. insčios ‘Herz’, lit. į́ščios ‘Eingeweide’ (*en-s-ti̯o-).
Über die Zusammenrückung lat. endo, indu, wozu gr. τὰ ἔνδῑνα, air. inne ‘Eingeweide’, s. oben S. 182 – Über gr. ἔν-δον ‘*im Haus’ (wozu ἔνδο-θεν, -θι, lesb. dor. ἔνδοι nach οἴκο-θεν, -θι, οἴκοι) s. dem- ‘bauen’.

WP. I 125 ff., II 335 f., WH. I 687 f., 694, 708 f., 711 f., 870, Trautmann 69 f., 198 f. W. Schulze Kl. Schr. 70 ff.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal