Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

impresario - (belangenbehartiger van een artiest)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Oudere attestaties (dan 1847):

  • Napels in het jaar 1843, in Vaderlandsche Letteroefeningen (1844) [1]: "Nu willen mijne kameraden en de Signor Impresario mij hierbij behulpzaam zijn, door mij de voorstelling, waarmede het tooneel weder geopend zal worden, tot mijn benefiet te geven."
  • Piet Bogcheljoen: Een straatliedje. In De Gids (1846) [2]: "...den jongen, zoo we in Frankrijk waren, en ik een Impresario ware geweest, misschien in plaats van een' goed ambachtsman een' halfbakken kunstenaar had kunnen doen worden."

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

impresario zn. ‘belangenbehartiger van een artiest’
Nnl. impresario “ondernemer, inz. opera-ondernemer in Italië” [1847; Kramers], naar de Nederlandse uitspraak ook wel impressario [1861; WNT Aanv.].
Ontleend aan Italiaans impresario ‘ondernemer van theatervoorstellingen e.d.’ [1714; DEDLI], een specifieke betekenis van algemener ‘ondernemer’ [1644-83; Rey], afleiding van impresa ‘onderneming’, het verl.deelw. (vrouwelijk) van imprendere ‘ondernemen’, uit vulgair Latijn *imprehendere, gevormd uit → in- 3 ‘in’ en klassiek Latijn prehendere ‘nemen’, misschien verwant met → vergeten. De ontlening aan het Italiaans is misschien verlopen via Frans impresario [1753; Rey].

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

impresario [ondernemer van toneelvoorstellingen e.d.] {1847} < italiaans impresario [oorspr. hoofd van een toneelgezelschap], van impresa [onderneming], van latijn in [in, naar] + pre(he)ndere [grijpen, oppakken], dus dat wat men aanpakt, het aangepakte + -ario < latijn -arius, dat beroepen aanduidt.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

impresario s.nw.
Persoon wat konserte, opvoerings, kunsreise, e.d. bestuur en organiseer en as tussenganger tussen kunstenaars en die publiek optree.
Uit Ndl. impresario (1847) of Eng. impresario (1746).
Ndl. impresario en Eng. impresario uit It. impresario, met lg. 'n afleiding van impresa 'onderneming'.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

impresario (Italiaans impresario)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

impresario ‘ondernemer van toneelvoorstellingen e.d.’ -> Indonesisch imprésario, imprésaris ‘ondernemer van toneelvoorstellingen e.d.’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

impresario ondernemer van toneelvoorstellingen e.d. 1847 [KKU] <Italiaans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal