Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

immigrant - (inkomend landverhuizer)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Oudere attestatie (dan 1865): De Gids 11 (1847) [1]: "...maar waar de immigrant naar de wildernissen van het westen wordt opgedrongen, om ze bewoonbaar te maken"

Oudst gevonden attestaties voor verwante woorden;

  • immigreren: De Gids 19 (1855) [2]: "Warden begrootte in het begin dezer eeuw het aantal immigrerenden in de Vereenigde Staten op jaarlijks vierduizend menschen"
  • immigratie: D.-D.: De slavenhandel in vrije negers. Vaderlandsche letteroefeningen 1859 [3]: "... de zuidelijke staten, die altijd zeer naijverig waren op den aanwas der noordelijke staten door Europesche immigratie"

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

immigrant [inkomend landverhuizer] {1865} < frans immigrant < latijn immigrans (2e nv. immigrantis), teg. deelw. van immigrare [zijn intrek nemen, binnendringen], van in [in, naar] + migrare [vertrekken, verhuizen] (vgl. migreren).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

immigrant s.nw.
Iemand wat van elders af 'n land binnekom om hom of haar daar te vestig.
Uit Ndl. immigrant (1865).
Ndl. immigrant uit Fr. immigrant uit Latyn immigrans, die teenwoordige dw. van immigrare 'sy intrek neem, binnedring', met lg. van in 'in, na' en migrare 'vertrek, verhuis'.
D. Immigrant, Eng. immigrant.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

immigrant ‘inkomend landverhuizer’ -> Indonesisch imigran ‘inkomend landverhuizer’; Sranantongo emigranti ‘inkomend landverhuizer’.

Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

allochtoon [Nederlander van buitenlandse afkomst] (1971). Allochtoon (‘buitenlander’) wordt in 1971 in deze vorm en betekenis geïntroduceerd door de sociologe Hilda Verwey-Jonker (1908-2004). Zij gebruikt de term als alternatief voor het woord immigrant, dat tot die tijd gebruikelijk was.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

immigrant inkomend landverhuizer 1865 [KVW] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal