Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

imme - (honingbij, bijenzwerm)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

imme* [honingbij, bijenzwerm] {1458} nog bewaard gebleven in imker.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

imme v., Mnl. id. + Ohd. imbi (Mhd. imbe, imme, Nhd. imme) – 1. zwerm, 2. bij + Oier. imbed = menigte, Lat. omnis (uit *ombhnis) = al.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

iem, ieme, iemen, im, imme bijenzwerm, bijenvolk, bij (Noordoost-Nederland, Noord-Limburg). = hgd. imme, mhgd. imbe. Abl. ~ oeng. imbe (‹ *umbia) ‘bijenzwerm’. Etym. onzeker; misschien ~ gr. empis ‘mug’ (dan taboe) ofwel Oudiers imbed ‘grote menigte’. Gezien de vocalische anlaut wel een substraatwoord. Het woord is aanwezig in nl. imker.
NEW 279-280, Ter Laan 345, Van Schothorst 19, Hadderingh/Veenstra 127, Wanink 115, OT IV 273, Schols/Linssen 211.

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

embhi-, empi- ‘Stechmücke, Biene’, Mit tabuierendem Wechsel bh : p?

Gr. ἐμπίς, -ίδος ‘Stechmücke’;
ahd. imbi (ältester Beleg impi pīano), mhd. imbe (*embi-o-) ‘Bienenschwarm, Bienenstock’, erst spät-mhd. ‘Biene’, nhd. Imme, ablautend ags. imbe (*umbia) ‘Bienenschwarm’.

WP. I 125, WH. I 57.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal