Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ik - (voornaamwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

ik vnw. 1e pers. ev.
Onl. ik, ic [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ic; vnnl. ik.
Os. ik (mnd. ik); ohd. ih (nhd. ich); ofri. ik (nfri. ik); oe. ic (me. i, I; ne. I); on. ek (nzw. jag); got. ik; < pgm. *ik.
Erfwoord met verwanten in alle Indo-Europese talen, o.a.: Latijn ego (zie ook → ego), Laatlatijn eo (Catalaans jo, Spaans yo, Frans je); Grieks egṓ; Sanskrit ahám; Avestisch azəm, Oudperzisch adam; Litouws ; Oudkerkslavisch azŭ (Russisch ja, Tsjechisch ); Armeens es; Hittitisch uga; Tochaars ñuk; < pie. *h1eǵ-, in veel gevallen met toegevoegde extra elementen als *-oH, *-(H)om. De verbogen vormen van dit voornaamwoord gaan op een andere wortel (*h1me) terug, zie daarvoor → mij en → mijn 1.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ik* [pers. vnw.] {oudnederlands ik 901-1000, middelnederlands ic} oudsaksisch, oudfries, gotisch ik, oudhoogduits ih, oudengels ic, oudnoors ek; buiten het germ. latijn ego, grieks egō, oudkerkslavisch azŭ (russisch ja), oudindisch aham.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ik voornw., mnl. ic, onfrank. ic, os. ik, ohd. ih, ofri. ik, oe. ic (ne. I), on. ek (op runen-inscr. ek c. 400, eka, ekA, c. 600, encl. -eka, -ka, -ga), got. ik. Uit de oernoorse vorm eka stammen nde. jeg, nzw. jag, vgl. ook ohd. ihha. De nnl. vormen mnl. icke, nnl. ikke zijn door emphase te verklaren en niet rechtstreeks te verbinden met vormen als ohd. ihha. — gr. lat. egō, lit. , lett. es, arm. es naast gr. egṓn, oi. aham, av. azem.

De vormen van dit pronomen tonen sterk afwijkende vormen, daar reeds idg. met elkaar wisselen *eĝ en *eĝh (vgl. H. Petersson SVS Lund 1, 1921, 15). — Zie over deze vormen *eĝ, *eĝō, *eĝom en *eĝhom E. Kieckers IF 38, 1918, 217 vlgg. en verder Pisani IF 50, 1932, 30-32, die alleen een idg. eĝhom wil aannemen en germ. ik uit *ig verklaart onder invloed van mik < *me-ge.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ik pers. vnw., mnl. ic. — onfr. ic, ik, ohd. ih (nhd. ich), os. ofri. ik, ags. ic (eng. I), on. ek, got. ik “ik”. Uit idg. * of *eĝom. Een alg.-idg. pronomen: lat. ego, gr. egṓ(n), obg. azŭ (met onverklaarde a), lit. èsz, àsz, arm. es, oi. ahám “ik”. De oi. vorm heeft afwijkend consonantisme; vgl. kin. Voor de verbogen casus vgl. mijn.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ik. Germ. vormen met lange vocaal (ags. fri. hd. dial.) zijn te verklaren uit emphatische verlenging, die bij pronomina meer voorkomt. — De emphatische bijvorm ikke, mnl. icke is te vergelijken met ohd. ihha, ihcha ‘egomet’, al zijn beide vormen wellicht onafhankelijk van elkaar opgekomen. Het is niet gewenst deze vorm met ode. iak (de. jeg), ozw. iak, iæk (zw. jag) op een reeds oergerm. *eka te herleiden. Anders W.de Vries Tschr. 34, 218. — Blijkens de onderlinge afwijkingen in idg. talen heeft het woord al vroeg verschillende vervormingen ondergaan en was wellicht reeds idg. meervormig. Pogingen om alle bijzonderheden hiervan te achterhalen (Kieckers IF. 38, 217 vlg.) of wel één grondvorm voor alle voorkomende vormen pasklaar te maken (Pisani IF. 50, 30 vlgg.) zijn altijd gewaagd.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ik voornw., Mnl. ic, Onfra. en Os. ik + Ohd. ih (Mhd. en Nhd. ich), Ags. ic (Eng. I), Ofri. ik, On. ek (Zw. jag, De. jeg). Go. ik + Skr. aham, Gr. egṓ, Lat. ego, We.. i, Osl. azŭ, Lit. ẽsz). — Ik = Ug. *iki, Idg. *ege, of met i uit onbeklemtoond e = Ug. *eka(m), Idg. *ego(m); op Idg. egō berusten On. -ika, -eka, Ohd. ihha en ons ikke; z. mij en zich.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

iech (pers. vnw.) ik; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) igh, ich, Aajdnederlands ic <901-1000> < Duits iech.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

ek: pers. vnw., lste pers., ekv., gemsl., versw. ’k, emf. ekke; Ndl. ik, versw. ’k, emf. ikke (Mnl. ic, emf. icke, 17e-eeus ick, emf. icke, daarby, soos sommige dial., redupv. ick kick/ekik/kik/kikke, ens.), Eng. I (Oeng. ic, On. ek, Got. ik), Hd. ich, Lat. ego, Gr. egō, Skt. aham; in Afr. afl. ekkerigheid; v. ook ego.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

ik (tweede --) (vert. van Latijn alter ego)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ik ‘persoonlijk voornaamwoord’ -> Indonesisch ik, ikke ‘persoonlijk voornaamwoord’; Chinees-Maleis èk, èke ‘persoonlijk voornaamwoord’; Javaans dialect èke ‘persoonlijk voornaamwoord’; Berbice-Nederlands eke ‘persoonlijk voornaamwoord’; Skepi-Nederlands ek ‘persoonlijk voornaamwoord’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ik* persoonlijk voornaamwoord 0776-800 [CG II1 Utr. doopbelofte]

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

eg̑-, eg̑(h)om, eg̑ō ‘ich’, -g̑h- neben -g̑- ist nur fürs Ai. gesichert, also wohl sekundär nach Dat. máhyam.

Ai. ahám, av. azǝm, apers. adam (*eg̑(h)om);
arm. es (aus *ec, idg. eg̑ vor kons. Anlaut);
gr. ἔγω, ἐγών, boot. ἰω, ἰών; lat. egō̆ wie gr. ἐγώ aus *egom geneuert, etwa indem *ἐγὸν φέρω ein ἐγὼ φέρω, egō̆ ferō nach sich zog, und *ἐγών nach *ἔδων ‘gab’ usw. sich richtete (über lat. egomet s. WH. I 396)? fal. eko, ego; wohl auch osk. íív ‘ego?’; s. zuletzt Kretschrner Gl. 21, 100, Sommer IF. 38, 171 ff.;
venet. eχo ‘ich’ (vgl. meχo ‘mich’);
got. ik, ahd. ih (ihh-ā ‘egomet’ mit der Partikel ), as. ic, urnord. ek, ik, anord. ek und enklitisch urnord. -ika (*eg̑om), wgerm. auch *īk (Dehnung nach *tū) in ags. īc, nhd. fränk. aich, anord. auch ēk (urgerm. *ékan, woraus proklitisch ek, ik, enklitisch *ka);
lit. àš, alt , lett. es, apr. es, as (*eg̑);
aksl. azъ (ganz selten jazъ) aus *ēghom?, nsloven. russ. poln. ja (zur Erklärung des anl. Vokals s. zuletzt WH. I 862, Meillet Slave comm.2 452);
toch. ñuk ‘ego’ nach Petersen Lang. 11, 204?;
hitt. ú-uk (uk) mit u nach am-mu-uk ‘me, mihi’, sekundär ‘egō’, das wiederum das u von der 2. Sg. tu-uk ‘te, tibi’ bezogen hat.
Idg. eg̑(h)om ist vermutlich nach J. Schmidt (KZ. 36, 405) Neutrum; daß dieses eigentlich ‘(meine) Hierheit’ bedeutet und sich aus dem Pron.-St. e- und einer der unter *ghe, *gho besprochenen Partikeln entwickelt habe, ist erwägenswert.

WP. I 115 f., WH. I 395 f., 862; Schwyzer Gr. Gr. I 209, 602, 6042, Trautmann 72, Pedersen Hitt. 73 f.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal